Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Ik ben geboren in het stadje Aubagne...
...dat ligt aan de voet van de Garlaban.
De Garlaban is een rotsmassief dat hoog boven de Provence uittorent.
Het is geen berg, maar ook geen heuvel.
Het is de Garlaban.
'De landman en zijn kinderen' door Jean de la Fontaine.
Wie werkt in het zweet zijns aanschijns...
...zal nooit brodeloos zijn.
Mijn vader gaf les op een openbare school.
Hij heette Joseph.
Hij had een prettige stem en als het regende, krulde zijn zwarte haar.
...dat een schat verbergt.
Op een zondag had hij het naaistertje Augustine ontmoet.
Hij vond haar zo knap dat hij meteen met haar trouwde.
Hoe ze elkaar ontmoet hebben, is mij nooit verteld.
Ze waren mijn ouders, voor eeuwig en altijd.
M'n vader was 25 jaar ouder dan ik. En dat is altijd zo gebleven.
Augustine was even oud als ik, want wij waren één.
Als jongetje dacht ik dat we tegelijk geboren waren.
Sibella, neem het over.
En dat heb jij me geflikt.
Sibella, Sibella...
Ik ben vader geworden.
Het is een jongetje.
Voor een onderwijzerszoon is de school zijn wereld.
Marcel...
Ik weet weinig meer van Aubagne. Ik heb er maar drie jaar gewoond.
We verhuisden naar Saint-Loup, even buiten Marseille.
M'n mooie Marcel...
Als mama naar de markt ging, stalde ze me bij papa...
...die zesjarige jongens leerde lezen.
Goed zo.
Ik zat zoet te wachten en bewonderde de vaderlijke almacht.
Goed zo.
Op een ochtend... - Snoepje van me.
...leverde m'n moeder me af zonder iets te zeggen.
mama straft haar zoontje omdat hij stout geweest is
Dat is niet waar.
Wat zeg je? - Mama heeft me niet gestraft.
Wie zegt dat je straf hebt? - Dat staat daar.
Nee maar, kun je dat dan lezen?
Nee maar...
Lees eens voor.
Mama straft haar zoontje...
...omdat hij stout is geweest.
Papa is trots...
...op zijn zoontje...
...dat kan lezen.
Betekent dat dat je van me houdt?
Heb je geen hoofdpijn?
Wanneer heeft hij voor 't laatst gelezen? - Gistermorgen.
Het deksel van een waspoederdoos.
Daarna niets meer? - Nee, je zus is tegen.
Straks barst z'n hersenpan nog.
Mama, ben ik ziek? - Welnee. Neem nog een hapje taart.
Hersenpannen barsten niet.
Marcel kijkt geen boek meer in tot hij zes is.
Laat 'm nog even kind blijven.
Inmiddels had ik een broertje. Hij heette Paul.
Hij komt uit een kool, zei Augustine. En m'n vader repte van een zaadje.
Die moestuin-wijsheid stilde m'n nieuwsgierigheid voorlopig.
Dat jaar maakte vader een reuze-promotie.
Vanuit Saint-Loup ging hij rechtstreeks...
...naar de lagere school aan de Chemin des Chartreux...
...de grootste openbare school van Marseille.
Marseille...
Ik kom te laat. - Welnee. Het is nog vóór achten.
Wacht even. - Nee, morgen.
Ben ik zo niet te... - Nee, integendeel.
Je ziet er geweldig uit. - Geweldig zenuwachtig, ja.
Het gaat vast goed, echt.
Maar die stadskinderen... - Hoezo? Kinderen zijn kinderen.
Waar ga je heen?
Naar school.
Waarom mag ik niet mee? - Je bent te jong.
En je krijgt hoofdpijn van school. - Niet waar.
Kleed je aan. Maar eerst wassen.
Heb ik gedaan. - Jokkebrok. Laat je handen 's zien.
In m'n kamer vergeten. - Zorg dat ze mooi schoon worden.
Anders mogen ze niet mee wandelen met tante Rose.
En dat geldt ook voor je voeten.
'Voor acht personen heeft u twee kilo vis nodig.'
'Schorpioenvis, knorhaan, barbeel, pieterman...
...zonnevis, zeepaling, wijting.'
'Ui en prei...
...fijn snijden en aanfruiten in een braadpan...
...met een dikke bodem.
Gebruik twee eetlepels olijfolie.
Goed roeren.'
1 oktober 1900.
Ga zitten.
Kinderen, we zijn een heel bijzondere eeuw binnengetreden...
...waarin dagelijks wetenschappelijke wonderen zullen plaatsvinden...
...die de armsten en eenvoudigsten vreugde zullen brengen.
De huizen krijgen gas en elektrisch licht en vaak zelfs telefoon.
Via de telefoon kunnen we vanuit Marseille, zonder te schreeuwen...
...praten met mensen in Aubagne en zelfs Aix-en-Provence.
Kanonne.
Ja meneer, onze 20ste eeuw wordt een grootse eeuw.
De vooruitgang is daar. Machines gaan het zware werk overnemen.
De werkdag kan teruggebracht worden tot tien uur.
Niet gek.
En de arbeider krijgt één rustdag per week.
En dankzij beter onderwijs...
...heeft straks iedereen een plek in een menslievende wereld.
Ik herhaal dit niet meer.
Pak je schrift. Dictee.
M'n broer Paul was inmiddels drie.
Hij was erg serieus, huilde nooit en speelde zoet alleen.
Augustine was nog zwak...
...maar gelukkig met haar gezinnetje en haar nieuwe naaimachine.
Dankzij dit vernuftige apparaat kon ik haar nu helpen.
Tante Rose, mama's zus, voelde zich bij ons geen oude vrijster...
...zoals Joseph haar soms plagerig noemde.
Wat is dat? - Een haarspeld.
Hij stopt alles in z'n mond. Laatst nog een hele reep spek.
Wat leest hij? - Het spoorboekje.
Waarom straft God me met zulke kinderen?
Je hebt het aan jezelf te wijten. - Schei toch uit.
Goed, het was Josephs idee. Maar wie niet in de kerk trouwt...
Is niet echt getrouwd.
Over trouwen gesproken...
Moet je daar zelf niet 's aan gaan denken, lieve Rose?
Leef bij de dag, wacht niet tot morgen.
Pluk vandaag nog de rozen van het leven.
Elzas-Lotharingen kan ik moeilijk blauw-wit-rood verven.
Paars, de kleur van de rouw.
Tegen m'n zesde ging ik naar de eerste klas van juffrouw Guimard.
Goed, daar gaan we.
A - E - I - O - U
Wie het weet, houdt z'n mond. Aap dat je bent.
Terwijl het grut letters opzegde, zat ik rustig en glimlachend te wachten.
Ik verzon verhaaltjes en wandelde door het Parc Borély...
...in Marseille.
Zondagsmiddags at tante Rose bij ons. Samen gingen we daarna per tram...
...naar dat betoverende oord.
Op een dag was ik onaangenaam verrast toen er een onbekende man...
...op ons bankje zat.
Vanaf die dag gingen we, tot mijn plezier, steeds vaker naar het park.
Tante had me toevertrouwd dat hij de eigenaar van het park was.
Eén kwaad woord over hem, en we mochten het park nooit meer in.
Z'n gulheid kostte hem niks. Maar ik was daarom niet minder trots...
...op mijn rijke vriend.
Ie-wie-waai is eerlijk weg.
Jij bent 'm.
Zevenendertig. - Dat is stokoud.
Welnee, ik ben zelf bijna 30 en ik vind mezelf nog jong.
Nee, met 37 ben je in de bloei van je leven.
Rose is ook niet piep meer. - Ik ben 26. En ik vind 'm leuk.
Dat is het belangrijkste. Wat doet hij voor werk?
Hij is souschef. - Waarvan?
Geen idee. Maar hij verdient 220 franc per maand.
En z'n familie heeft geld. In totaal hebben we 350 franc per maand.
Gefeliciteerd, lieve Rose.
Maar is het een mooie man? - In de verste verte niet.
Jawel, hij is hartstikke mooi.
Korte tijd later kwam de parkeigenaar...
...samen met tante Rose bij ons thuis.
Ze hadden een mooie reis gemaakt.
Voor onze verbaasde ogen omhelsde de parkeigenaar m'n moeder...
...en daarna m'n vader.
Daar hebben we dat rotjoch van me.
Hij rolde de R als een ratelend rijtuig.
Je moet nu oom Jules zeggen, want ik ben met je tante Rose getrouwd.
Oom Jules was al gauw m'n grote vriend.
Toen ik zei dat hij een huisje moest bouwen in z'n prachtige park...
...biechtte hij lachend op dat het park nooit van hem was geweest.
Ik ontdekte toen dat grote mensen even goed konden liegen als ik...
...en ik voelde me niet veilig meer bij hen.
Pater Dupanloup...
...steeg op in een ballon. - Jules en Rose komen zo.
Maar z'n zaakje was zo lang dat hij op 300 meter hoogte...
Grapjes over paters maak je maar op je werk, niet waar Jules bij is.
Toe, dit is gewoon een liedje over de heldendaden van pater Dupanloup.
Jules gaat naar de mis. Nou en? - Iedere zondag, ja.
En hij gaat twee keer per maand ter communie.
Een familielid van ons, een man van 37...
...die rechten heeft gestudeerd, een overheidsambtenaar.
Hun kerkelijk huwelijk ontlopen was al erg genoeg.
Als Jules kwaad wordt, begrijp ik dat best.
Straks mag Rose hier niet meer komen.
Dat bedoel ik. Zo onverdraagzaam zijn die fanaten.
Verbied ik hem om zondags z'n God te gaan consumeren?
Verbied ik jou om je zus te bezoeken die getrouwd is met een man...
...die gelooft dat de Schepper op zondag in 100.000 bekers neerdaalt?
Als Jules zo komt, zal ik hem laten zien hoe ruimdenkend ik ben.
Hij zal zich gewoon generen.
Ik zal niet beginnen over de Inquisitie en al die verbrande stakkers.
Ik zeg niks over de corrupte pausen Borgia of over pausin Johanna.
En zelfs als hij probeert me z'n infantiele religie op te dringen...
...dat toppunt van onnozelheid...
...zal ik beleefd in m'n vuistje lachen.
Maar hij lachte hoogstens als een boer met kiespijn.
Ik heb gebak meegebracht. - Goed idee van je.
Geen snoep geven, hoor.
Werk je op zondag? - Ja, maar het stelt niks voor.
Onderwijzers hebben een lange zomervakantie om uit te rusten.
Het zou beter zijn als we dan ambtenaren vervingen...
...die uitgeput zijn van hun middagdutjes en het vele zitten.
Goede ochtend gehad, Jules? - Ja, ik ben naar de mis geweest.
Versta je Latijn? - Genoeg om te kunnen bidden.
Ik vraag me wel 's af, beste Jules...
...of het Latijn niet gebruikt wordt om dingen te verbergen...
...voor de gelovigen. - Als toverformules van kwakzalvers?
Dat zijn jouw woorden. - Aan tafel.
Verrukkelijk. Bravo voor de kokkin.
Proef deze heerlijke Roussillon eens.
Nee, dank. Eén glas wijn bevat vijf centiliter pure alcohol.
Genoeg om drie honden om zeep te helpen.
Toe, hou die kweekschoolwijsheid voor je.
Het seminarie is minder streng. Drink een glas mee.
Het mag niet van m'n geloof. - Mag ik je bekeren?
Een drupje dan.
Zelfs voor kinderen kan het geen kwaad.
Niet meer bewegen. Juffrouw Guimard, even lachen.
Er verstreken drie jaren.
Meneer Arnaud, hier kijken. Even lachen, niet meer bewegen.
Twintig kilo kost 100 franc. Hoeveel kost twee kilo?
Ik kreeg de regel van drieën onder de knie.
Tot m'n grote pret bleek er een Titicacameer te bestaan.
Tietekak. - Mangiapan, naar de gang.
De meervoudsregels.
En... - Lodewijk X, de Woelzieke.
En de regels voor het voltooid deelwoord.
Maar ook buiten school leer je veel.
Zo kwam Mangiapan met een wel erg gewaagde hypothese:
Kinderen zouden uit de navel van hun moeder komen.
M'n oudste zus Miette is aan de scharrel, ze heeft verkering.
Ook broer Paul was gegroeid en hij verdiepte zich in stripboeken.
Graag had ik hem de wonderlijke hypothese van Mangiapan voorgelegd.
Maar na grondig onderzoek bleek m'n navel op een knoopsgat te lijken.
Met een knoopje in het midden.
Die knoop moest open kunnen. Dus Mangiapan had gelijk.
Ik was vastbesloten het geheim te ontrafelen.
Op een dag deed ik een belangwekkende ontdekking:
Augustine was van vorm veranderd.
Ze liep als een zwaarbeladen postbode.
Wat zou Augustine onder haar schort hebben?
Rustig, jongens.
Twee maanden later, nadat we drie dagen lang bij tante Rose...
...Maria-Lichtmis hadden gevierd...
...troffen we Augustine gelukkig, maar bleekjes in het grote bed aan.
Er was een zusje geboren.
Mangiapans hypothese was bewezen. Ik kuste mama voorzichtig...
...want het openknopen van haar navel was vast pijnlijk geweest.
Eerst vonden we het maar een vreemd schepseltje.
Augustine gaf haar de borst, wat mij choqueerde en Paul bang maakte.
Straks eet ze haar nog op.
Oom en tante waren verhuisd naar een nieuw, modern appartement.
En we koken... - Op gas. Volgt u mij.
Maar we blijven olijfolie gebruiken.
En wanneer komt de telefoon? - Die dwingeland?
Die komt er hier niet in. - Er is opgediend.
Jullie leven er goed van.
Ben je prefect geworden? - God beware me.
Ik betwijfel of je God zich ook met ambtenarenloopbanen bemoeit.
Aan tafel.
Ik rammel van de honger. - Jij moet voor twee eten.
Ik zag dat ook tante Rose begon te zwellen.
Er kwam dus nog een 'ontknoping'.
Kinderen van oude ouders zijn teer. - M'n zus is pas 28.
Voor een eerste kind is dat oud. Haar man is al 40.
39. - 28 plus 39 is 67.
We gingen het kind van de oudjes bekijken.
Hij is al 67. Met grijs haar en een grijze baard.
Net als opa? - Ja, maar kleiner.
Een babybaard. - Lelijk.
Als hij kan praten, mag hij vertellen waar hij vandaan komt.
Wat een teleurstelling.
Tante Rose was bleek, maar weer helemaal dichtgeknoopt.
In haar armen lag een baby zonder baard en snor.
Hij ziet er jong uit. - Wat bedoel je?
Te jong voor z'n leeftijd.
Kom, ik heb je nodig. Je ziet wel waarvoor.
Joseph, wat vind je hiervan?
Mooie hoed.
Ik bedoel de schorpioenvis. Tien pond, een joekel.
Heb je geposeerd voor de foto? - Zoiets mag best vastgelegd worden.
Heb je geposeerd met een vis?
Ik snap best dat hij trots is. Maar je laten fotograferen met een vis...
Waar is zijn waardigheid? IJdelheid is een belachelijke eigenschap.
Weet je waar we heen gaan? Naar de grot van Ali Baba.
Ik was de stoelen vergeten. Hoe laat is het?
Vijftig franc. - Te duur.
Het dressoir is echt antiek. - Oud, zult u bedoelen.
Houdt u van modern? - Ik heb geen museum. 35 franc?
Nee. M'n huisbaas komt om 12 uur 50 franc huur innen.
Gelukkig dat ie geen 100 franc krijgt. - Ik moet toch wat?
Als hij nog 30 franc kreeg, had ik u 30 franc gerekend.
Dan kom ik morgen terug, als u hem betaald heeft.
Nee, het is kwart voor 12. U heeft gewoon pech.
Dat kan gebeuren.
U bent jong en recht van lijf en leden. U heeft goeie ogen.
Zolang er blinden zijn, mag u niet klagen. Het is 50 franc.
Haal de stoelen eens, Marcel.
Niet doen, Paul.
Wat mag ik doen, papa? - Ik heb een mooi karweitje voor je.
Gereedschap is heel slim. Zodra je iets zoekt, verstopt het zich.
Zijn ze bang voor de hamer? - Precies.
Ga op het krukje staan en hou het gereedschap in de gaten.
Vooruit.
Waar zou dit allemaal voor dienen? - Ze mogen niet aan die troep zitten.
Microben waren toen nieuw. Pasteur had ze net uitgevonden.
Mama zag ze als kleine tijgers die ons van binnenuit wilden verslinden.
Deze 'troep' is het begin van rustiek meubilair...
...waarmee mama erg in haar nopjes zal zijn.
Wat betekent 'rustiek'? - Dat betekent landelijk.
En aangezien mama wel wat buitenlucht kan gebruiken...
...hebben oom Jules en ik een huis in de heuvels gehuurd...
...voor de grote vakantie. - Waar ligt dat huis?
Vlakbij een onherbergzaam stuk garrigue tussen Aubagne en Aix.
Een echte woestenij.
Zijn er ook kamelen?
Niet dat ik gezien heb. - En neushoorns?
Wie weet.
Papa praatte, Paul stelde vragen, Augustine hielp ons...
...en ik herhaalde die magische woorden: huis, heuvels...
Garrigue...
...krekels, woestenij...
De ochtend van vertrek...
...droegen we onze door Augustine gemaakte vakantiekleren.
Oom Jules had alles georganiseerd.
De twee gezinnen zouden apart reizen. Hij per verhuiswagen...
...wij per boerenkar.
Excuus dat ik zo laat ben. Ik stond met abrikozen op de markt.
Ik moest die stadslui bijna betalen om m'n abrikozen kwijt te raken.
Meneer Joseph?
Kom maar op met uw ouwe spulletjes.
Dus u neemt de tram en we treffen elkaar bij het kruispunt. Lukt dat?
Ik heb een kaart.
Er is een café waar u kunt wachten. - Eerst maar 's negen kilometer lopen.
Een eind voor de kinderen.
Smaakt het?
Is dat daar La Treille? - Ja, maar we zijn er nog niet.
Straks moet mevrouw afstappen en gaan wij duwen.
De blokken.
Je moet hard tegen z'n buik slaan.
Dat mag niet.
We moeten die man z'n ogen uitsteken.
Wat krijgen we nou? Halve wilde.
Jij hoort in deze la. - Dat wil ik niet.
Dat komt ervan als je iemands ogen wilt uitsteken.
Meneer, hij maakte een grapje. - Zoiets zeg je niet.
Ik heb op de markt nog wel een zonnebril gekocht.
Zet 'm gewoon op.
Met kapotte ogen en een zonnebril is het donker als in de kont van een mol.
Dit keer vergeef ik het je.
Scheldend en tierend, blokken plaatsend en weghalend...
...bereikten we uiteindelijk het dorp.
Op het plein murmelde de fontein.
Drinken jullie niet? - Kom, jongens.
Niets lest je dorst zo goed als dit zuivere, gratis water.
Jij niet, Augustine?
Toen lieten we het dorp achter ons en begon de sprookjeswereld.
Ik voelde een eeuwigdurende liefde in me opbloeien.
Een grote zwarte vogel hing in de lucht en van alle kanten...
...weerklonk de heldere zang van de krekels.
Dat is Tete Rouge.
Dat is Tete Ronde. En dat is de Taoumé of de Tubé.
Wat betekent dat? - Dat ie zo heet.
Waar komen die woorden vandaan? - Hij heeft gewoon twee namen.
U heeft toch ook twee namen? Ik ook.
En dat is de Garlaban. Daarachter ligt Aubagne.
Ik ben in Aubagne geboren. - Dan ben je dus van hier.
Ik ben in Saint-Loup geboren. Ben ik ook van hier?
Een beetje, maar niet veel.
Wat een stomme zak.
Hier loop je beter op. - We kunnen nu niet stoppen.
Welnee, we halen ze zo weer in.
Wat was ze klein zo. Net een meisje van vijftien.
Tijm. Ik zal een lekkere stoofpot maken.
Pebre d'ail is veel lekkerder. Dat is een soort tijm die op munt lijkt.
Ik zal het u laten zien. Er groeien hier volop kruiden:
Marjolein, salie, rozemarijn...
Vul een haas eens met fijngehakte pebre d'ail en spek. Dat is smullen.
We zijn er.
Daar ligt Bastide Neuve.
Ons vakantiehuis.
Toen begon de mooiste tijd van mijn leven.
Die wonderbaarlijke stormlamp. Toen ik hem zag branden...
...onbeweeglijk als een altaarlamp...
...besloot ik m'n leven aan de wetenschap te wijden.
Soep is de mooiste uitvinding van de mens.
Het is mijn beurt. - Nee, mijn beurt.
Ienemiene mutte, tien pond grutten... - Jij speelt vals. Het is mijn beurt.
Maar morgen mag ik. - Goed.
Krekelzang en allerlei geuren stroomden de kamer binnen.
ken je het land waar de sinaasappelbomen bloeien?
want daar... - Nee, daar...
Hier was geluk simpel en vanzelfsprekend.
Zelfs wassen werd een feest, dankzij een uitvinding van m'n vader...
...die een rubberslang aan de keukenkraan had bevestigd.
Die 'kraan van de vooruitgang' was een wonder van luxe.
De streek was erg droog, maar achter het huis stond een tank.
Je hoefde de kraan maar open te draaien en het koele water stroomde.
Zo is het genoeg. Als de tank leeg is, moeten we naar huis.
Ga je snel afdrogen. Straks vatten jullie nog kou.
In Marseille is wassen een drama. - Gehoorzamen ze wel?
Ze doen alsof. Vooral Marcel. Die speldt je van alles op je mouw.
want daar zou ik willen wonen
Een perzikhuidje. - Wat zie jij er slordig uit.
Tijdens de vakantie neem ik het niet zo nauw. Dat moet jij ook doen.
Ik lijk wel een... - Je kunt zo in een nachtclub dansen.
Oom Jules had een dienstmeisje aangenomen:
Een stuurse boerin die 's middags de afwas en de was deed.
Een mooie gelegenheid om haar handen eens te wassen.
Wij mochten de tuin niet uit. Het hek zou onneembaar zijn.
Het tegendeel was al snel bewezen.
Het grote avontuur begon.
Houd de dief.
Je steelt mijn vlinders.
Ze zijn niet van jou. - Wel waar.
Ik word Mond des Parpaillouns genoemd: Edmond van de Vlinders.
En stel nou dat u Edmond Geitenkeutel heette?
Wie is die brutale vlegel? - M'n broer, m'n grote broer.
Fraai stel. Vlinderdieven worden in de cel gestopt in Aubagne.
Daar is m'n broer geboren. - Dat verbaast me niks.
Wat doen jullie hier? - Niets, we zijn omhoog geklommen.
Waarvoor? - Om te kijken...
...wat er achter de heuvel ligt.
Sinds de mens bestaat, wil hij weten wat er verderop is.
Hij voert oorlog, maakt kinderen, hij reist...
...en wordt zelfs pastoor om uit te vinden wat er verderop is.
Zijn de krekels ook van u? - Die niet, die mag je hebben.
Mag ik ze vangen? - Met je netje?
Dan sta je hier met kerst nog. Mijn God, echte stadskinderen.
Ik zal het jullie leren.
Kom maar.
Krekels zijn erg schuw. Zodra ze je zien, houden ze op met tsjirpen.
En dan kun je het vergeten. Je moet ze aan je laten wennen...
...zodat ze weer gaan tsjirpen.
Hij zingt weer, die sufferd.
Slapen krekels nou nooit? - Heb je er last van?
Ik dacht dat ze 's nachts stil waren.
Ze zien de lamp zeker voor de zon aan.
Maar wel vreemd dat ze zo luid klinken.
Het lijkt wel of...
Mond, kom je nog spelen?
We wachten op je. - Dag, meester.
Komt er nog wat van?
Ik kom zo.
We wachten op je. - Opschieten.
Ik ben niet doof. - Altijd hetzelfde.
Eindelijk. - Ga je gang.
Jeu de boules moet je doorspelen. - Ik zal jullie ballen 's raken.
Horen jullie dat? - Die koekoek? Gooi nou maar.
Dat is Baptistin. - Wie is dat?
Hij staat voor me op de uitkijk.
Ik ben weg.
Heren, heeft u soms... - Nee.
...een stroper gezien? - Nee.
Hartelijk dank voor uw medewerking.
Geen dank. - Graag gedaan.
Er zit toch geen wild in de buurt? - Nee.
Maar wel patrijzen en hazen.
Voor wie ze kan vangen.
U komt uit de stad. Maar zou u met François willen spelen?
Dan verlies ik vast en zeker. - Ja papa, doen.
Ik wil het best proberen. - Zie je wel?
Wilt u schieten of plaatsen? - Zeg het maar.
Ik heb geen ballen meer. U moet schieten.
Opgelet, zoiets leer je niet uit een boek.
Uit de weg.
Wat u nu moet doen... - Ik weet het, ik snap het.
Je hoort erbij. - Omdat ik gewonnen heb.
Dankzij de kaars die ik gebrand heb. - Van mij mag je.
Joseph, dit is meneer pastoor.
Voor het eerst zag ik m'n vader oog in oog staan met de vijand.
Dag, meneer. - Meneer de onderwijzer.
Volgens uw zwager zoekt u tomatenplantjes.
Ik heb er in m'n tuin.
Bent u al voorzien? - Nee.
Maar ik doe het dit jaar zonder tomaten. Tot ziens.
Kom, Marcel.
'Ik noemde hem Vrijdag...
...omdat ik hem op vrijdag gered had.'
Kom kijken. Oom Jules kookt.
Wat stinkt dat.
Wat bakt u? - Eten we dat vanavond?
Nee, nooit.
Waarom bakt u dat dan? - Om jullie nieuwsgierig te maken.
Dit heb ik gemaakt: laadproppen. - Waar is dat voor?
Voor patronen. - Ga je jagen?
Met oom Jules?
Heb je een geweer? - Ga je olifanten schieten?
Naar bed. - En neushoorns?
En giraffen? Waarom gaat ie olifanten en giraffen doodschieten?
Het huwelijkscadeau van m'n oudste broer.
Een Spaans geweer. En dat van jou?
Papa pakte een fors foedraal dat zo te zien ook van de uitdrager kwam.
Van m'n vader gekregen.
Na het ding tot familiebezit te hebben gebombardeerd...
...haalde hij een reusachtig geweer uit het kartonnen geval.
Dat is een haakbus. - Hij schijnt erg precies te zijn.
Dat zou best kunnen.
Niet schieten.
Iets te zwaar, maar hij ligt lekker in de hand.
Nu de munitie.
Wat zou er te jagen zijn? - De proppen moeten er stevig in.
Om te beginnen: vogeltjes. - Piepkleine vogeltjes?
Heerlijk, een spiesje met vijgenetertjes.
Als je maar geen kanaries schiet.
Kanaries noch papegaaien.
Maar witstaartjes en ortolanen...
Ortolanen, zalig.
Hiermee meet je de lading. - In grammen en decigrammen.
En lijsters? Mogen die wel?
Maar er is iets veel beters.
In de kloven van de Taoumé woont de koning van het wild.
Raad maar. - Olifanten?
Naar bed, jij.
Geen olifanten. Maar je weet maar nooit.
Alle gekheid op een stokje, Joseph. Wat is het zeldzaamste wild?
De patrijs?
Het mooiste?
De rode patrijs.
De schuwste?
De haas. - Toe. De droom van iedere jager?
De fazant.
Toe dan, Joseph.
Ik weet het niet.
Moet je horen...
Zo doet ie. Dus wat is het mooiste en zeldzaamste wild?
Ik weet het niet.
De bartavelle. - Wat is dat?
Het dier is zo zeldzaam dat zelfs Joseph het niet kent.
De bartavelle, dames en heren, is de steenpatrijs...
...de koning der patrijzen, een schitterend dier.
De bartavelle is bijna even groot als een korhaan.
Oom Jules sprak de hele avond als kenner...
...terwijl papa, de onderwijzer die zo goed kon dammen...
...aandachtig, om niet te zeggen bete naar hem luisterde.
Ik voelde me beschaamd.
Is oom Jules aan de dunne?
We gaan de hagel testen. Opgepast.
Ga je gang.
M'n vader legde aan. Ik was doods- bang dat hij zelfs de deur zou missen.
Maar hij schoot midden in de deur. M'n trots kwam terug.
Ik wachtte ooms bewonderende woorden af.
Dat is geen geweer, maar een gieter. - Midden in de roos.
Maar een vliegende patrijs is iets anders dan een wc-deur.
Nu testen we de grove hagel.
Dames, oren dicht. Buskruit is geen grapje. Dit wordt een donderslag.
Hou je kolf stevig vast.
Het hout is te hard. - Maar als het kogels waren...
Gelukkig waren het geen kogels, want uit de wc klonk een zwak stemmetje...
...dat voorzichtig vroeg:
Mag ik er nu uit?
Het was het dienstmeisje.
De hond doet:
De patrijs:
Je stapt achteruit, de patrijs komt aangevlogen...
Aanleggen, richten...
Wat doen ze toch?
De patrijs vliegt pal boven je...
Zo gaat dat. Begrepen? Ik vraag het aan je pa.
Het lijkt me niet eenvoudig. - Probeer het maar.
Ik verstop me achter de struik...
Dan leg ik aan. Of doe ik het niet goed?
Moeilijk, hoor.
De hond...
De patrijzen...
Je geweer, achteruit stappen, aanleggen...
Nog niet schieten. De patrijs vliegt nog te hoog.
Papa bereidde zich zo nauwgezet op de jacht voor...
...dat ik voor het eerst aan zijn almacht twijfelde.
Ik moest me verstoppen, met m'n ogen dicht.
Ik wachtte af, gespitst op het minste of geringste geluid.
Hoorde je me komen? - Om 'm niet te kwetsen, zei ik nee.
Ik werd steeds bezorgder. Want mijn vader, de stadsbewoner...
...had nog nooit een dier gedood.
Ik wil niet dat papa gaat jagen. - Waarom niet?
Oom Jules speelt steeds de baas over papa.
Hij leert 'm jagen, uit vriendschap. - Oom Jules kan er niet tegen...
...dat papa beter is met jeu de boules.
Frambozen- of pruimenjam?
Je moet geen spelletjes doen die je niet kent. Daarom voetbal ik nooit.
Maar met knikkeren win ik altijd. - Domoortje...
Jagen is geen wedstrijd, maar wandelen met een geweer.
Als papa niets schiet... - Dan is ie stom.
Dan hou ik niet meer van 'm.
Hemeltje, wat zijn ze mooi.
Dat is geen jasje, maar dertig aan elkaar genaaide zakken.
Hemeltje, de flessen.
Twaalf kilometer door de heuvels lopen is niet niks.
Ik draag het eten. - Welk eten?
Ons eten. - Waarvoor?
Voor de jacht.
De weitas is voor het wild, niet voor het eten. Dus moet ik het eten dragen.
Ik kan geruisloos lopen.
En jullie hebben geen hond. Als jullie 'n patrijs geschoten hebben...
...kan ik hem in het struikgewas zoeken.
Alsjeblieft, papa.
Kom 's hier.
Je hoorde wat oom Jules zei: we gaan twaalf kilometer lopen.
Je hebt kleine voetjes. - En oom Jules heeft dikke billen.
Ik word minder snel moe.
Geen kritiek op mijn billen.
Als ik niet mee mag, word ik ziek.
Ik ben al misselijk.
Bedaar, Marcel.
Dat komt ervan.
Oom Jules toonde zich ruimhartig.
Het gaat mij niet aan, maar van mij mag Marcel best mee.
Hij draagt ons eten en hij moet tien passen achter de geweren lopen.
Akkoord, Joseph? - Als jij het goed vindt.
Rustig. - Maar...
...Paul mag het niet weten, die is nog te klein.
Wil je liegen tegen je broer? - Ik zeg gewoon niks.
En als hij wat vraagt? - Dan lieg ik, voor zijn bestwil.
Wat je daar zei, is heel belangrijk.
Je mag tegen kinderen liegen als het voor hun bestwil is. Niet vergeten.
Ik heb geen honger.
Ik wil gaan slapen.
Ik kan ook misselijk zijn.
Oom Jules had opgeschept over de enorme eetlust van jagers...
...dus nam ik twee keer aardappelen.
Wat mankeert jou? - Ik doe kracht op voor morgen.
Wat is er morgen? - Dan begint het jachtseizoen.
Welnee, morgen is het zondag.
Op de dag des Heren mag je geen dieren doden.
Stelletje heidenen. Nu denkt dat joch dat je op zondag mag jagen.
Jules, niet nu.
Wanneer begint het dan wel? - Maandag.
Morgen krijg je abrikozentaart met slagroom.
Mama, mag ik nog even lezen?
Je mag niet mee.
Waarheen? - Jagen.
Dat wil ik ook niet. - Liegbeest.
Ik heb gehoord dat je stond te huilen...
...en dat je tegen mij wilt liegen.
En oom Jules is een nog groter liegbeest dan jij.
Ze gaan morgen wel jagen.
Mama heeft een omelet met tomaten in hun tas gedaan...
...plus een grote worst, rauwe koteletjes, brood en wijn.
Welterusten.
Zou het waar zijn? In het Parc Borély loog hij toen ook.
Maar papa? Zou die betrokken zijn bij het complot tegen z'n zoontje?
En mama?
Wat zou er aan m'n neus voorbijgaan?
Ik ging hoe dan ook mee.
Slaap je, Paul?
Ik mocht niet slapen, anders gingen ze zonder mij weg.
Niet in slaap vallen, m'n ogen openhouden.
Niet in slaap vallen...
Slaap je? - Nee.
Ze gaan zonder jou weg.
Een gewond everzwijn: in een boom klimmen.
Ik ga mee.
En mama dan?
'Lieve mama, ik mocht toch mee.'
'Maak je geen zorgen. Bewaar wat slagroom voor me.'
'Heel veel kusjes.'
De jacht was duidelijk begonnen. Ik wist meteen weer...
...hoe je een gewond everzwijn kon ontlopen.
Geen jagers. Was het zwijn m'n vader aan het openrijten?
Ik smeekte God of Hij het dier op oom Jules af wilde sturen...
...die wel in de hemel geloofde.
Een mooie lijster.
Ik ging te rade bij mezelf. Als ik de klif bleef volgen...
...kon ik alles ongezien volgen.
Wat is het? - Een snip. Doe maar in je tas.
Terug naar je plaats.
En opnieuw laden.
De jachtverhalen van oom Jules klopten.
Het werd tijd dat Joseph z'n achterstand inhaalde.
Een patrijs.
Een koppel patrijzen zelfs. Ik dreef ze richting jagers.
Ik zei toch: Na ieder schot meteen weer laden.
Meteen laden nadat je geschoten hebt.
Neem je de patrijs niet mee?
Wat een flop.
Om van te huilen.
Controleer eerst of je loop niet verstopt is.
Ging hij met lege handen naar huis, terwijl oom met wild behangen was?
Voor geen goud. Ik ging zoveel mogelijk wild zijn kant op drijven.
Maar nu? Ik kon moeilijk naar huis gaan.
Mocht ik papa alleen laten, met z'n brilletje en z'n proppenschieter?
Ze waren om de klif heen gelopen. Als ik doorliep, kwam ik ze tegen.
Hoogte noch eenzaamheid weerhielden me.
Ik moest de waarheid onder ogen zien: ik was verdwaald.
Ik dacht aan Klein Duimpje, de slimme uitvinder van het spoorzoeken.
Maar voor een spoor was het nu te laat.
Ik luisterde naar de heuvels en hoorde slechts doodse stilte.
Hé, blijf van andermans vallen af.
Ik keek alleen. - Het is een bédouide.
Haal jij vallen leeg?
Wat heb je in je tas? En wat doe je hier?
Ik wandel. - In je eentje?
Met m'n vader en m'n oom. - Waar zijn die?
Geef maar toe dat je verdwaald bent. - Nee, of eigenlijk wel.
Hoor je bij die jagers met die pet en die alpinopet?
Die kant op. Ze zijn zwaar bewapend.
Het jachtseizoen is geopend. - Wat een stommelingen.
Ik jaag zonder vergunning.
Mag dat? - Hoezo? Iedereen doet het.
Het jachtseizoen is typisch iets voor stadsmensen.
Ga maar achter ze aan. Ze zijn al ver weg.
Ik ben niet moe. - Zeker weten? Je kan met mij mee.
Nee, ik red me wel. - Zoals je wilt. Tot ziens.
Ik heet Marcel. En jij?
Lili, Lili uit Les Bellons.
Ik bedacht dat die condor papa en oom Jules kon zien...
...die hun koteletjes zaten te roosteren. Want het was twaalf uur.
Ik volgde Lili's aanwijzing, maar zag tot m'n schrik dat de roofvogel...
...boven mijn hoofd cirkelde.
Mijn gil schrok het bloeddorstige dier niet af.
Mijn ogen, die hij met z'n snavel wilde uitsteken...
...zochten een schuilplaats.
In de hut dacht ik:
Hier zit ik dan, moederziel alleen, en niemand die ongerust is.
De jagers denken dat ik thuis ben.
Maar o wee, als ze straks thuiskomen...
Mama zal huilen, misschien zelfs flauwvallen.
En dan gaan ze zoeken, geholpen door boeren en de politie.
Als het donker is, zie ik de lampen van de reddingsploeg.
Dan gil ik: - Help. Help.
Maar niemand die me hoort. En de redders trekken verder...
...als het schip dat Robinson Crusoe's eiland voorbijvoer.
Sterven of slapen, wat maakt het uit?
Papa. Oom Jules.
Daar zag ik de rand van een kloof. Die van vanmorgen?
Ik maakte een vreugdesprong, toen opeens...
Ik wilde al gaan huilen, maar toen zag ik dat het vogelbloed was.
Patrijzen, maar wat waren ze zwaar.
Toen wist ik het: het waren steenpatrijzen.
Wie schiet er nou twee keer op bartavelles? Ze vlogen mijn kant op.
Ik zag veren vliegen. - Ik ook.
Ze zijn weggevlogen en zitten ons nu uit te lachen.
Hij heeft ze geraakt. Allebei.
En in de ondergaande zon...
...hielden mijn bebloede handen de eer van mijn vader omhoog.
Bartavelle:
Rode patrijs die op hooggelegen plekken in dennenwouden leeft.
Is dat alles? Niets over zijn gewoonten, zijn afkomst?
Wat ga je ermee doen? - Plukken voor het avondeten.
Dit is geen gevogelte, dit is wild.
We mogen ze nog niet eten. - Volgens mij zijn ze goed.
Dit is een mooie gelegenheid om wat te leren.
Marcel wil vast weten waar de naam bartavelle vandaan komt.
We gaan boodschappen doen en het uitzoeken.
In het dorp weten ze vast meer dan de heren biologen.
Moet dat geweer mee? - Je weet nooit. Kom, knul.
Hemel, van wie heeft u die gekocht?
In twee schoten neergelegd.
Twee bartavelles in één keer?
Wat een mazzel. Waar heeft u ze geschoten?
In de vallei van Lancelot. - Knap dat u ze gevonden heeft.
Want zelfs dood kunnen ze nog 500 meter doorvliegen.
M'n zoon zag ze vallen vanaf een klif.
Goed zo, jochie.
Wie geen hond heeft, moet kinderen hebben.
Waar heeft u die gekocht? - Zelf geschoten.
De één weegt 1260 gram...
...en de ander 1530 gram.
Steenpatrijzen.
Sint Hubertus is met u. - Hubertus en m'n geweer.
Een volwassen mannetje en een jong wijfje. Niet de Caccabis rufa...
...maar de Caccabis saxatilis. - En in gewone-mensentaal?
Pardon. De rotspatrijs, oftewel steenhoen.
U gaat dus zelfs over onze gevleugelde vrienden.
Ook engelen hebben vleugels, meneer.
In oud-Provençaals betekende bartavello roestig slot.
De vogel maakt namelijk een knarsend geluid.
Marcel, nu weet je alles van bartavelles. Tevreden?
Ja. Nu kunnen ze in de pan.
Ik wil uw wapenfeit graag vastleggen.
Onzin. Ik heb gewoon geluk gehad.
Ik dacht aan meneer Arnaud met zijn schorpioenvis.
Je laten fotograferen met een vis, had papa gezegd, hoe onwaardig.
IJdelheid... - Niet meer bewegen.
Eén, twee, drie... mooi zo.
Aan tafel.
Hoor eens, een leeuwerik.
Is het geen vijgenetertje?
Nee, het is Lili.
We krijgen gezelschap. - Ken je hem?
Ik ken u ook, u bent de man van de bartavelles.
Eet je een karbonaadje mee? - Ik heb zelf eten.
Je bent een echte stroper. - Nee, ik kom uit Les Bellons.
Wat betekent dat? - Dat de heuvels van ons zijn.
Wij zijn dus geen stropers. - Er zijn hier weinig bronnen.
Jij bent hier bekend. Is de Murier de enige bron?
Ik ken zeven bronnen. - Zeven? Waar zijn die dan?
Dat is geheim. Dat mag ik tegen niemand vertellen.
Ook niet tegen mij?
Nee, zelfs tegen je familie mag je niks zeggen.
M'n opa wist van een bron die hij nooit verklapt heeft.
Hoe weet jij het dan? - Als we beneden op het land werkten...
...zei m'n opa voor het middageten altijd: Niet kijken.
En dan liep hij weg met een lege fles. - Keek je nooit?
Dan had ie me vermoord. Hij kwam terug met ijskoud water.
Hebben jullie nooit iets gezien?
Op z'n sterfbed wilde hij het vertellen.
Hij riep m'n vader bij zich en zei:
De bron, de bron...
En toen was ie dood. Hij heeft te lang gewacht. De bron is verloren.
Zonde van het water.
Wie weet drinken vogels er.
Ik loop door. Het gaat zo onweren. - Welnee, ideaal jachtweer.
Als ie alle regen straks opdrinkt, moet ie tot kerst pissen.
Marcel, kom je? - Nee. Ik zie jullie straks thuis.
Een darnagas. Stadsmensen noemen het een kruisbek.
Wij noemen hem darnagas omdat ie zo stom is.
Dit zijn vliegende mieren.
Het onweer. Rennen, dan halen we het nog net.
Moeten we niet naar huis? - Nee.
Ik weet een plek waar we droog zitten en alles kunnen zien.
Niet slecht voor een stadsjoch.
De voorstelling kan beginnen.
Mooi. - Ja, maar wel lullig.
Raap twee grote keien op.
Draai je langzaam om.
Is dat een vampier? - Nee, een oehoe of grote uil.
Als hij aanvalt, pikt hij naar je ogen.
Kom mee. Je kunt beter nat zijn dan blind.
We zijn verdwaald. - Niet als je bij mij blijft.
Geef me een hand.
Je huis is daar. - Waar?
Verderop.
Rustig maar, mijn Lili zorgt wel dat Marcel thuiskomt.
Daar zijn ze. - Zie je wel dat ze niet verdwaald zijn.
Hemeltje. Ze zijn doornat.
Alsof ze in zee gevallen zijn.
Kinderen kunnen wel tegen een beetje hemelwater.
Ze zijn rood als bilbessen.
De storm is gaan liggen. We gaan, Lili.
Mevrouw, mag ik dit pakje houden?
Zeg, schaam je. - Dat moet je aan Marcel vragen.
Je krijgt het van me.
Lili wist alles: van het weer, van geheime bronnen.
Hij nam me in vertrouwen als ik plechtig zwoer niets te vertellen.
Hij kende kloven waar paddestoelen en wilde sla groeiden...
...amandelbomen en pruimenbomen.
Hij wist ergens druivenstokken te staan...
...waaraan rinse, maar heerlijke vruchten groeiden.
Droge clematis-takken sneed hij in stukken...
...die je als sigaar kon roken.
In ruil voor zijn geheimen vertelde ik over de stad.
De grote warenhuizen, de kerstetalages vol speelgoed...
...de taptoe op 14 juli...
...en de kermis met zijn achtbaan.
Ik deed het geratel van de wielen na en het gegil van de inzittenden...
...en Lili gilde mee.
Hier, een alpenkauw. Voor jou.
Wie weet, vangen we ook lijsters. De herfst is begonnen.
Is het al herfst? - Nou en?
Alle vakantiedagen in de Provence leken op elkaar...
...waardoor de tijd leek stil te staan. Maar de zomer was voorbij.
Herfst...
Geniet er maar van. Want morgen gaan we pakken.
Wat zegt u? - Dat de vakantie erop zit.
Wanneer dan?
Overmorgen. Vandaag is het vrijdag. - Was. Zondag gaan we terug.
Je weet toch dat je maandag weer naar school moet.
Het wordt een belangrijk jaar.
In juli doe je toelatingsexamen voor het lyceum.
En daar leer je Latijn. Leuk toch?
De vakantie was voorbij. Ze mochten m'n tranen niet zien.
Wie doet de luiken open? - Doe jij het maar.
Weet je dat we weggaan? Geen jacht meer. Geen krekels meer.
Die zijn allemaal dood. - Ben jij ook blij dat we teruggaan?
Thuis heb ik m'n soldaatjes. - Waarom huilde je gisteravond dan?
Weet ik niet.
Zij gaan maar weg. Maar ik blijf. - Hoe wil je dat doen?
Ik pak vannacht m'n spullen en verstop me in de grot.
De grot van de oehoe? Durf je dat? - Wacht maar.
Ik wil graag dat je blijft. Maar waar ga je van leven?
Ik word kluizenaar.
Dat zijn mensen die zich terugtrekken om na te denken.
Wat eten ze dan? - Sommigen eten niks.
Ik ga asperges zoeken en slakken en paddestoelen.
En kikkererwten kweken.
Hoe kook je die? - Ik zie wel.
Als jij daar zit, kan ik twee keer zoveel vallen zetten.
De helft van de dieren verkopen we.
We kunnen slakken gaan verkopen. - En venkel. Dat levert veel op.
Daarna kopen we konijnenvallen. - Een haas levert wel 5 franc op.
Zo word ik een kluizenaar die miljonair is.
Waar is dat goed voor? - Dan ben je rijk.
Wil je dan tien karbonaadjes eten? M'n opa zei: Je hebt maar één aars.
Dit was dus de laatste avond met m'n familie.
Net toen ik ontroerd begon te raken...
Gek, maar ik popel om m'n kinderen en m'n schoolbord weer te zien.
En de bartavelles dan, uitslover?
Hij timmerde de doodkist van de vakantie dicht en dat was dat.
Wat ik het meest gemist heb, was het gas.
Ik heb echt heimwee gehad naar m'n gasfornuis.
Wat ik gemist heb, is een gerieflijk toilet.
Zonder mieren en spinnen, maar met een stortbak.
Dat was dus belangrijk voor die wijnzuiper met z'n dikke billen.
Ik was flink nijdig. Maar gelukkig beledigde mama mijn heuvels niet.
Ik besloot alleen haar een afscheidskus te geven.
'Lieve papa en mama. Maak u geen zorgen.'
'Ik heb mijn roeping gevonden: ik word kluizenaar.'
'Van verdere studie zie ik af. Voor mij betekent geluk: avontuur.'
'Wees gerust, ik heb twee aspirientjes meegenomen.'
'Paul is vast jaloers. Geef hem een dikke zoen van zijn grote broer.'
'Papa, zorg goed voor mama. Ik zal elke avond aan haar denken.'
'Liefs voor iedereen, en vooral voor mama.'
'Jullie zoon Marcel, de kluizenaar van de heuvels.'
'P.S. Zoek me maar niet, ik ben onvindbaar.'
Ik had het niet verwacht. - M'n besluit staat vast.
Geweldig.
Ik nam een 'geweldige' houding aan, maar zei niets.
Wat is dat? - Nachtgeluiden. Best een beetje eng.
Wat is dat? - Een vos.
Hij drijft een prooi naar z'n wijfje.
Wat is er? - Echt, je bent geweldig.
Heel bijzonder. Je bent echt de kluizenaar van de heuvels.
Die bewondering begon me ineens zorgen te baren.
Ik zou m'n best moeten doen om zo geweldig te blijven. Het lukte bijna...
We zijn iets vergeten. - Wat dan?
Ontzettend stom.
Jij had er ook aan moeten denken. - Waar heb je het over?
De grote uil. - De oehoe?
Die agressieve uil. Wedden dat z'n wijfje daar ook woont?
We naderden de grot. Ik had het niet meer.
Hoe geweldig je ook bent, soms werkt het lot niet mee.
Een uil is 's nachts erger dan een arend. En twee uilen helemaal.
Ik zag de oehoes al rond m'n hoofd fladderen.
Ik was zo geweldig dat ik besloot snel de aftocht te blazen.
Dit is de bron waar je je water haalt.
Hij geeft minstens tien liter water per dag.
Plotseling kreeg ik een inval.
Tien liter? Is dat een grapje? - Nee, misschien wel 15 liter.
Wat moet ik met 15 liter water? Waar moet ik me mee wassen?
Een beetje water is toch genoeg? - Nee, ik moet me helemaal inzepen.
Ben je ziek? - Nee.
Maar mensen uit de stad zitten altijd onder de microben.
Wat zijn dat? - Een soort piepkleine luizen.
Als ik me niet goed was, vreten ze me op. En dan ga ik dood.
Lullig.
Als jij had gezegd hoe weinig water er was, was ik er nooit aan begonnen.
Ik heb geen microben. Ik weet niet eens hoe ze heten in het Provençaals.
Ik was nu ook bang dat papa m'n brief had gevonden...
...en het tegen mama had verteld.
Jeetje, het licht is aan. - Ze zijn al op.
Misschien hebben ze niks gemerkt.
Snel omhoog, Marcel.
Genereus had oom Jules een auto voor ons gehuurd.
We mochten niet bepakt en bezakt in de regen teruglopen.
Marcel, kom even ontbijten. - Geen honger.
Je moet iets eten. We hebben een lange reis voor de boeg.
Toe Marcel, je bent geen baby meer. Het kan niet altijd feest zijn.
Ik zou ook best in de heuvels willen blijven wonen.
Zelfs in een grot.
Zelfs als kluizenaar.
Vreemd. Maar hij kon natuurlijk best op hetzelfde idee komen als ik.
Je moet beter op je spelling letten. Hij schrijft 'onvintbaar'.
'Kluizenaar' kun je vast ook niet schrijven.
Ik voelde een blos opstijgen, maar stelde mezelf gerust:
Hij kon de brief niet gelezen hebben.
Je zult goed je best moeten doen. Maar als je goeie cijfers haalt...
...komen we hier terug.
Echt waar? - Dat hangt van jou af.
Ga je terug naar de stad? - We gaan toch schrijven?
Jammer dat we elkaar niet eerder hebben leren kennen.
Marcel, opschieten. Doe de deur goed op slot.
Er valt toch niks te halen. Instappen, knul.
Tot ziens, Lili. Goed leren. Geschoolde boeren hebben de toekomst.
Tot ziens, Marcel.
Ik werd weggevoerd en zachte regendruppels vormden mijn tranen.
Wacht even.
Een vakantieherinnering.
Moge God jullie behoeden.
Prachtig. - En zo echt.
Goed geslaagd.
Dit is zilvercitraat-papier, dat donker wordt in het licht.
Goeie belichting. Hoewel ik door de hoogstaande zon een lange neus heb.
Hij is mooi ontwikkeld. De pastoor heeft er kijk op.
Ik stuur één afdruk naar opa. Dan kan hij zien hoe groot Marcel al is.
Ja, hij was apetrots.
Ja, hij zou de foto aan de hele school laten zien, net als meneer Arnaud.
Ik had mijn supervader op menselijkheid betrapt.
Ik hield des te meer van hem.
En in de ondergaande zon...
...hielden mijn bebloede handen de eer van mijn vader omhoog.
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.