Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
English
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Een lijk. Dat maak je niet vaak mee.
Dag, Victor.
Dijen, hoofd en romp liggen vermoedelijk stroomopwaarts.
Je moet de handen zoeken.
Goed, commissaris. U heeft het voor het zeggen.
Maar het zal niet meevallen.
Zoek overal naar lichaamsdelen.
- Wie heeft de voet gevonden? - Een schipper. Wilt u 'm ondervragen?
Informeer of er vechtpartijen zijn geweest in de buurt.
Waar kan ik bellen?
Honderd meter verderop in het café.
Volk.
- Wat zal het zijn? - Is de witte wijn lekker?
Kan ik even bellen?
Met de officier van justitie?
Ik denk dat de rest stroomopwaarts ligt.
Ik laat de politiearts de ledematen onderzoeken.
Afgesproken.
Ik bel 'm zodra ik terug ben.
Een dij en de romp, maar geen hand.
Dat is jammer.
- Hoe lang doe je dit al, Victor? - Twintig jaar.
- Hoe word je duiker? - Door te duiken.
- Neem je me in de maling? - Nee.
Ik was twintig. Ik had geen geld, geen beroep.
Op een dag heb ik een zeeman gered die niet kon zwemmen.
De volgende dag stond m'n naam in de krant en kreeg ik 'n baan aangeboden.
Hoe bent u bij de politie terechtgekomen?
- Zoals jij. - Ook gedoken?
Zoiets. Dat vertel ik nog wel 's.
En waarschuw me zodra je een hand gevonden hebt.
Ik schat 'm tussen de vijftig en de zestig. Dichter bij de vijftig.
Een brede en sterke voet. Eerder een boer dan een arbeider.
Slecht verzorgde nagels.
Ik zal wat vuil naar Moers opsturen voor laboratoriumonderzoek.
Om het lichaam te ontleden...
hebben ze een metaalzaag en een groot slagersmes gebruikt.
- Is i hij e al lang dood? - Een dag of drie. Misschien minder.
Een ding is zeker: Hij is niet verdronken.
Bruin haar, niet groot, stevig gebouwd.
En die plekjes?
Hagel. Tijdens de jacht opgelopen toen hij klein was.
Nu ga ik de ingewanden bekijken. Dan weet ik meer.
- Blijft u nog even? - Liever niet.
- Gaat het, Lapointe? - Ja.
U kunt me op het bureau bereiken.
- Nog nieuws? - Een vechtpartij bij het station.
We hebben de betrokkenen gesproken.
- Niks gevonden? - Nog niet. Machère zoekt verder.
- Rechter-commissaris Coméliau. - Die had ik al verwacht.
Moeilijk te identificeren zonder hoofd en handen.
Dokter Paul en het lab werken eraan.
Ben je met m'n lijk bezig?
Voor z'n dood droeg ie donkerblauwe sokken...
en onder z'n nagels zat aarde en salpeter.
Veel salpeter?
- Genoeg om geen toeval te zijn. - Werkte hij vaak in een kelder?
Dat kan. Ik heb namelijk ook fragmentjes rode was gevonden.
De was die voor wijnflessen gebruikt wordt.
Dat heb je snel gedaan.
En?
Niks. Victor zoekt verder.
- Geen kleren? - Nee.
De kranten waarin het lijk zat, heb ik naar het lab gestuurd.
Informeer in alle cafés in de buurt...
of de baas of de kelner sinds zaterdag weg is.
Bent u iets op het spoor?
Moers heeft iets ontdekt. Misschien klopt 't. Ik ga even naar het café.
- Bij Omer Calas? - Niet op de naam gelet. Hoe zijn ze?
Rustig. Een doodgewoon echtpaar.
- Bedient zij altijd? - Nee. Omer.
Behalve als hij 's middags gaat biljarten.
Kom hier, jij.
- Wat zal het zijn? - Twee witte wijn.
- Wanneer komt uw man terug? - Dat weet ik niet.
Ik heb gehoord dat ze naar het hoofd zoeken.
- Ze hebben het niet gevonden, he? - Nog niet.
Denkt u dat ze het zullen vinden?
- U bent commissaris Maigret, he? - Ja.
Kom, Julien.
Dag, mevrouw Calas. Dag, heren.
Het is rustig hier.
Lekker wijntje.
- Hoeveel krijgt u van me? - Honderd frank.
Is uw man op reis?
Waar naar toe?
De stad uit.
- Wanneer is hij weggegaan? - Vrijdagmiddag.
Met de trein?
- Welk station? - Versailles-Chantiers.
- Waarom Versailles? - Dat ligt dichterbij dan Parijs.
Had hij bagage bij zich?
- Ondervraagt u me? - Had hij bagage bij zich?
Z'n koffer.
- Wat had hij aan? - Hij droeg een grijs pak, geloof ik.
Waar ging hij precies heen?
Wijn bestellen in Saint-Aubin bij Poitiers.
- Waar logeert ie? - Dat vertelt hij me niet.
U kunt 'm dus niet bereiken. Ook niet in geval van nood.
Wilt u nog een glaasje?
Hoe oud bent u?
41.
- Bent u hier geboren? - Nee.
Informeer bij het station naar de vertrektijden...
van de trein naar Poitiers.
Heeft u een foto van uw man?
U heeft niet één foto van hem?
- En van uzelf? - Ook niet.
Zonder z'n bakfiets is hij minder snel.
Wat wilt u van me? Ik heb niks gedaan.
Dan hoef je niet bang te zijn.
- Z'n naam? - Cristin Antoine. Bezorger.
- Je reed weg toen ik je riep. - Ik had het niet gehoord.
- Je ging ervandoor. - Nee. Ik was te laat voor m'n werk.
En waarom ging je er nu vandoor?
Ken je Omer?
De waard.
Ik ken niemand.
De waardin ook niet?
Ken je haar niet?
Oppervlakkig.
Bel even naar het station.
- Wat wil je drinken, Antoine? - Niks.
- Drink je nooit? - Niet met een smeris.
- U moet me laten gaan. - Hoe kom je aan die wijsheid?
Ik ken de wet.
Dat is heel goed. Hier.
- Klopt het adres? - Ja.
- Mag ik gaan? - Wanneer je maar wilt.
Schenk ons nog eens in.
U kent 'm niet, neem ik aan?
Wie?
Antoine de bezorger.
Jawel.
Komt hij vaak?
Vrij vaak.
Om iets te drinken?
Hij drinkt niet veel.
Waarom komt hij dan?
Is hij verliefd?
Misschien.
Weet uw man ervan?
Mevrouw Calas, mag ik u een zeer persoonlijke vraag stellen?
U stelt 'm toch wel.
Gaat u met die jongen naar bed?
Dat is wel 's voorgekomen.
Vaak?
Vrij vaak.
Heeft u nog meer minnaars?
Die heb ik.
Hou de bezorger in de gaten. Hij heet Cristin, Antoine.
Rue des Maraîchers 27. Hij woont bij z'n moeder.
- Heeft uw man een jachtongeval gehad? - Ik zou het niet weten.
Heeft u nooit gemerkt dat hij littekens op z'n buik had?
Zo goed bekijk ik hem al lang niet meer.
Heeft u kinderen?
Ja. Een dochter.
- Hoe oud? - 24 jaar.
- Is ze de dochter van Omer? - Ja.
Wat doet ze?
Ze is operatiezuster in het ziekenhuis.
Woont ze hier?
Nee. Al acht jaar niet meer.
Als u klaar bent, kan ik gaan koken.
Kunt u nog steeds niet tegen rook?
Ik kan niet tegen de lucht van uw pijp.
Hoe kwam u bij haar terecht?
Toevallig.
Toevallig?
Ik ging naar een café om te bellen en kwam er toevallig achter...
dat de waard weg was.
Het zou de man kunnen zijn die we uit het water gevist hebben.
Weet ze echt niet hoe ze haar man kan bereiken?
Ik neem aan dat u haar niet gelooft?
Dat weet ik niet. Misschien is alles gelogen.
Maar misschien ook niet.
Dan begrijp ik niet dat u haar nog niet op het bureau verhoord heeft.
Het lijk is nog niet geïdentificeerd.
We hebben geen bewijs dat het haar man is.
Ik zou er toch werk van maken.
U kunt een arrestatiebevel van me krijgen.
Het is nog te vroeg.
Te vroeg.
- Juffrouw Calas. - Is het privé?
Ze is in de OK. Ik zal informeren of ze kan komen.
Gaat u even zitten.
Ben je ziek?
- Wie kom je opzoeken? - Een verpleegster.
- Mevrouw Geneviève? - Dat weet ik niet.
- Weet je niet hoe ze heet? - Ik ken haar voornaam niet.
Hoe heet jij?
Jules.
- En jij? - Myriam.
U wilt me spreken?
Commissaris Maigret van de recherche.
U weet niet of uw vader op reis is?
- Is er iets gebeurd? - Zou u dat verbazen?
Als Calas m'n moeder heeft doodgeslagen? Nee.
- Slaat hij uw moeder? - Dagelijks.
- Verzet ze zich niet? - Het lijkt wel of ze het lekker vindt.
- En de klanten? - Niemand weet het.
Hij slaat haar niet in het gezicht, zodat ze kan blijven werken.
Ze moet 'm haten.
- Je moet terug naar de O.K. - Ik kom eraan.
Nog een laatste vraag.
Neem me niet kwalijk dat ik het u vraag: Heeft uw moeder minnaars?
Dat is bekend.
Een jongeman? Antoine Cristin?
- Ik zou het niet weten. - Is er iemand van wie u het wel weet?
Misschien. Een zachtaardige man. Een stamgast van het café.
- Een zangerige stem en blauwe ogen. - Z'n naam?
Geen idee. Nu moet ik echt gaan.
Heeft uw vader een lading hagel in z'n buik gehad?
Niet dat ik weet.
Dat is Lucette.
- Ze is heel lief. - Jij ook.
- Kom je nog terug? - Misschien. Dag, Myriam.
- Hallo Véro. En? - Hij is de hele nacht thuisgebleven.
- Woont hij alleen? - Met z'n moeder.
Ze zijn niet erg rijk. Zij is werkster. Nette mensen.
Hoe laat gaat hij werken?
Hij is ruim een uur te laat.
Is hij wel thuis?
- Ik ga kijken. Welke verdieping? - De tweede.
Je bent te laat.
Hij is weer in slaap gevallen.
Je bent onmogelijk.
Wie is daar?
De postbode.
Dag, mevrouw. Is Antoine thuis?
- Ik geloof niet dat... - Mag ik even?
Hij zit in de puree.
- De recherche zit achter 'm aan. - Hoezo?
Wat zijn dit voor manieren? Mooie postbode, zeg.
Recherche.
- Had u vrijdag dienst? - Tot zes uur.
Is er veel bagage afgegeven?
Minder dan gewoonlijk.
Heeft u nog iets dat er vanaf vrijdag ligt?
Dit staat er nog.
En deze koffer.
- Allebei van dezelfde persoon? - Laat de koffer zien.
Weet u nog wie 'm in bewaring gegeven heeft?
Nogal jong. Ik weet het niet meer.
Als iemand ernaar vraagt, moet u ons onmiddellijk bellen.
We komen niet om te drinken. U moet een voorwerp identificeren.
- Inspecteur Lapointe gaat met u mee. - Moet ik het café sluiten?
Dat hoeft niet. U bent snel terug. Ik blijf wel hier.
- Gaat u de klanten bedienen? - Maak u geen zorgen.
Ik ken uw voornaam niet.
Aline.
- Waar gaan we heen? - Niet ver.
Kom te voorschijn. Snel.
- Arresteert u me? - Ik wil niet dat je 'm weer smeert.
Handen naar voren.
- Is het nu afgelopen? - Ik heb niks gedaan.
Handen naar voren.
- En mevrouw Calas? - Ze komt wel terug.
Is die van u?
Nou?
- Het zou kunnen. - U weet toch wel of hij van u is.
Nou, mevrouw Calas?
Misschien.
Het is een koffer, geen metrokaartje.
Ik neem 'm mee. U krijgt een ontvangstbewijs van me.
Dat mag helemaal niet.
- M'n moeder zal zich zorgen maken. - We laten het haar wel weten.
- Kan ik iets voor u doen? - Nee. Neem me niet kwalijk.
Wat is er aan de hand?
- Wist u niet dat hij bij u was? - Niet antwoorden.
Is dit de koffer van uw man?
Zo is het wel genoeg.
Nou, mevrouw Calas?
- Hij zit op slot. - Heeft u de sleutel?
Machère moet de consignebeambte ophalen.
- En zorg voor de benodigde papieren. - Goed.
Heeft u een nijptang of een schroevendraaier?
Zijn deze spullen van uw man?
Ja.
- Is er iets dat je opvalt? - Alles ligt door elkaar.
- Extra schoenen en vuile was. - Zou hij dit zelf gedragen hebben?
Vermoedelijk wel, maar niet toen hij van huis ging. Op de terugreis.
Hij stond op het punt om naar huis te gaan.
Heeft u het gehoord, mevrouw Calas?
- De politie heeft de koffer. - Weet ik.
- Ik heb wel een bewijs van ontvangst. - Weet ik.
- Wat is er dan? - Je gaat mee.
- Waarheen? - Ga met 'm mee.
- Ik heb nog dienst. - Ik vervang je wel.
- Wie brengt me terug? - Schiet op.
Dat moet mij weer overkomen. Ik laat me overplaatsen.
Ik kan beter weer op de trein gaan werken.
Dan heb je niet zoveel gezeur als je een koffer vindt.
- Waar gaan we heen? - Gaat je niks aan.
Ik heb vanavond accordeonles op het stadhuis.
Ik móet erheen. Die koffer kan me gestolen worden.
- Wat is er aan de hand? - Het duurt niet lang.
- Ik moet naar huis. - We brengen u terug.
En de koffer?
Die wordt officieel in beslag genomen.
- Ik vind het best. - Dat weet ik.
Herkent u die man?
Kan hij opstaan?
Sta op.
Ik geloof dat hij het is.
Hij liegt. Hij is bang voor de politie, net als iedereen.
- Ik wil 'm niet in problemen brengen. - Herkent u 'm nou?
Ja, maar ik zou 'm op het station moeten zien.
Dat doen we nog wel. U kunt gaan.
We zijn gesloten.
Rechter-commissaris Coméliau.
Met mij.
Dat is goed nieuws.
Ik schiet ook op.
Ik blijf hier. Ik wacht op de mensen van het lab.
- Victor heeft een hand gevonden. - Nu zullen we het snel weten.
U kunt beter iets eten. Misschien nemen we u mee.
- Mij? - Ja.
Hoe lang?
Dat beslist de rechter-commissaris.
- Ga ik de gevangenis in? - Het huis van bewaring.
- Dat is hetzelfde. - Niet helemaal.
- En ik? - Jij ook. In een andere cel.
- Wie past op het huis? - Wij houden de boel in de gaten.
Antoine, je gaat nu naar het bureau. Je krijgt daar eten en drinken...
en vertelt ons wat je weet.
- Blijft u hier? - Voor Moers en de identificatie.
Stuur iemand naar z'n moeder.
Ik heb uw dochter gisteren gesproken.
Ze kwam op me over als een evenwichtig persoon...
ondanks haar moeilijke jeugd.
Waarom heeft u Antoine aangehouden?
Waarom bent u niet bij uw man weggegaan? Hij sloeg u toch?
Wat heeft u tegengehouden?
- Was die ander hier, vrijdag? - Wie?
Uw minnaar.
De echte.
Wat moeten we doorzoeken?
Het lokaal, de keuken, de kamers, de binnenplaats, de kelder.
- Werd die man hier vermoord? - Dat is niet onmogelijk.
Onderzoek ook die koffer. Maar eerst de vingerafdrukken. Overal.
Ik weet bijna zeker dat u met me mee zult moeten.
Moet ik kleren en toiletspullen meenemen?
Dat lijkt me verstandig.
- Hoeveel tijd heb ik? - Ik heb geen haast.
Laat je haar alleen?
Ben je niet bang dat ze bewijs...
Waar is commissaris Maigret?
We verwachten de arrestatie van de moordenaars...
van het lijk zonder hoofd. Vanavond weten we meer.
- Een naam? - Geen verdere bijzonderheden.
Hij had toch iets kunnen zeggen.
Identiek aan die van de afgehakte hand.
Neemt u geen koffer mee?
- Er staat u wat te wachten. - Ik ben er klaar voor.
- Nog steeds niks te zeggen? - Ik heb Calas niet gedood.
Binnen.
- Waar is ze? - Met Marboeuf.
Ondervraagt u haar niet?
Nu nog niet.
Wanneer dan wel?
Vanavond, morgen of overmorgen. Ik weet het niet.
- Waar wacht u op? - Moers doorzoekt het café.
U kunt haar niet onbeperkt vasthouden.
Als u twijfelt, waarom heeft u haar dan meegenomen?
Ik weet het.
Wat raadt u me aan?
Maigret die me om raad vraagt.
Wat is er aan de hand?
Niks.
Ik twijfel.
Ik maak me zorgen om u.
- Ze heeft een slechte invloed op u. - Waarschijnlijk.
Laat Marboeuf mevrouw Calas hierheen brengen.
- Ik ondervraag haar zelf. - Zoals u wilt.
Blijf zitten. Ik heb liever dat u blijft.
Mevrouw Yorel. Wilt u even een verklaring opnemen?
Binnen.
Gaat u zitten.
Ik ben met dit onderzoek belast.
Ik ga u verhoren. Alles wat u zegt wordt genoteerd.
Ik heb niets te zeggen.
U moet m'n vragen beantwoorden.
Heeft u een advocaat?
Hier heb ik een lijst van de advocaten. U kunt kiezen.
Ik heb geen geld.
Dan heeft u een pro-deo-advocaat nodig.
Dat duurt wel even.
Ik begin alvast met het verhoor.
Ik heb niets te zeggen.
Naam, voornaam, geboortedatum.
Calas, Aline, 12 oktober 1912.
- En? - Nog iets ontdekt?
Nog vijf minuten geduld.
- Wie zou 'm zolang willen hebben? - Ik zag een slagerij verderop.
- Nog vingerafdrukken gevonden? - Van Calas. Overal.
Op het bed en in de kelder.
Er is meer. Kijk even in de microscoop.
Zie je die bruine strepen? Dat zijn vezels van een touw.
Hetzelfde touw zat om het lijk.
Het is nog niet veel. Nu nog de salpeter in de kelder.
Het is niet veel, maar beter dan niks. Bedankt, Moers.
- Ben je er straks nog? - Ik denk het wel.
Hierheen jij. Pak je 'm even op?
Zo, meneertje. Je gaat even op reis.
De winkel is gesloten, meneer.
Gaat u maar achterom.
Dat is de kat van mevrouw Calas.
Zou u 'm in huis willen nemen?
Als hij maar niet met m'n katten vecht.
- Is ze een klant van u? - Ze komt iedere dag.
Is het lijk echt van haar man?
Dat zou kunnen.
Wat is er met haar gebeurd?
Ze moet ondervraagd worden.
Niet iedereen zal het met me eens zijn en zij is ook geen heilige...
maar het arme mens kan er niets aan doen.
Kent u een klant van mevrouw Calas...
van rond de vijftig? Hij gaat vaak naar het café. Al heel lang.
Ik zou niet weten.
Hij heeft blauwe ogen.
Dat is meneer Pape. Die heeft mooie ogen.
Hij doet weleens boodschappen voor haar.
- Kent u z'n adres? - Nee.
Hij werkt op de fabriek, geloof ik.
Bent u Dieudonné Pape?
Ik ben commissaris Maigret.
- Heb ik u niet bij café Calas gezien? - Ik was op weg naar m'n werk.
- Wat wilde u? - Niks. Een glaasje drinken.
- Waarom ging u weg? - Ik zag u daar. Ik begreep niet...
Wilt u met ons meegaan?
- Waarvoor? - Een paar eenvoudige vragen.
- Bent u getrouwd, meneer Pape? - Ik ben weduwnaar.
- Al lang? - Twaalf jaar.
- Kinderen? - Nee.
Vindt u het niet erg om alleen te moeten leven?
- Hoe bent u hieraan gekomen? - Ik heb 'm zelf genomen.
- Heeft u 'm zelf uitvergroot? - Ik heb het in Versailles laten doen.
Ze is erg mooi.
Kent u mevrouw Calas al lang?
Ruim tien jaar.
- Waar heeft u die foto genomen? - Bij de Marne.
Zoekt mevrouw Calas u vaak op?
- Hier? - Ja, hier.
Ze komt hier niet.
Goed.
We komen straks terug met de identificatiedienst.
- Waar gaan we heen? - Niet ver.
Gaat u op uw eigen plaats zitten. Die heeft u, neem ik aan?
- Ik begrijp het niet. - U bent een stamgast van dit café.
Ik ben een klant.
Een hele goede klant, die de foto van de waardin in huis heeft.
Was u hier zondag? Gaat u zitten.
- Ik vroeg u iets over zondag. - Ik ben hier niet geweest.
- Was u thuis? - Ik ben naar m'n broer gegaan.
- Waar? - In Nogent-sur-Marne.
- Heeft hij telefoon? - 217 in Nogent.
Hoe laat bent u uit Nogent vertrokken?
Met de bus van acht uur.
- Wat voor pak had u aan? - Dat heb ik al gezegd. M'n blauwe pak.
Wanneer hebt u mevrouw Calas voor het laatst gezien?
- Zaterdag. - En Calas?
Die heb ik in tijden niet gezien.
U komt hier liever als haar man er niet is?
Waar is ze?
Bij de rechter-commissaris.
- Moers. - Ja, meneer?
Neem z'n vingerafdrukken.
Vergelijk ze met die van de keuken.
Wilt u weten of ik weleens in de keuken kom? Heel vaak.
Zondag?
Zaterdag. Ik heb even koffiegezet.
Wat gaat er met Aline gebeuren?
U weet niks over de verdwijning van Omer Calas?
U moet met ons mee, meneer Pape.
Even geduld, alstublieft.
Ik kom zo met een verklaring.
Is het nu afgelopen?
We weten wie het lijk zonder hoofd is.
Het is Omer Calas, 52 jaar, café- houder in Nimance, Seine et Oise.
We hebben Aline Calas, z'n vrouw, in voorlopige hechtenis genomen...
eveneens Antoine Cristin, bezorger...
en Dieudonné Pape, voorman, hier aanwezig.
Is hen al iets ten laste gelegd?
Ze zijn alleen in voorlopige hechtenis.
Doe 'm de handboeien af.
Ga zitten.
- Waar is Aline? - In het huis van bewaring.
- Bedoelt u de gevangenis? - Nog niet.
Wilt u me nog iets zeggen?
Over een paar uur...
is de identificatiedienst in uw huis klaar.
Ze zullen niks vinden.
- Je zei één uur. - Twaalf uur, één uur. Nou en?
Als bezorger moet je op de tijd letten.
- Wilt u een biertje, meneer Pape? - Nee, dank u.
- Heb je al gegeten, Antoine? - Een broodje.
Z'n moeder is gewaarschuwd. Ze is hier en wil u spreken.
Jullie kennen elkaar.
Hebben jullie elkaar nooit ontmoet?
Ken jij hem?
Ik heb 'm weleens gezien.
- Weleens gezien. Waar? - In het café.
En u, heeft u deze jongeman weleens ontmoet?
Misschien.
Misschien heeft u 'm in het café van de Calas weleens gezien?
En ergens anders?
Antoine, heb jij meneer Pape nooit buiten het café ontmoet?
Nooit. Ook niet op een station?
Nee. Ik heb een hekel aan stations.
Jullie houden allebei van mevrouw Calas, he?
Hoe ging het in z'n werk?
- Deden jullie het om de beurt? - Wat u zegt, is walgelijk.
En Calas in stukken snijden, is dat niet walgelijk?
- Dat heeft er niks mee te maken. - Dat zegt u.
Wat moet ik doen?
Niemand zegt iets. Jullie kennen elkaar niet.
Ik heb drie verdachten voor de moord op Calas. Wie heeft het gedaan?
Hoe? Wie van de drie? Alle drie samen?
En waarom? Dat zou ik graag willen weten.
Jullie houden allebei van Aline Calas. Daar ben ik van overtuigd.
Jullie bewijzen haar een slechte dienst.
Dat beseffen jullie niet.
Zij loopt het meest gevaar.
- Wat is er? - Ik heb dorst.
U heeft water.
Dat bedoel ik niet.
Wijn?
- Ik zou liever iets sterkers hebben. - Dat hebben we hier niet.
Ik wil ervoor betalen.
Dat mag niet.
Ik voel me niet lekker.
Ik zal de zuster naar u toesturen. Die geeft u wel iets.
Ik denk dat uw longen er niet best aan toe zijn.
Nooit overwogen om ermee te stoppen?
Goed.
Hoe zit het met Dieudonné Pape?
Hij zwijgt in alle talen en we hebben geen bewijs tegen 'm.
Hij is de minnaar van mevrouw Calas, nietwaar?
En nog wel meer ook, geloof ik.
Maar waarom zou hij haar man nu pas in stukken gesneden hebben?
Om het geld. Misschien had Calas wat spaargeld.
Dieudonné verdient heel goed. Hij heeft een eigen huis.
En hij is zo eerlijk als goud.
En het café? Misschien wilde hij niet langer voor anderen werken...
en had hij zin om de plaats van Calas in te nemen?
- En Antoine? - De andere twee hebben 'm gebruikt.
Ondertussen zijn ze alle drie hier en we komen geen stap verder.
Met de bewijzen die we hebben, krijgen ze de doodstraf.
Niet van mij.
U moet de moeder van Antoine bij 'm toelaten.
Morgen misschien. Ik zal nog wel zien.
M'n zoon kan het onmogelijk gedaan hebben.
Hij hangt de bink uit maar het is nog een kind. Zij heeft 'm verleid.
Hij werkt hard en is erg geliefd.
- U heeft maar een kind? - Ja.
Z'n vader kwam in '40 om.
- Zou ik 'm heel even kunnen spreken? - Morgen.
Echt waar?
De rechter-commissaris vindt het goed.
Nog steeds niks te vertellen, meneer Pape?
Had Calas geld?
Hij kon van het café rondkomen, neem ik aan.
Had u graag een café willen hebben?
Ik ben veel te verlegen.
U wordt naar het huis van bewaring overgebracht.
- Word ik officieel beschuldigd? - Nog niet.
Het huis van bewaring? Met Bastien? Ik stuur een klant naar je toe.
Pape, Dieudonné.
Zo heet ie. Moet je erom lachen? Petit Beurre is ook niet alles.
Geef 'm geen cel naast Aline Calas. Ze mogen niet met elkaar spreken.
Bel naar Boissancourt, de geboorteplaats van Aline Calas.
Doe bij de arts, de burgemeester, de notaris navraag over 't echtpaar Calas.
Ik ga even naar het café. Je kunt me daar bellen.
Vraag of Lapointe je helpt.
- Het zal niet meevallen. - Doe je best.
Niks bijzonders?
Heb je de sleutel?
Ga maar een broodje eten en kom daarna terug.
Ben je er weer?
Heb je honger?
- Wat doet u hier? - En u?
- Dit is mijn huis. - Niet echt, heb ik begrepen.
Vanwaar dit late bezoek?
Ik las in de krant dat m'n moeder is aangehouden. Is dat waar?
Het is gedeeltelijk waar. Ze is in voorlopige hechtenis.
Heeft ze 'm vermoord?
Dat weet ik nog niet.
Wat voor straf kan ze krijgen?
De doodstraf.
Ik besefte niet...
Misschien houdt u niet van haar.
Excuseer me even. Het zal wel voor mij zijn.
Ja, ik ben met deze zaak belast. M'n assistent heeft u gebeld.
Wanneer?
Weet u het zeker?
Dat is essentieel voor het onderzoek.
Is het een groot bedrag?
Dank u. Ik bel u morgen terug.
Heeft u uw grootvader gekend?
Hij was boer. M'n moeder vertelde nooit iets over hem.
Geen boer, maar grondeigenaar: Honoré de Boissancourt.
M'n grootvader?
Hij is een maand geleden overleden.
Uw moeder erft z'n hele fortuin en de grond.
Ze wil niks hebben. Ze heeft alles geweigerd. Wist u dat niet?
Gaat u zitten. Bastien komt zo met koffie.
Waarom heeft u de erfenis geweigerd?
De notaris van uw vader heeft me opgebeld.
Wat maakt dat uit?
Ik zou het graag willen begrijpen.
Waarom?
Dat hoort bij m'n beroep.
Bastien werkt al twintig jaar hier.
Hij heeft veel misdadigers gezien en evenveel onschuldigen.
Hij kan niet zoveel, maar hij doet wat hij kan.
Dit mag hij niet doen.
Het feit dat m'n vader dood is, doet me niks.
Ik heb al het mogelijke gedaan om daar weg te komen.
Calas heeft me geholpen door me zwanger te maken.
Hij was een bruut, maar alles was beter dan m'n gierige vader.
En uw moeder?
Die is bij m'n geboorte overleden.
U moet geen makkelijke jeugd gehad hebben.
Wat moet ik met dat geld?
Een nieuw leven beginnen.
Met Calas?
Met een ander.
Daar is het allemaal te laat voor.
- En uw dochter? - Ze heeft het niet nodig.
Ze heeft het alleen gered. Zonder ons.
Zonder mij.
Calas heeft de notaris gesproken...
en was woedend omdat u de erfenis geweigerd had.
Hij is teruggekomen...
en heeft u bedreigd.
En Dieudonné of Antoine, of beiden...
- hebben 'm vermoord. - Ze hebben 'm niet vermoord.
Dan heeft u het gedaan.
Bedankt voor de koffie.
Die toestanden met de erfenis, dat is het motief.
- Ze hebben 'm vermoord voor het geld. - Zij heeft de erfenis geweigerd.
Dat heeft ze u vandaag verteld.
En morgen?
We weten nog steeds niet wat er gebeurd is. Niemand heeft bekend.
Verhoor ze tot een van hen doorslaat.
- Ik ga Dieudonné Pape vrijlaten. - Dat verbied ik u.
Het lab heeft niets gevonden.
Geen bloed op z'n kleren, geen bewijs in z'n huis of in het café.
U kunt toch niet een van de belangrijkste verdachten vrijlaten.
Ik ben daar vierkant op tegen.
Ik heb drie arrestatiebevelen. Hun advocaten krijgen het moeilijk.
De slechtste advocaat krijgt 'm binnen drie dagen vrij.
Ze zullen u uitlachen.
Ik wil 'm vrijlaten.
Ik zal 'm hoogstpersoonlijk in de gaten houden.
Op m'n erewoord.
Wat bent u van plan?
Dat weet ik niet.
- Mag de moeder van Antoine 'm zien? - Dat regel ik straks.
Nu niet. Ik heb niets nieuws te melden.
Kom even mee.
U heeft vijf minuten de tijd.
De identificatiedienst heeft niks gevonden in uw huis.
Ik heb geen reden om u langer vast te houden. Doe 'm de handboeien af.
Wilt u uw verklaring even ondertekenen?
Alstublieft. Hier.
Dank u. Marboeuf gaat met u mee om uw spullen op te halen.
U bent vrij.
En Aline?
We hebben kunnen vaststellen dat ze schuldig is.
We hebben een belangrijke aanwijzing gevonden.
Haar arrestatiebevel is al ondertekend.
Ik blijf voorlopig op het bureau.
Als u informatie voor me heeft, kunt u me hier bereiken.
Het huis van bewaring? Mag ik Bastien even?
Bastien. Pape Dieudonné komt zo meteen naar je toe.
Hij is vrij. De rechter-commissaris heeft het goedgekeurd.
Zorg ervoor dat hij Aline Calas deze keer wel ziet.
Ze mogen met elkaar praten. Niet te lang.
Vraag niet waarom. Doe het gewoon.
Wat is er aan de hand?
Ze hebben me vrijgelaten.
- Dat is fijn. - Ik wil niet dat jij...
Hou je mond.
Waarom?
Hou je mond, alsjeblieft.
Ga naar huis.
Ik kan er niet tegen dat jij hier zit.
Alles komt goed. Ze hebben geen enkel bewijs tegen me.
Niet iedereen denkt er zo over.
Ik heb een advocaat gesproken. Hij gaat m'n vrijlating aanvragen.
- Ik vrees dat het niet zo simpel is. - Maak je geen zorgen.
Vannacht was je zo dichtbij.
Het is stom. Ik had het gevoel dat ik over je waakte.
Je hebt vaak over me gewaakt.
Slecht. Ik ben laf geweest.
Als het met jou maar goed komt.
Als dit allemaal achter de rug is, gaan we weg.
Afgelopen.
Ik moet commissaris Maigret spreken.
Ik luister.
Ik kwam 's nachts aan.
Het licht was uit in het café.
Ik hoorde Calas heel hard schreeuwen.
En ik hoorde klappen.
Aline schreeuwde het uit. Het was afschuwelijk.
En hij ging maar door. Hij praatte...
over een erfenis en over geld dat hem toekwam.
Hij bleef maar slaan.
Aline schreeuwde het nog harder uit.
Toen heb ik een hamer gepakt.
Doe het voor.
Ik ben erheen gerend.
Ik ben de kamer ingegaan.
Ze lag op de grond...
en Calas sloeg zo hard als hij maar kon.
Ik heb 'm achter op z'n hoofd geslagen.
Hij is in elkaar gezakt.
Ik heb Aline opgetild.
Ik heb haar op het bed neergelegd. Ze was bewusteloos.
Toen ben ik naar Calas teruggegaan.
Ik heb 'm naar de keuken gesleept.
Toen heb ik een glas water en een slaappil voor haar gehaald.
Ze was weer bij kennis.
Ik zei dat Calas 'm gesmeerd was en dat ze niks meer te vrezen had.
Ik heb haar wat laten drinken.
Ik ben naast haar gaan zitten.
Ze was uitgeput en is snel in slaap gevallen.
Ik heb bij haar gewaakt.
Minstens een uur.
Ze sliep vredig...
met haar hoofd naar mij toe.
Ik ben teruggegaan naar de keuken.
Ik moest me van het lijk ontdoen.
Ik heb het in stukken gezaagd...
en de stukken in het water gegooid.
Het hoofd...
heb ik op de fabriek verbrand in een oven.
En de koffer?
Ik heb 'm door Antoine laten wegbrengen. Maar hij is onschuldig.
Net als zij.
Wanneer heeft u haar de waarheid verteld?
Op zondag.
Ik mocht me niet aangeven.
Houdt u zoveel van haar?
- Gaat u mee, meneer? - Nee. Ik neem een taxi.
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.