Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
deze film geeft de geest en 't historisch belang van de bijbelverhalen weer...
maar veroorlooft zich echter enige artistieke vrijheid
De Heer nu zei tot Abraham: Ga uit uw land...
en uit uw vaders huis naar het land dat ik u wijzen zal,
U bent met ons, God.
Niets.
het Midden-Oosten ca. 2000 v. Chr.
Er is geen water. - We hebben nog. We rusten hier.
Mijn mensen worden boos. - Verdeel het water eerlijk.
Zoals u wenst.
Ook onder onze mensen heerst ontevredenheid.
Hij spreekt de waarheid, echtgenoot.
Zeg dat ze vuur maken en eten bereiden.
Doe wat hij zegt, Eli�zer.
Iedereen, luister.
Jullie weten wat God ons heeft opgedragen.
Maar jullie kennen God niet.
Jullie kennen alleen deze afgoden.
Wie heeft de aarde gemaakt waar jullie op zitten ? En de hemel ?
Dit ding hier ?
Dit ding van klei ?
Nee, dat heeft God allemaal gemaakt.
De enige God, de enige ware God.
Zal ik het verhaal vertellen ? - Ja, graag.
Doe jullie ogen dicht.
In den beginne was er niets. Er heerste duisternis.
En God zei: Er zij licht.
En God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.
En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht.
Dat was de eerste dag.
Op de tweede dag zei God: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren...
die de wateren van de wateren scheidt.
En God noemde het uitspansel hemel.
De derde dag zei God:
Dat zich de wateren onder de hemel verzamelen...
en het droge te voorschijn kome.
En zo geschiedde het.
En God noemde het droge aarde...
en de samengevloeide wateren noemde Hij zee�n.
En God zag dat het goed was.
En God zei: Dat de aarde jong groen voortbrenge.
Zaadgevend gewas en vruchtbomen die naar hun aard vruchten dragen.
Op de vierde dag zei God: Dat er lichten zijn aan het uitspansel van de hemel...
om licht te geven op de aarde.
Dat zij dienen als aanwijzing voor vaste tijden als van dagen en jaren.
Op de vijfde dag zei God: Dat de wateren wemelen van levende wezens.
God zegende ze en zei:
Weest vruchtbaar en wordt talrijk in de wateren en op de aarde.
En op de zesde dag zei God:
Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis.
En zo geschiedde het.
En God zag alles wat Hij gemaakt had...
en zag dat het zeer goed was.
En zo werden voltooid de hemel en de aarde...
en alle levende wezens.
En op de zevende dag rustte God.
Toen vormde God een mens van stof uit de aardbodem.
Dit was Adam.
En God nam een rib van Adam en maakte er een vrouw van.
Daarom verlaat een man zijn vader en moeder en trouwt hij een vrouw.
En zij zullen tot ��n vlees zijn.
Adam noemde de vrouw Eva.
God plantte een hof voor ze in Eden, in het oosten.
Ze waren beiden naakt, maar schaamden zich niet voor elkaar.
In het midden van de hof groeide de boom der kennis.
De kennis van goed en kwaad.
En God zei tot Adam: Je mag van alle bomen eten, op ��n na.
De boom der kennis.
Deze vruchten zijn verboden. Eet ervan en je zult voorzeker sterven.
Van alle dieren in de hof...
was de slang de listigste.
En de slang zei tot Eva:
Eet van de vruchten van de boom der kennis. Je zult heus niet sterven.
Je ogen zullen geopend worden.
En je zult als God zijn en goed en kwaad kennen.
Eva at van de vrucht.
En ze gaf Adam er ook van te eten.
Hun ogen gingen open. Ze merkten dat ze naakt waren en ze schaamden zich.
En ze verborgen zich voor God.
Maar hoe konden ze zich voor Hem verbergen ?
Hij vond ze in de hof en gaf hen kleren om aan te trekken.
Hij hoorde wat de slang had gedaan en God vervloekte de slang.
Hij zei tegen de slang: Op je buik zul je gaan en je zult stof eten.
En Adam en Eva verdreef Hij uit het paradijs.
En zo is het kwaad in de wereld gekomen...
en zo gebeurde het dat Ka�n, Adams zoon...
zijn broer Abel doodde.
Jullie stammen allen af van Adam, de eerste mens.
Ik, Abraham, stam af van zijn zoon Seth...
en van Noach die de ark heeft gebouwd om Gods zondvloed te overleven.
Hij heeft jullie gemaakt.
Jullie weten wat God mij opgedragen heeft:
Ga uit uw land naar het land dat ik u zal wijzen.
Leef mijn heilige wetten na zodat u in vrede en rechtvaardigheid zult leven.
Ik zal u zegenen en uw naam groot maken...
zodat u een voorbeeld en zegen zult zijn voor het volk.
Ik zal zegenen wie u zegene, en wie u vervloekt, zal ik vervloeken.
Met u zullen alle families op deze aarde gezegend zijn.
Ik vertrouw op Gods stem. Ik volg zijn gebod op.
Zullen jullie op God vertrouwen ?
Ik vertrouw op God.
We hebben meer land nodig.
Je hebt hier niets te zoeken.
Ik heb hier net zoveel te zoeken als jij. Onze heren zijn gelijk.
Lot de gelijke van Abraham ? Dat is niet zo.
Mijn heer zal ooit groter zijn dan de jouwe.
Abraham is een bedrieger. - Pas op, Raban.
Je weet wat er wordt gezegd: Er is geen land en er is geen God.
Die ouwe is gek.
Eli�zer.
Hij beledigde u.
Dit is niet de juiste manier.
Als we niet meer weide krijgen, sterven de dieren.
We kunnen dit niet laten gebeuren. En onze kinderen ?
Iedereen heeft honger.
Wat kunnen we doen ? - Teruggaan.
Raban had gelijk, echtgenoot.
Waar is dat land dat Hij ons beloofd heeft ?
Neef.
God is ons allen goedgezind geweest. Onze kuddes zijn sterk gegroeid.
Maar door het tekort aan weidegrond ontstaat er twist.
Dat is niet goed, want we zijn familie en ik hou van je als ware je m'n zoon.
De tijd is gekomen om uit elkaar te gaan.
Ik zal je de eerste keus geven. Als je naar links gaat, ga ik rechts.
En als je naar rechts gaat, ga ik naar links.
Zoals u wenst.
Het doet me zo'n verdriet. - Het kon niet anders.
Als ik je een zoon had geschonken, zou je het nu anders voelen.
Wees niet bang, Abraham.
Ik ben met je. Je zult rijkelijk beloond worden.
Wat zult U me schenken, Heer ?
Ik ben nog steeds kinderloos en zonder erfgenaam.
Als ik sterf, zal m'n gehele have op vreemden overgaan.
Kijk omhoog en tel de sterren als je dat kunt.
Geen enkel mens kan dat.
En zo zal ook niemand je afstammelingen kunnen tellen.
Niets van wat je bezit, zal op vreemden overgaan.
Jouw erfgenaam zal je eigen zoon zijn.
Mijn eigen zoon ?
Geloof je dit ?
Ja, ik vertrouw op U.
Ik ben onvruchtbaar. - Moet ik dan een bijzit nemen ?
Veel mannen hebben een bijzit. Je kent het gebruik.
Mijn gebruik is het niet.
Ik heb nooit een andere vrouw begeerd. Je kraamt onzin uit.
Ik vertrouw op de Heer en dat Hij ons met 'n zoon zal zegenen.
Hoe dan ? Dat kan alleen als je een andere vrouw neemt.
Nooit, Sara. Ik hou alleen van jou.
Je moet wel, om de belofte van de Heer te vervullen.
Het enige wat ik ooit gewild heb, is jou kinderen schenken.
Ik weet 't. En ik weet wat 'n verdriet het je heeft gedaan. Maar Sara...
ik zal altijd van je houden. - Vriendelijke woorden.
Ware woorden.
Ik zal nooit een tweede vrouw nemen.
Dan begrijp ik het niet.
Ik evenmin
Maar ik geloof.
Zij is jong en sterk.
Zij zou je een gezond kind schenken.
Waar heb je het over, vrouw ?
En ze is ook nog mooi.
Hagar ?
Vind je haar niet mooi ? - Ze is je dienares en ze is Egyptisch.
Doe niet zo dwaas.
Wat doet dat ertoe ?
Ga naar Hagar en laat Gods belofte niet door mij onvervuld blijven.
Via haar zal ik je nageslacht voortzetten.
Ik bied je dit en je noemt me dwaas ?
Je moet een kind krijgen. Het is me nu duidelijk.
Ga naar haar toe.
Ga vanavond.
Zes zilverstukken.
Zes ? Tien is m'n prijs.
Uw prijs misschien. Ik bied u zeven. - Tien.
Spreek je me weer tegen ? - Jazeker.
Zwijg. - Ik zal niet zwijgen.
Je doet wat ik je zeg of anders...
Slaat u me ? Terwijl ik het kind van uw man draag ?
Wat is hier gaande ?
Ik zet m'n eer opzij en wat krijg ik als dank ?
Ze doet haar werk niet en ze geeft me een grote mond. Ik ben het zat.
Het werk is te zwaar. Ik ben zwanger.
Ze is nog steeds m'n vrouw en jij haar dienares. Gehoorzaam haar.
Hagar.
Ik geef u er acht voor. - Tien.
Wees niet bang, Hagar. Ga terug.
Je zult een zoon baren en hem Isma�l noemen.
Hij zal een jager zijn en zijn hand zal tegen iedereen zijn.
En ieders hand zal tegen hem zijn.
Kom op, Hagar. Persen.
Je hebt een zoon.
God heeft geluisterd. Ik noem hem Isma�l.
Sara, maak snel wat eten klaar.
Wie zijn dat ?
Waar is uw vrouw ? Sara ?
Daar, in de tent.
Ze zal een zoon krijgen.
Een zoon ?
Waarom lachte ze om mijn woorden ?
Ik lachte niet.
Bestaat er een wonder dat zo groot is dat de Heer het niet kan verrichten ?
Voel je het ? Dat was er weer een.
Dat is je verbeelding.
Hoe kan je daarmee spotten ?
Omdat ik 't nauwelijks durf te geloven.
Pers, vrouwe. Pers.
Pers.
Een zoon.
Ik heb een zoon. Een zoon. Ik noem hem Isaak.
God heeft gemaakt dat ik lach.
Iedereen die hiervan hoort, zal met mij lachen.
Bestaat er een wonder dat zo groot is dat de Heer het niet kan verrichten ?
Isma�l, ga daar weg. Weg daar, zei ik.
Wat heeft hij gedaan ? - Haal hem hier weg.
Hij houdt van uw zoon zoals het een broer betaamt.
Broer.
Het zijn broers van elkaar.
U bent het die vol haat is. U haat mijn zoon en u haat mij.
Ga weg.
We hebben u in woord noch in daad iets aangedaan en toch haat u ons.
Verdwijn uit m'n ogen.
Ga maar. Toe, ga maar.
Kom mee, Isma�l.
Stuur die slavin en haar zoon weg.
Die slavenzoon zal nooit delen in de erfenis met mijn Isaak.
Ik kan haar of haar zoon niet meer zien. Ik kan ze niet langer uitstaan.
Ik moet gaan ? Waar moet ik dan heen ?
De Heer heeft hier al vanaf het begin de hand in.
Waar moet ik heen ? Waar leef ik van ?
Je zal al het nodige hebben.
Dit is jouw zoon.
Dit is allemaal het werk van de Heer. Je moet geloven.
Je stelt Isaak boven Isma�l. Dat geloof ik.
Abraham ?
Hier ben ik.
Neem je zoon Isaak die je lief hebt en ga naar de plek die ik je aanwijs.
Offer hem daar als een brandoffer.
Mijn zoon ?
Ja, je zoon.
Waarom vraagt U dit van mij ?
Waarom ?
Deze is volmaakt en zonder enige vlek.
Breng 'm maar terug. - Ik begrijp het niet.
Ben je klaar, m'n zoon ? - Ja, vader.
Hoe breng je een brandoffer zonder lam ?
We gaan.
Tot ziens, moeder.
Ik kan niet met je mee, zoon.
Daar is het.
Hoe brengt u nu een brandoffer, vader ?
We hebben geen lam.
God zal zelf voor een lam zorgen.
Ga maar alvast. Ik kom achter je aan.
Jullie blijven hier. M'n zoon en ik zullen God vereren en komen dan terug.
Het is klaar.
U moet me vastbinden, vader.
Voor als m'n moed me in de steek laat.
U moet het doen.
Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets.
Nu weet ik dat je geloof volmaakt is, omdat je God zou geven...
wat je het meest waard is: je enige zoon.
Draai je nu om en je zult een offer zien dat God zal behagen.
Waar blijft Isaak ?
Hij komt wel.
Een slokje water, echtgenoot.
Het smaakt zo heerlijk.
We hebben samen een lange weg afgelegd.
Ik ben maar ��n keer kwaad op je geweest.
Ik weet het.
Zou je hem hebben gedood ?
Ja, ik zou het gedaan hebben.
Onze enige zoon.
Ik zat vol woede tegen God.
Ik haatte Hem.
Zo, ik heb het gezegd.
Ik voel me opgelucht.
Zal ik ook vergiffenis vinden ? - Hoe kun je daaraan twijfelen ?
Jij kent Hem zoals ik Hem nooit kan kennen.
Hoe kunnen we Hem werkelijk kennen ?
Terwijl Hem kennen zijn opdracht aan ons is.
Om zijn wet na te leven en te vinden.
We moeten hem vinden. Alleen dan kunnen we leven zoals Hij wil.
Alleen dan kunnen we een voorbeeld en zegen zijn voor het volk.
Dat heb je gedaan, liefste.
Dat was enkel een begin.
Een mensenleven is veel te kort.
Het is aan onze zoon en zijn zonen...
en de daaropvolgende generaties om het werk af te maken.
Isaak, m'n zoon.
Mijn tijd is gekomen.
Doe de tent alsjeblieft open, echtgenoot.
Wat is het heerlijk om de dag te zien.
Hij is ontroostbaar.
Hij moet trouwen.
Niet met een Hittitische, maar met een bloedverwant.
Ga naar Haran. - Ik zal goed op hem passen.
Je begrijpt me verkeerd.
Je zult alleen gaan. Isaak blijft hier.
Hoe kan ik nu een vrouw kiezen voor de zoon van m'n heer ?
De Heer zal de keus voor je maken.
De Heer zal kiezen.
Maar wat nu als hij in groot gevaar verzeild raakt ?
Vader, het is 'n lange reis, nietwaar ?
Ik vraag me af of ze mooi zal zijn.
Ik hoop het wel.
Vrede zij met jullie.
Ik kom van ver en ik heb dorst. Mag ik wat water ?
Hier is wat water.
Hoe heet je ?
Rebekka. Dochter van Bethuel.
M'n kamelen hebben ook dorst. - Ik zal de drinkbak vullen.
Ik ben Laban.
Uw heer Abraham is onze bloedverwant, m'n grootvader was zijn broer: Nahor.
Dan is de Heer een trouwe gids geweest.
Voor ik bij de bron aankwam, stopte ik even om te bidden.
Daar zag ik de vrouwen water halen.
Ik zei tot de Heer: ik zal ze om water vragen.
Maar uit wantrouwen zullen ze een vreemde niet snel helpen.
Maar als er een is die mij helpt, zal zij de uitverkorene zijn.
En om het zeker te weten, zal ik ook water voor m'n kamelen vragen.
Rebekka voldeed aan dit alles en daarbij is zij verwant aan m'n heer.
Mag ik Rebekka mee terugnemen als bruid voor Isaak ?
Dwaas die ik ben.
Hier zijn geschenken van mijn heer voor de familie van Isaaks bruid.
Is dat Isaak ?
Heeft hij verteld hoe ik werd gekozen ? - Ja.
Het was zo vreemd. - Dat geloof ik graag.
Dat is het ook. Een beetje. - Een beetje maar ?
Het is vreemd, maar ik geloof dat God het zo wil.
Geloof je dat echt ? - Ja.
U heeft me zoveel gegeven, vader. Te veel. Maar nooit zo'n grote vreugde.
Je bent dus blij met je bruid ? - Ik heb haar met heel m'n hart lief.
Dat doet me deugd. Laten we hier even rusten.
Ze is ook erg mooi.
En ze heeft wijsheid, vader. Ze weet dingen waar ik niets vanaf weet.
Wijsheid en kennis, zoals die van stedelingen, zijn verschillende zaken.
Ik hoop dat ze een goed hart heeft. - Vader, een groter hart bestaat niet.
Eli�zer.
Eli�zer, kom snel.
Vrede zij met je, Isma�l.
Broeder.
We zijn van dezelfde vader. We zijn broers.
We mogen geen vijanden zijn.
Luister, m'n zonen.
Dit heeft de Heer tegen me gezegd.
Ik heb zijn woorden in m'n hart bewaard.
Mijn volk zal van dit land naar een ander land gaan.
Ze zullen in gevangenschap leven.
Ze zullen lijden.
Maar na de vierde generatie zullen ze terugkeren.
En de Heer zal hun het land schenken.
Pak m'n hand.
Herinneren jullie je nog de grote taak waarmee de Heer me van Haran zond ?
Om de wet na te leven, en 'n voorbeeld en zegen voor het volk te zijn ?
Wie zult u zegenen, vader ? Isaak of mij ?
Waarom zou ik Isaak boven jou stellen ? Of jou boven Isaak ?
Jullie gaan ieder een eigen pad. Jullie krijgen eigen gebruiken.
Mijn zegen is voor m'n hele volk.
Neem deze zegen in ontvangst.
Moge de Heer jullie het dauw van de hemel geven...
de rijkdommen van de aarde...
en koren en wijn in overvloed.
Isaak, vaders staf.
Rebekka was in verwachting van een tweeling...
... Isaak werd op z'n 60e vader...
... Jakob was een huiselijk man, die in tenten woonde.
Hij is er. - Ezau, je moeder beledigde ons.
Ze was bits. - We deden niets fout.
Niet nu. Ik ben moe van het werken.
Ze haat ons.
Genoeg, zeg ik.
Ze worden met de dag brutaler. En ze roddelen over me bij de waterput.
Zeg Ezau dat hij ze moet wegsturen.
Hij houdt van ze. - Hou jij van ze ?
Nee, je kon ze niet aanzien, dus werd je maar blind.
Ik kan ze niet aanhoren en daarom word ik doof.
Is dat Ezau ?
Vrede zij met u, vader. Moeder.
Is dat Ezau's stem ?
Ik wil alleen zijn met Ezau.
Goed, echtgenoot.
Kom hier zitten, m'n zoon.
Mijn dood nadert, m'n zoon.
Uw dood is nog net zo ver weg als de vorige keer.
Je kent je arme vader veel te goed. Niettemin ben ik oud en ziek.
En opdat iedereen weet dat jij boven je broer Jakob staat als ik dood ben...
zal ik jou m'n zegen geven.
Ga het veld in, schiet een stuk wild voor me...
en maak het gerecht dat ik zo lekker vind.
Breng het me en ik zal je zegenen.
Kus me, m'n zoon.
Ezau is z'n lieveling. Niks aan te doen. - Integendeel.
Haal het beste dier uit de kudde en breng het naar mij.
Wie heeft Ezau dat gerecht geleerd ?
Ik maak het klaar en jij brengt het je vader en wordt dan gezegend.
Jij zal heersen over Ezau.
Maar hij zal m'n stem herkennen. - Z'n doofheid zal dat beletten.
Als hij me aanraakt, weet hij het ook.
Doe wat ik je zeg, Jakob.
Dit is van je broer. Dit is zijn beste kleed.
Ik bewaar 'm hier, anders zouden die Hittitische vrouwen 'm maar stelen.
Geef me je arm.
Is dat Jakob ?
Ik ben het, vader. Ezau.
Is dat Ezau's stem ?
Ik heb het gerecht voor u.
Zo snel ? Je ging een paar uur terug pas jagen.
God heeft me doen slagen.
Kom toch dichterbij, m'n zoon.
Het is Ezau echt.
Kom dichterbij en kus me, m'n zoon.
De geur van je kleed is de geur van het veld.
Ik zal je zegenen.
Neem deze zegen in ontvangst.
Dat het volk je dient, dat je zal heersen over je broer...
en dat hij voor jou zal buigen.
Heeft u niet 'n tweede zegen voor mij ? - Er is maar ��n zegen en die is heilig.
En eens gegeven, kan hij niet worden teruggenomen.
Er is niets aan te doen. Niets.
Aanvaard hem als je heerser.
U valt niets te verwijten.
Nee, u bent bedrogen.
Rust maar.
Rust maar, vader.
Ik wacht tot vader dood is en dan dood ik Jakob.
Ezau doodt me niet als vader nog leeft.
Je kent de macht van z'n Hittitische vrouwen niet.
Wat kan ik doen ?
Je zult hier weg moeten. - Waarheen dan ?
Naar Haran. Naar het huis van m'n broer Laban.
Ezau zal genoeg krijgen van z'n vrouwen en dan is 't gevaar geweken.
Ga nu. God zal met je zijn. - En met u, moeder.
Vrede zij met u. - En met u.
Kent u een man die Laban heet ?
Ja, die kennen we wel.
Kunt u me z'n huis aanwijzen ?
Dat is z'n dochter Rachel.
Vrede zij met u.
Bent u Rachel ? De dochter van Laban ? - Ja, dat klopt.
Dan zijn wij verwant. Ik ben Jakob, zoon van Isaak en Rebekka.
Vaders zuster ? Dat moet ik hem vertellen. Wacht u ?
En uw kudde dan ? ik kan op ze passen, als u dat wil.
Dat is hem, Lea. Dat is Jakob.
Hij is inderdaad knap. Nog knapper dan je zei, Rachel.
Hoeveel muildieren heeft hij ?
Een maar, denk ik.
En hoeveel bedienden ? - Ik zag er geen een.
Dat is vreemd. Z'n vader Isaak staat bekend als een rijk man.
Onze vader ziet in hem vast een geschikte schoonzoon.
Voor wie ?
Tja, ik ben de oudste.
Jakob, blijf je of trek je verder ?
Heer Laban, moge het geluk u toelachen.
Ik heb deze Egyptische stof van de beste kwaliteit voor u apart gelegd.
Goed voor een bruidskleed. Voor u maar vijf zilverstukken.
Wat denk jij ervan ? - Het is mooie stof en een goeie prijs.
Stuur maar naar m'n huis. - U bent een prins.
Ik zou 'n lagere prijs bedongen hebben.
Dan moet u me vergeven, ik dacht dat hij u niet zou durven beetnemen.
Ik word ook maar zelden beetgenomen.
Daar zijn m'n dochters. Lea weet pas wat onderhandelen is.
Maar jij hebt meer oog voor Rachel, h�.
Ik denk dat je van haar houdt.
Maar wat heeft dat voor zin ? ik heb geen bruidsschat.
Ja, dat is helaas een groot struikelblok.
Maar er is iets op te vinden. - Wat dan ? Wat is daar aan te doen ?
Je werkt zeven jaar voor me tegen kost en inwoning.
Je bent pienter, Jakob. Ik kan goed geld aan je verdienen.
Dat zou ik als bruidsschat zien. Ga je ermee akkoord ?
Ik ga ermee akkoord.
Je moet wel veel van haar houden. - Met heel m'n hart.
Ik zei het al: mij neem je niet zomaar beet.
En Jakob diende zeven jaren... Genesis 29
Nog eentje, Jakob.
Drink op.
Kom op, in de benen.
Sta op, kerel.
Ik breng je nu naar je bruid. - Naar m'n bruid.
Broeders... - Kom mee.
Moge de goden je vele zonen schenken.
Rachel.
Lea. - Niet weggaan.
Ben je deze nacht dan vergeten ?
We zijn nu man en vrouw.
Hoe kon u dit doen, vader ?
Ze hebben me in moeders kamer opgesloten.
Ik was een gevangene. Uw eigen dochter.
Genoeg. - Ik zal spreken.
Je zult gehoorzamen. Eruit.
Eruit, zeg ik.
Het is hier niet gebruikelijk dat de jongste eerst trouwt.
Ik had het kunnen weten.
Alleen de bruidsschat is benoemd, de bruid niet.
Ik heb onze afspraak niet geschonden. - Strikt genomen niet.
Kom toch.
Lea is een prachtmeid. Scherp van geest, gelijkmoedig.
En mooi.
Ze zal een uitstekend echtgenote zijn.
Sluit haar in je hart en probeer Rachel te vergeten.
U weet dat ik dat niet kan.
Moet ik haar wegsturen ?
Je zult ongelukkig zijn. - Niet als ik hoop heb.
Je wilt Rachel ook ? - Met dezelfde afspraak: zeven jaar.
Uitstekend.
Zweer op de huisgoden dat het geen list is.
Daar geloof ik niet in. - Dat is waar ook.
Ik zweer op mijn God. De enige God. U mag me doden als ik u bedrieg.
Je mag haar huwen na Lea's bruiloftsweek.
Dan zijn we het dus eens.
Ik begrijp het niet. M'n vader licht iedereen op. Waarom ben je niet boos ?
Wat heeft dat voor nut ? Hij heeft wat ik wil. Het enige dat ik wil.
Maar nog begrijp ik het niet.
Tijdens m'n reis hierheen had ik een droom.
Ik zag een ladder die tot aan de hemel reikte.
En Gods engelen beklommen hem en daalden erlangs af.
Toen ik wakker werd, begreep ik het. - Wat betekent het dan ?
Hemel en aarde zijn verbonden. God leeft onder ons.
Onbekend en onzichtbaar, maar hij ziet en kent ons.
Ik heb gehuild uit schaamte omdat ik m'n broer bedrogen heb.
Uit wrok jegens mezelf. Uit angst, daar God de geheimen van m'n hart kent.
Ik heb de gelofte afgelegd een beter mens te worden.
En God was me genadig. Hij opende m'n hart voor jou.
Het was 'n straf. Je had geen bruidsschat.
Het was een proef. Net zoals je vaders list een nog zwaardere is.
Ik zal niet falen.
Wil je me je vergiffenis schenken voor ik sterf, m'n zoon ?
Ik had je broer meer lief dan jou. Ik geef het toe.
Ik kon het niet helpen. Kan je het me vergeven ?
U heeft hem nog steeds meer lief, moeder.
Het is waar.
En zie nu hoe ik daarvoor gestraft word.
Ik zal z'n gezicht nooit meer zien.
Nooit weer.
Kijk dan. Zelfs op m'n sterfbed...
treur ik om hem.
Moge God je vele zonen schenken.
Dit keer is het geen list.
Uitstekend. Door jouw zorg is m'n kudde gegroeid.
Nu is 't de grootste kudde van Haran. - En nu...
is het tijd om je uit te betalen.
Het doet pijn om van geld te scheiden. - Heel veel pijn.
Betaal me dan niet uit.
Geef me een deel van de kudde.
Maar hoe zouden we ze dan verdelen ? ik vertrouw je zoals je mij vertrouwt...
maar met dit soort zaken moeten beide partijen op hun hoede zijn.
Het is eenvoudig. U neemt de gaafste dieren, zonder strepen of vlekken.
Ik neem de gevlekten en gestreepten.
Zo zullen de dieren zelf aangeven aan wie ze toebehoren en is alles helder.
Zijn we het eens ?
We zijn het eens.
Wat is dit, Joreb ? Deze dieren hebben vlekken en zijn van Jakob.
Nee, zuster. Tot de afspraak is bezworen, zijn ze van vader.
Jullie zijn ze aan het stelen.
Zie je niet dat hij je alweer oplicht ?
Ze nemen de gevlekte dieren mee zodat we er niet mee kunnen fokken.
En de gave dieren die we overhouden, moeten we afstaan.
Zet een gaaf mannetje en een gaaf vrouwtje bij elkaar...
en hoe zien hun jongen eruit ? - Ook gaaf ?
Nee, zulke dieren geven vaak gevlekte jongen. Ik heb het al zo vaak gezien.
En dan nog iets.
De gevlekte dieren zijn sterker, werpen meer jongen, hun vlees is smakelijker...
hun vacht is zachter en hun huiden beter.
Je hebt ons bedrogen.
Jouw kudde is gegroeid, je hebt mannen en vrouwen voor je werken...
en je hebt bedienden en goud en wij hebben niets.
Je bent door je eigen onbenul en gemakzucht bedrogen, Joreb.
Ik heb me aan de afspraak gehouden.
Bedrieger. - Wees voorzichtig.
Ik heb meer man tot m'n beschikking dan jullie.
We zullen nog wel zien.
Het klopt. Hij heeft zich aan de afspraak gehouden.
Hij is sluwer dan ik.
Het is een bedrieger. Hij heeft ons bestolen.
Wat kan ik eraan doen ? - Dood 'm en pak alles terug.
Ze zijn vannacht vertrokken. Alles is mee: de kuddes, het goud.
Maar we kunnen ze inhalen, vader.
Jakob.
Onderhandel niet met hem. Maak hem af.
Wat heb je me nu te bieden ?
Ik heb me aan de afspraak gehouden.
Uw dochters en hun kinderen.
Zou u ze doden omwille van hun waardeloze broers ?
Wat zou al uw rijkdom dan nog voorstellen ?
Als hun bloed het zand rood zou kleuren ?
Dat is 't waardeloos.
We gaan terug naar Haran.
Durf je tegen mij in te gaan ?
Nu moet ik Ezau om vergiffenis vragen.
Ik ben de dienaar van uw broer Jakob. Hij stuurt u geschenken.
Wat wil m'n broer ? - Hij wil u zien.
Waar is hij ? - Aan de overkant van de rivier.
Bij de voorde van Jabbok.
Zeg m'n broer dat ik hem hier op het middaguur tref.
Zoals u wenst.
Op het middaguur dus. - Ja, heer.
Hij heeft krijgers bij zich. Veel krijgers.
Breng onze mensen naar deze kant.
Ik steek wel over. - Zoals u wenst.
Ik blijf bij jou. - Nee, blijf bij de anderen.
Ik moet alleen zijn. Ik wil weten wat God van me verlangt.
M'n hart zegt dat ik me moet verzoenen met m'n broer.
M'n hoofd zegt me dat er gevaar dreigt en dat hij me misschien doodt.
En jou, en onze kinderen en al onze mensen.
Blijf hier.
Je vader Isaak is dood.
Neem deze staf. Hij hoort jou toe.
Hoe kun je het me vergeven, Ezau ?
Ik was bij moeder toen ze stierf.
Ik zag haar verdriet.
En de prijs die ze heeft betaald.
Het was genoeg.
Neem hem.
Hoe zit hij, Jozef ?
Het is een prachtige jas, vader.
van al z'n kinderen hield Jakob het meest van Jozef
Moet je zien wat een mooie jas.
Is hij niet prachtig ? Wat een kleuren, h�.
En moet je dat garen eens voelen.
Benjamin, wat vind jij ervan ? Nou ?
Ben je niet trots op je broer en z'n mooie jas ?
Hij zit als gegoten.
Kijk eens wat een fijne stof en dan die kleuren.
Vader...
waarom trekt u Jozef voor op ons ? - Doe ik dat dan ?
Misschien heb je gelijk, Juda. Hij heeft talenten die ik zeer hoog acht.
Maar misschien is Benjamin wel m'n lieveling. Hij is m'n jongste.
Z'n moeder is dood, maar 't is alsof ze in hem voortleeft.
Ik hou niet minder van jou en je broers dan van Jozef en Benjamin.
Je kraamt grote onzin uit, Juda.
Ik had vannacht weer een droom, vader.
Moeten we het horen ?
Vertel, Jozef.
Ik zag de zon, de maan en elf sterren en ze bogen allemaal voor me.
De uitleg is als volgt... - Deze droom staat me niet aan.
Dat je familie voor je zou moeten buigen ? Dat is ongepast.
Je verspilt je krachten, Ruben. Die put staat droog.
We moeten naar de poel in Sichem.
Doe niet zo dwaas. - De kudde heeft water nodig.
'De kudde heeft water nodig.'
Sichem is een halve dag lopen. Dat weet een ezel zelfs.
Simeon.
Genoeg. - Laat die dwaas maar komen.
Genoeg, Juda.
Kijk daar.
Onze geliefde broer.
Vrede zij met jullie, broers.
Vrede zij met je, Jozef.
Vader heeft me gestuurd om te zien of alles goed gaat.
Zoals je kunt zien, heerst er een droogte.
Hoezo, droogte ? Bij Sichem is er water.
Ja, Ruben. Kennelijk heb je het mis. Er is geen droogte.
De put staat droog.
Kijk, hij is nat.
Hij staat niet droog, er is enkel wat zand ingewaaid.
Dat jullie dat niet zien. Graaf de put uit en je vindt zat water.
Jij mag voor ons graven.
Pak hem. - Hou daarmee op. Laat hem gaan.
Gooi hem erin. Kom op.
In de put met hem. - Dat zal 'm leren.
Doorlopen.
Slavenhandelaren.
Jozef.
Waar is hij ?
Wat hebben jullie met 'm gedaan ? Jij daar.
Je hebt hem vermoord. - Wat valt daar nou aan te verdienen ?
Er kwam een slavenhandelaar langs op weg naar Egypte.
Wat vertel je vader dan ?
Een beest heeft onze broer gedood en hem verslonden.
Het enige dat we van hem vonden, was dit.
Zou je je broers verraden, Ruben ? Omwille van dat verwende jong ?
Is het echt waar ?
Is het echt waar ?
Het is waar, vader.
Kom op, doorlopen.
Vooruit, doorlopen.
Egypte.
Doorlopen, jij hond.
Een heuse zeldzaamheid, heer Potifar.
Een Hebree�r van de herdersstammen uit het noorden.
Scherp van geest en gespierd zoals al zijn mensen.
Het zal een uitstekende slaaf zijn zodra u z'n trots heeft gebroken.
Dat is inderdaad zeldzaam.
En zeker omdat zijn volk weigert hun eigen mensen als slaaf te verkopen.
Er is daar vrede dus hij kan geen krijgsgevangene zijn.
Hoe ben je aan hem gekomen ? - Ik heb hem van z'n broers gekocht.
Kun je dat bewijzen ? ik vind het erg vreemd.
Ik koop niets als er ook maar enige twijfel is.
Dit is de verkoopakte met de tekenen van z'n broers.
Hoe weet ik dat zeker ?
Het is waar, heer.
M'n broers hebben me verkocht.
Dat zijn hun tekenen.
De slaaf spreekt.
Zat er iets van je gading bij ? - Iets ongebruikelijks: Een Hebree�r.
Hij is mager. Hopelijk is het geen miskoop.
Eerlijk. - Alleen een dwaas houdt ze, heer.
Denk je dat het een proef was ?
Je bent dus geen dwaas. - Maar eerlijk ?
Eerlijkheid staat in je ogen geschreven.
Deze wijn smaakt naar kamelenstront.
De wijn wordt buiten bewaard, zag ik. - Is dat zo ?
Hij staat vol in de middagzon. Misschien verklaart dat de wrangheid.
Ik ben hoofd van de wacht van de farao zelf.
Hij vergt veel van me en dus hou ik weinig tijd over voor m'n huishouding...
en om me in de administratie te verdiepen.
Wat deed je voor je verkocht werd ?
Zoals iedereen in mijn stam hoedde ik de kudde.
Maar het liefst leerde ik.
Je leert graag ? Mooi. Dat is heel mooi.
Gan maar wat eten in de keuken.
Waarom hebben je eigen broers je verkocht ?
Ze waren jaloers op me.
Ik was onrechtvaardig tegen ze. Het is deels mijn eigen fout.
Ga nu.
Het was een koopje. Hij kan lezen, schrijven, rekenen en hij is eerlijk.
Een koopje ? Werkelijk ?
Ze zullen amper iets opleveren.
De schapen geven weinig wol en zelfs de honden moeten hun vlees niet.
Wat de geiten betreft: hun huiden zijn onbruikbaar en ze geven geen melk.
En toch hebben ze prima weidegrond. - Dan zijn ze verkeerd gefokt.
Sterke rammen zouden de kwaliteit ten goede komen en dus uw winst.
Hiervoor verdiende heer Potifar niets aan z'n kudde.
Wat is je geheim ? ik ken mensen die er goed geld voor over hebben.
Daar ik slaaf ben, is het niet mijn geheim om te verkopen.
Luister naar me, mijn gehele huishouding.
Vanaf vandaag heeft Jozef de leiding over jullie.
Jullie gehoorzamen hem in alle zaken zoals jullie mij gehoorzamen.
Alles dat ik bezit, geef ik aan hem.
Om dat te beheren zoals hij goeddunkt.
Hij legt aan niemand anders verantwoording af dan aan mij.
Is dat duidelijk ?
M'n man is in het paleis. De dienaren zullen zwijgen.
Wacht even en kom dan naar me toe.
Dat kan ik niet doen, vrouwe.
Je bent heel knap, Jozef. Buitengewoon knap.
Dat hoor je vast niet voor het eerst.
Misschien niet.
Verlang jij nooit naar een vrouw ?
Natuurlijk wel.
Ik smeek het u. Stop hiermee.
Dacht je dat je mij nu kon trotseren ?
Je bent een slaaf. Met ��n woord kan ik je vernietigen.
Doe dat dan maar. Liever dat dan m'n God en m'n vader te verraden.
Jozef, vergeef het me. Ik sprak uit woede.
Vertel eens over je vader. Jakob heet hij, nietwaar ?
Hij is nu oud.
Maar nog steeds sterk.
En scherpzinnig en levenslustig.
Hij weet meer van God dan wie dan ook.
En van jongs af aan gaf hij dat aan me door.
Daar is hij goed in geslaagd.
Het moet heel zwaar zijn om bij hem weg te zijn.
Dat is het inderdaad.
Ik hou van hem met heel m'n hart.
Wanhoop niet, Jozef.
Wanhoop nooit.
Wacht even en kom dan naar me toe.
Het is een leugen. - Hoe kan dat zijn ?
Is dit dan niet zijn gewaad ? Dat jij hem gaf ?
Hoe kan ik het dan hebben als ik zou liegen ?
Hij wilde me verkrachten en toen ik me verzette, vluchtte hij. Kijk dan.
Opstaan. In de benen.
Doorlopen.
Doorlopen daar.
Breng hem naar de kerker.
Wen er maar aan. Na een tijdje zul je ze niet meer voelen.
Je raadt nooit wat ik ooit was. - Daar gaat hij weer.
Hofmeester van de farao, de koning der koningen.
Maar ik had vijanden die me benijdden.
Die doodmoe van je gezanik waren, bedoel je.
Ze fluisterden over me tegen de farao. Giftige leugens.
Maar hij geloofde ze. Ik ben onschuldig.
Dat zijn we hier allemaal, toch ?
Waar is je God nu, Jozef ?
Misschien kun jij deze droom voor me duiden.
Ik droomde van een wijnstok met drie ranken.
Ze liepen uit, ze raakten in bloei en er rijpten grote trossen druiven aan.
Ik hield de beker van de farao vast en ik liet hem vollopen met druivensap.
Stilte.
Jij, meekomen.
Lopen.
Daar gaat je droomduiding, hofmeestertje.
Dit is mijn eigen vee. Jij gaat voor ze zorgen.
Daarvoor word je beloond met een eigen kamer en goed eten.
Maar u kunt nog meer geld verdienen.
U zou de gevangenen aan het werk kunnen zetten.
Maar ?
Door honger en ziekte kunnen ze niet werken en verdient u niets aan ze.
Met goed voedsel en een schone slaapplaats zou dat veranderen.
Durf je bij mij te marchanderen ? Weg met hem.
De farao zal ontdekken dat je onschuldig bent en je bevrijden.
Dit zal over drie dagen gebeuren.
Dat is de duiding van je droom. - Dankjewel, Jozef.
Goed, maar ik wil snel winst zien.
Dit is van jou. Je mag het dragen.
Als ik hem mag wassen, draag ik liever dit.
Waarom ?
Opdat de Heer m'n ijdelheid niet opnieuw zal bestraffen.
Precies drie dagen.
Waar komt die kracht van jou vandaan ?
Ik wens je het beste, mijn vriend.
Vergeet me niet.
Waar betaal ik je voor ?
Om m'n dromen te verklaren.
Zodat ze me niet meer kwellen of wakker houden.
Maar over deze droom zwijg je. Waarom ?
Stilte.
Majesteit.
Ik heb een man ontmoet die wel dromen kon duiden.
Je mag nu naar de majesteit toe.
Dat volstaat.
Je zou dromen kunnen duiden. - Soms, majesteit.
Als God het wil.
Dit is mijn droom.
Ik zag zeven weldoorvoede koeien bij de Nijl drinken.
Het waren prachtige beesten.
Toen zag ik zeven magere koeien die zeer lelijk waren.
Hun botten staken door hun huid heen en ze hadden een kwade oogopslag.
En toen vielen de magere koeien de dikke koeien aan.
Ze verscheurden ze met hun rottende tanden.
Hun botten werden tot stof vermalen en opgegeten.
En met hun tongen likten ze het bloed op.
Nou ?
Dit is de duiding.
De zeven dikke koeien zijn zeven rijke oogstjaren.
De magere koeien zijn de zeven jaren van droogte en honger erna.
Net als de koeien zullen de voorraden opgegeten worden.
En dan zal Egypte verhongeren.
Uwe majesteit kan de hongersnood voorkomen.
Hoe dan ?
Sla in de jaren van overvloed een vijfde van de oogst op.
Dat is onmogelijk.
Dan moeten er duizenden pakhuizen komen, met bewaking.
Ik ken mijn volk. Ze zouden de boel oplichten.
Het is mogelijk. Met genoeg wijsheid, inzicht en toewijding...
en uw volmacht.
Mijn volmacht ?
Jij bent bij machte om dromen te duiden.
Met welke kunsten doe je dat ?
Geen enkele, majesteit. Deze kracht komt van mijn God.
Ik bezit zelf geen krachten.
U heeft gelijk. Het is onmogelijk. - Is dat werkelijk zo ?
Als uw eerste minister weet ik dat het onmogelijk is.
Potifar.
Vertel me wat je weet van deze Jozef.
Deze man geef ik alle macht over Egypte onder mij.
Als teken daarvan doe ik hem deze ring om.
Hij zal de naam Zafenathpanea dragen.
Hij is jullie heer. Buig voor hem.
en na de zeven jaren van overvloed, kwamen de zeven magere jaren
We zijn voorbij Sichem geweest.
Er is niets. Alle putten staan droog.
Zelfs de rivier.
Jullie moeten naar Egypte. Jullie allemaal.
Daar is eten te koop. - Maar niet goedkoop.
We hebben zat goud. - En opeten kun je het niet.
Je bent rap van tong, Benjamin. - Te rap voor je leeftijd.
Wacht maar tot je me hoort onderhandelen in Egypte.
Jij gaat niet mee. - Jullie allemaal, zei m'n vader.
Je bent te jong, Benjamin.
Ik ben dan jonger, maar wel twee keer zo slim.
Jij blijft hier.
U pikt te veel van hem, vader.
Heer, verkoop mij voedsel opdat mijn volk niet verhongert.
Kan hij het betalen ? - Jawel, heer.
Dan mag je kopen wat je nodig hebt. - Mijn heer is groot en genadig.
Waar komen jullie vandaan ?
Het land Kana�n in het noorden, heer Zafenathpanea.
Jullie zien eruit als spionnen.
Ja, spionnen die komen zien of er sprake is van overvloed of honger.
Of Egypte sterk of zwak staat.
Nee, heer. We zijn eerlijke mensen. De zonen van Jakob.
Er is droogte bij ons en we komen eten kopen. Ons volk verhongert.
We hebben goud bij ons.
Jullie herders lijden nooit honger. Jullie moeten wel spionnen zijn.
Nee, heer. Ik zweer het u, we zijn eerlijke mensen.
Leeft jullie vader Jakob nog ?
Hij leeft nog, heer.
Hoeveel zonen heeft hij ? - Elf, heer.
Elf ?
Ik tel er maar tien. - Benjamin is nog maar een jongen.
Hij is te jong voor zo'n reis.
Ik verkoop jullie een beetje eten zodat jullie snel terugkeren naar Egypte.
Als jullie dan je eerlijkheid komen bewijzen, nemen jullie de jongen mee.
Jij.
Hoe heet je ?
Simeon, heer.
Neem hem mee.
Ik hou hem hier als borg. Als jullie de jongen niet meenemen, sterft hij.
Wat ga je doen ?
We hebben geen eten meer. We moeten wat brood maken.
We hebben nog ver te gaan en we moeten op kracht blijven.
Het geld dat we betaald hebben.
Er moet een fout gemaakt zijn.
Dit was geen fout. Dit was opzet zodat hij jullie voor dieven kan uitmaken.
Het is een val.
Ik stuur Benjamin niet mee. Zwijg.
Simeon zal sterven als u me niet mee laat gaan.
En als ik je meestuur en die Egyptenaar doet je kwaad...
zal ik van verdriet sterven.
Ze haten me omdat u mij boven hen stelt.
En nu laat u ze me nog meer haten ?
U moet me meesturen.
U moet wel.
Mijn heer.
Het feestmaal is bereid zoals u beval. Ze zijn aan het eten.
Maar met weinig eetlust. Op de jongen na.
Is dit de jongen ?
Dit is Benjamin, heer.
Ja, hij lijkt op zijn broers.
Het is geen bedrog.
Er is de vorige keer een fout gemaakt.
Ja, ik weet ervan. Het was inderdaad een fout.
Dat is mijn eigen beker, Benjamin.
Hij is zeer fraai, heer. Zo'n mooie heb ik nog nooit gezien.
Een cadeau van de farao zelf.
Jullie hebben je eerlijkheid bewezen. Eet en ga in vrede.
Ruben, neem wat wijn.
Nu lust ik wel wat. - Tast toe.
Broers. - Simeon.
Wat is dit nu ?
Jullie belonen de goedheid van mijn heer dus met verraad ?
En beantwoorden goed met kwaad ?
Heer, ik zweer op de God van mijn vader dat we onschuldig zijn.
Jij misschien, en je broers.
Maar de jongen ? Hoe kan hij onschuldig zijn ?
Ik zweer het u. - Wie heeft dit dan weggestopt ?
Hebben mijn dienaren het gedaan ? Of ik ?
Wie dan wel ?
Het is een duidelijke zaak. Jullie mogen met de gekochte waar terug naar huis.
De jongen blijft hier als mijn slaaf.
Heer, ik smeek u hem te laten gaan. Neem mij in zijn plaats.
Zijn verlies wordt m'n vaders dood.
We zijn al een jongen, Jozef, kwijtgeraakt.
Hoe is dat gebeurd ?
Hij is in de woestijn verslonden door wilde beesten.
M'n vaders verdriet was afschuwelijk.
Neem hem Benjamin af en u doodt hem.
Hij is een zeer goed man en wijs en zachtmoedig in z'n handelen.
Laat ons alleen.
Je liegt.
Je broer Jozef is niet gedood.
Jij en je broers hebben hem als slaaf verkocht.
Dit hier is de verkoopakte.
Bewijs, zwart op wit, van jullie verraad.
Hoe kom ik hieraan, denken jullie ?
Kunnen jullie het niet raden ?
Ruben ?
Simeon ?
Ik ben Jozef.
Ik ben jullie broer.
Mijn moeder heet Rachel.
Mijn vader Jakob streed met God Zelf bij Jabbok.
Ja, Ruben, hoe kan ik dit weten als ik Jozef niet zou zijn ?
Nee, wees niet bang. Ik heb geen kwaad tegen jullie in de zin.
Benjamin is onschuldig. Mijn dienaren hadden het gedaan.
Jullie hebben niets te vrezen.
Kijk maar. Ik vergeef het jullie. Jullie allemaal.
Hoe kun je ons vergeven ? - God heeft het zo bedoeld.
Ik ben hier om m'n vaders volk van de honger te redden.
Simeon.
Ruben, alles is in orde.
Juda ?
Ga naar mijn vader en zeg hem dat z'n zoon Jozef leeft.
Zeg hem dat hij z'n volk naar Egypte mag brengen opdat het zal leven.
Vader ?
Jozef ?
Mijn... mijn zoon ?
Mijn zoon.
Mijn geliefde zoon.
Jullie blijven allen in Egypte en komen bij mij wonen.
Ik geef aan jou de staf van Abraham.
Vader. Broeders.
en Jozef en zijn generatie stierven
Die Hebree�rs zijn bijna talrijker dan uw eigen volk.
Ze lopen ons nog onder de voet. U moet strenger optreden.
Hoe dan ? ik laat ze lijden en ze verdragen het.
Ik pak hun goud af, ik honger ze uit. Wat kan ik nog meer doen ?
Dood in elk gezin de pasgeboren zoon.
Met minder kunt u niet volstaan, majesteit.
Het zij zo.
Laat los, vrouw.
Ik heet Amram. Dit is m'n vrouw Jochebed.
M'n zoon A�ron en m'n dochter Mirjam.
En uw andere zoon ?
God heeft ons niet met nog een zoon gezegend.
Het gerucht gaat dat uw vrouw zwanger was en dat is ze nu niet meer.
Daarom is er een kind geboren. Een jongetje.
Een vals gerucht dus. - Er is geen gerucht.
Ik heb geen andere kinderen.
Ze zullen terugkomen.
Het heeft geen zin. Iemand zal te veel zeggen en dan vinden ze 'm.
Een baby.
Wat doet een baby hier ? - Breng hem aan land.
Het is een Hebree�r.
We moeten hem gelijk aan uw vaders soldaten geven, vrouwe.
Wat ben je mooi, zeg.
Kijk, hij stopt gelijk met huilen. Ik hou hem.
U trotseert de farao ? - Wie beter dan de farao's dochter ?
En hoe voedt u hem dan ? - Ik neem een min.
Vrouwe ? - Wie ben jij ?
Hoe durf je hier te komen ? Dat is verboden.
Ik weet iemand die hem kan zogen. Een Hebree�r.
Weet je zeker dat ze wel wil ? - Ik weet het zeker.
Goed, ik zal haar betalen en beschermen.
Mijn vrouwe is zeer goed.
Er is een voorwaarde. Als hij groter is, breng je hem naar mij.
Dan zal hij bij me wonen en mijn zoon zijn.
Zal de min nog steeds bereid zijn ?
Vast wel, vrouwe. - Dan is het zo afgesproken.
Hij zal Mozes heten omdat ik hem uit het water tilde.
Hij had beter kunnen sterven. - Vader.
En jij, Mirjam, weglopen zonder iets te zeggen ? We waren heel bezorgd.
Ik ken je hart, Jochebed. Het is een teder en liefdevol hart.
En als het moment komt om het kind af te staan...
zal het breken alsof hij zou zijn gestorven.
Je bent een goed mens, Amram.
Je bidt en je houdt van God, maar je kent Hem niet.
Ik zie Zijn hand hierin.
Dit zal je enkel pijn en verdriet doen.
Vrouwe, het jongetje Mozes.
Wat is het een knappe jongen.
Je weet dat je bij me komt wonen ? Jij zult de zoon zijn die ik zelf niet heb.
Ik zal van je houden als je eigen moeder. Dat beloof ik.
Mozes, je moeder heeft je ontbonden. - Ja, majesteit.
Dan zie ik je straks weer.
Ik reis u achterna, majesteit. - Mooi.
Een volmaakte gelijkenis. Zeer indrukwekkend, majesteit.
Maar zal regen en wind het niet aantasten ?
Alleen het hardste en duurzaamste steen is gebruikt, majesteit.
Zal het duizend jaar mee gaan ? - Wel tienduizend, majesteit.
Hoe kan ik zwijgen terwijl ik zie hoe de farao deze mensen uitbuit ?
Dit is mijn volk.
Alles wat ik bezit, heb ik aan u te danken, moeder.
Maar ik ben als Hebree�r geboren.
En ik heb een broer en zus die Hebree�r zijn.
Opstaan. Schiet op.
Hij is dood.
Wat is daar gaande ?
Hij is dood, majesteit. - Door wiens hand ?
Mozes, heb jij dat gedaan ?
Ik wou hem alleen een lesje leren.
Dat een Egyptenaar minder waard is dan een Hebree�r ?
Dit mag niet onbestraft blijven.
Mozes staat in hoog aanzien, maar hij staat niet boven de wet.
Hij is een moordenaar.
Denk aan de wet, majesteit.
Arresteer hem.
Arresteer hem.
Hou hem tegen.
Haal die aftandse beesten van je hier weg. Nu direct.
Of ze zijn van ons. Als prijs voor hun drinkwater.
Mijn vader heeft uw heer betaald voor het water.
Hij heeft een bepaald bedrag betaald. Maar niet genoeg.
Dat was 't afgesproken bedrag. Als uw heer meer wil, is dat tussen hen.
Ga nu maar snel weg, meisje.
Of we nemen meer dan alleen je beesten.
Mijn vriend hier houdt ook erg van een ander soort vlees.
En hij is mij te sterk.
Hoe sterk is hij ?
Zo sterk ?
Zeg je vader Jethro dat mijn heer een betere prijs voor het water eist.
Mijn zusters en ik zijn u veel verschuldigd.
Hoe heet je ?
Zippora.
Heeft u lang gereisd, heer ?
Heel lang.
Is uw bestemming ver van hier ?
Ik had geen bestemming.
Tot nu.
Er was een tijd dat zo'n landheertje voor me zou hebben gekropen.
Ik was hogepriester hier in Midian. Ik besliste over leven en dood.
Het was een list, toch ? U gebruikte een truc en geen kracht, nietwaar ?
Het is allemaal een list.
Maar ik ben u zeer dankbaar. Mijn dochters zijn me zeer dierbaar.
Ze zijn heel mijn fortuin.
En het enige dat ik nog aan rijkdom begeer.
Het is waar. Mijn vader was een rijk man.
Ik herriner me ons mooie huis nog. En zijn tempel.
En de afgoden en de offers van edelsteen en goud die men bracht.
Waarom gaf hij dat alles op ?
Toen mijn moeder stierf, zag hij in dat de afgoden vals waren...
en dat die goden geen macht hebben. - Hij heeft gelijk.
De afgoden zijn inderdaad vals.
Maar er is een God, Zippora.
Ik vraag het me af.
Er is orde in de hemelen. Waar komt die vandaan ?
Die moet van God komen.
Wat kan een mens weten van een God die dit alles kan maken ?
Niets.
Een wijs man zal tevreden moeten zijn, wil hij gelukkig zijn.
Met de liefde van een vrouw.
Het geluk van een gezin en de vrijheid om te gaan waar hij wil.
Mozes.
Hier ben ik.
Ik ben de God van je vader. De God van Abraham, Isaak en Jakob.
Ik heb de ellende van mijn volk gezien en hun klachten gehoord.
Ik zal hen uit Egypte voeren naar een land van melk en honing.
Ik zend jou naar de farao om mijn volk uit zijn koninkrijk te voeren.
Wie ben ik dat ik dat zou kunnen ?
Ik zal met je zijn.
Als ik naar de mensen ga en hen zeg: Jullie God heeft mij gestuurd...
en ze me vragen wat Zijn naam is, hoe moet ik dan antwoorden ?
Ik ben die ik ben.
En als ze me niet geloven en zeggen dat het niet God was die tot me sprak ?
De staf die je in je hand houdt, werp hem op de grond.
Pak hem nu bij de staart op.
Door deze tekens zullen ze je geloven.
Ik ben geen man van het woord. Ik ben niet welbespraakt.
Ik zal met je zijn.
Ik zal met je mond zijn en je welbespraakt maken.
Heer, ik smeek U...
stuur een ander.
Ik zal A�ron, je broer, naar je sturen.
Hij zal voor je spreken.
Er is geen gevaar, vader. De oude farao is dood.
En z'n dochter die mij uit de Nijl redde en die ik moeder noemde...
ook zij is dood.
Ik moet gaan.
Ga dan maar.
Mozes.
A�ron. Mijn broer.
Abrahams staf.
Jullie vragen me jullie volk te laten gaan. Dat zou jullie God opdragen.
Hij zou zeer machtig zijn. Bewijs het maar.
Geef me een teken van Zijn macht.
Pak de staf en werp hem op de grond.
Het was een truc, majesteit. Vingervlugheid.
Het diertje is licht verdoofd.
Let goed op, majesteit.
De tovenaar maakt een beweging met z'n linkerhand...
Het is een truc, majesteit.
Jullie zijn charlatans.
Jullie God heeft geen macht. Ik weiger jullie verzoek.
Hiervoor zal uw volk een afschuwelijke prijs betalen.
Een plaag zal op Egypte neerdalen en alle akkers verwoesten.
Aanschouw... een wonder van God.
U zult Gods toorn leren kennen.
Nog meer toverij, Mozes ?
Pak deze staf en sla ermee op het water van de Nijl.
Ziet u, majesteit ? Geen bloed...
maar fijn rood zand.
Als u mijn volk niet laat gaan opdat ze God kunnen aanbidden...
zal mijn God een zwerm steekvliegen over u en uw volk uitstorten.
Wat heb je hierop te zeggen ?
Eerst wordt de Nijl rood, dan volgt er een kikkerplaag.
Dat is een logisch gevolg. - En dan muggen en dan vliegen ?
Onze goden zijn machtiger.
U heeft zich nog steeds tegen mijn volk gekeerd en wilt ze niet laten gaan.
Het is een verduistering, majesteit. De maan bedekt de zon.
Over een uur is het voorbij.
Wat is uw antwoord, majesteit ?
Ik laat je volk niet gaan. Ik laat je volk nooit en te nimmer gaan.
Luister dan naar Gods woorden.
Elke eerstgeborene in Egypte zal sterven.
Van het vee tot de slavin aan het weefgetouw...
zelfs de eerstgeborene van de farao op zijn troon.
Dan zal er een luid gejammer opklinken zoals nog nooit gehoord is...
of ooit nog gehoord zal worden.
Bij zonsondergang nemen jullie een bosje hysop...
dopen dat in lamsbloed en bestrijken er de deurposten en de bovendorpel mee.
God zal aan jullie huizen voorbij gaan en jullie geen kwaad doen.
O grote farao, uw zoon is dood.
Laat ze vrij.
Ik wil ze niet meer zien.
Laat ze vrij.
U moet ze achterna en allemaal vernietigen.
Dat kan ik niet doen. - Jawel, ze lopen namelijk naar de zee.
Naar zee ? - Ja.
De dwazen zien niet dat ze in de val lopen.
Hoe kan ik standhouden tegen hun God ?
Hoe kunnen zij standhouden tegen uw legerscharen ?
Het onschuldige bloed van uw zoon schreeuwt om wraak.
Vernietig ze allemaal.
Majesteit.
Hoeveel zijn het er, Jozua ?
Veel. We moeten terug. In de woestijn kunnen we terugvechten.
Het is onze enige kans. We staan hier met onze rug naar de zee.
De goden van Egypte zijn ook machtig. Zeer machtig.
Hun wraak zal verschrikkelijk zijn. Ze zullen ons vernietigen.
De farao zal ons genadig zijn. Hij zal ons sparen.
En dan gaan we terug naar onze dorpen.
Volg mij.
Luister niet naar hem. Vertrouw op God.
Blijf bij mij, A�ron. God heeft ons samen deze taak gegeven.
Vertrouw op God. God zal ons uit dit land voeren.
Hun God brengt nog meer onheil.
Onze goden zullen ons beschermen.
Naar voren.
Iedereen, naar voren.
Moeder.
Wat is er, Jochebed ? We moeten door.
U hoeft nergens bang voor te zijn. Dit is Gods werk.
Schiet op.
Moeder.
Kom terug.
U moet het bevel geven om de achtervolging in te zetten.
Wraak. We moeten wraak nemen.
Geef het bevel.
Ja, vernietig ze allemaal.
Schiet op.
Moeder.
U geloofde toen er geen hoop was en anderen zich afkeerden.
Toen er enkel wanhoop was, bleef u het geloof trouw.
Is hij in orde ? Goed, snel daarheen.
Vooruit, iedereen doorlopen.
Mozes, de Egyptenaren komen eraan.
Ik heb van de wonderen in Egypte gehoord.
Hier in Midian ? - De hele wereld weet er vast van.
Allemaal zinsbegoocheling. Het moet wel.
Ik vraag het me af. - Werkelijk ?
De wetten die wij voor onszelf maken, zijn teer en raken al snel in onbruik.
Maar de wetten die van God komen... - Van God, Jethro ?
Ja, zulke wetten van God...
zouden eeuwig standhouden.
Ik ga naar boven.
Onthou dat niemand de berg mag beklimmen. Niemand.
Wees maar niet bang.
Ik ben bang dat ik zonder jou aan m'n zijde zal falen.
Goed, ik zal met A�ron praten.
Wat is er ? - Waarom komt Mozes niet terug ?
Hij zal terugkomen.
Zijn God heeft hem verlaten en hij heeft ons verlaten.
En nu zullen de goden van Egypte zich wreken.
Jullie dwazen.
God heeft de zee voor jullie gespleten om jullie te redden.
Hij heeft water uit een rots tevoorschijn doen komen.
Hij heeft manna uit de hemel laten komen om jullie te voeden.
Hoeveel bewijs hebben jullie nodig ?
Waar is Mozes ?
Waar is hij ?
Je hebt geen antwoord.
Ze kunnen niet antwoorden.
We moeten een afgodsbeeld maken of we zullen worden vernietigd.
Wacht. - Luister naar me.
Wacht.
Hoe kom je aan goud voor 't beeld ? - Van de mensen.
Als jullie genoeg goud hebben, kom dan terug.
Dit is verkeerd.
De mensen zullen hun goud nooit opgeven. En zo win ik tijd.
Je moet hier een eind aan maken.
Je moet dit tegenhouden.
Dit is Gods wet.
De God die jullie hebben ontwijd.
O Heer, mijn God, dit is een koppig volk.
Maar uit het diepst van mijn ziel smeek ik U onze zondes te vergeven.
En maak ons tot Uw erfdeel.
Ik smeek U: gun hen dit als ik genade heb gevonden in Uw ogen.
En zo niet: wis dan mij en niet hen uit het boek dat U heeft geschreven.
Dit zijn Gods geboden.
Je zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
Je zult geen afgodsbeelden voor jezelf maken.
Of voor hen buigen en hen aanbidden.
Je zult de naam van de Here God niet ijdel gebruiken.
Neem de sabbatdag in acht en heilig deze.
Je zult zes dagen werken, maar de zevende dag is voor de Heer.
Eer je vader en moeder.
Opdat je lang en voorspoedig zult leven in het land dat ik je zal geven.
Je zult niet moorden. Noch zul je overspel plegen.
Noch zul je stelen.
Noch zul je valse getuigenis tegen je naaste uitspreken.
Je zult de vrouw van je naaste niet begeren.
Noch zijn huis, noch zijn dienaren, noch zijn kuddes.
Je zult niets begeren dat van je naaste is.
Waarom hebben we hier veertig jaar rondgezworven ?
Omdat de mensen tegen God in opstand kwamen.
Ja, de mensen hebben gezondigd.
Ik heb ook gezondigd.
Toen de Heer in Midian tot me sprak vanuit de brandende braamstruik.
Ik heb toen aan Hem getwijfeld. - En daar straft Hij u nu voor ?
Ja, en het is rechtvaardig.
Ik aanvaard die straf.
Ik kan niet met jullie mee. - Wie zal ons dan leiden ?
Ik ben niet waardig.
God wil het zo, Jozua.
Nederlandse ondertiteling bewerkt door : Black Phantom
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.