Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Polish
Portuguese (Brazil)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Het is oorlog, moet u weten. - Ja, mijn eigen neef is aan het front.
Ik wil enkel weten of dit een hotel of een hospitaal is. Of een concertzaal?
Hou op, m'n man staat te kijken.
Of iets heel anders. - Het is nog steeds een hotel.
Ik wil een borrel, Merriweather. Brandy.
Ik kom al elf jaar in het Bentinck.
Dit is een moeilijke tijd, maar er zijn grenzen.
Zo heb ik vandaag m'n ontbijt niet gehad. - Sorry dat het niet zo loopt als normaal.
Het hotel ontvangt herstellende officieren. De meeste gasten helpen zichzelf.
Alle hens aan dek, snapt u? - Wat?
Een of andere zatlap jat in de keuken... - Let op je woorden.
Dat los ik wel op. Kom maar mee, liefje.
Ik kan echt niet blijven, het spijt me.
Op mijn leeftijd wil ik niet meer aan dek. Morgenochtend vertrek ik.
Wie was dat? - Miss Dean.
Nee, die meid net. - Dat was Pearl.
Kunnen we niks beters krijgen? - Nee, er is niet veel keus.
Sorry kolonel, u zit in mijn stoel. Fred kan daar niet goed tegen.
Het is toch geen hondenhotel?
Er is geen plek meer, majoor. Mrs Trotter zou u vanmorgen inlichten.
Ze hebben een briefje. - Zeg dat ze niemand meer sturen.
De administratie is een puinhoop. - Ik ken dit hotel.
Hier komen de bobo's. - Daarom zitten wij zeker hier?
Het einde lijkt in zicht. - Goddank. Het heeft lang zat geduurd.
Geduld. - Ja, dag. Ik heb het druk.
Dit was niet mijn idee. Het zou maar twee dagen duren.
Heus? Een andere schilder misschien...
...of je gewone dagelijkse gezicht. Maar ik wil iets anders.
Verander je het daarom zo vaak? Hoop je op een mazzeltje?
Mazzel doet er niet toe. Het is wel genoeg voor vandaag.
Ik vind de mond nog steeds te groot. - Klopt. Dat heb ik met opzet gedaan.
Bedankt, zeg. - De handen waren het lastigst.
Handen gewend aan keukenwerk, maar toch elegant.
Kunstenaarshanden.
Ik kan hier niet de hele dag blijven staan.
Kom je straks een afzakkertje halen? - Ja, misschien wel.
Ik zal het poseren nog missen. Het geeft me wat afleiding.
Ik voel me vaak zo stuurloos.
Helaas heb je me nu niet meer nodig. Je dappere krijger komt naar huis.
Kan ik hem ontmoeten? Ik ben hem dankbaar.
Als hij het niet had overleefd, zat ik nu met een droef gezicht.
Dat zou jammer geweest zijn. Hoe is het met hem?
Wel goed, denk ik. Die onderscheiding heeft hem zeker opgefleurd.
Ik zou al die mannen graag schilderen. Om te zien wat ze gemeen hebben.
Vind je de mond echt te groot? Daar kijken we morgen wel even naar.
Dat doe je met opzet. Morgen kom ik terug voor m'n mond...
...maar dat is echt de laatste keer. Ik meen het.
Wat jij wilt. Ik zal je uitlaten. - Doe geen moeite. De groeten.
Is dit het verpleeghuis voor gewonde officieren?
Ouwe reus. Wacht eens even. - Welkom terug, milord.
Dank je, Starr. Hemeltje, wie is dit?
Fred Twee, milord. - Fred? Maar het is een meisje.
Van Fredericka. Gefeliciteerd met uw onderscheiding.
Dank je. Is Mrs Trotter er ook? - Die poseert voor haar portret.
Dat is waar ook. Collinghurst wilde haar per se schilderen.
Ga zitten. We hadden je maandag pas verwacht.
Ik had genoeg van dat hospitaal. - Maar nu is je zitkamer bezet.
Ik gooi ze er wel uit. - Nee toch. Is m'n slaapkamer vrij?
Meer heb ik niet nodig. - Champagne.
Sorry, Tommy. Dat mag ik niet hebben.
Dat is nou jammer. Vreselijk, zo'n hoofdwond.
Hoe voel je je? - Best aardig, eigenlijk.
Granaat, toch? - Ja, een scherf. Daarzo.
In april in Frankrijk geopereerd. Daar zijn ze me vergeten.
Ik ben sinds een paar weken terug. Alles werkt nog. Ik heb geluk gehad.
Hoe is het jou vergaan?
Nogal lullig. Of niet, majoor? - Zeg het zelf maar.
Uiteindelijk ben ik toch opgeroepen. Pure wanhoop.
De eerste dag aan het front. Ik deed het in m'n broek.
En toen werd ik door één van ons in m'n kont geschoten.
Heel pijnlijk met zitten. - Sorry, wat een domme pech.
Ik heb mezelf toch nuttig gemaakt. Voor vermaak gezorgd en zo.
Je bent net op tijd. Vanavond is er een verrassing voor...
Wat doe jij hier? - Stuur je me terug?
Je bent toch niet gevlucht? - Nee, alles is in orde.
Starr, breng ons een pot thee. - Jazeker, mevrouw.
Excuseer me, heren.
U laat ons toch niet in de steek, majoor? - Omdat u zo aandringt.
Je bent weer thuis.
Hou toch op met dat gejank. Ik hoor mezelf niet eens drinken.
Hier, daar word je wel stil van.
Wie betaalt dat? - Weet ik veel. Ik ben platzak.
Zin in een potje? - Ja. Jij ook, kom op.
Hoe zijn we hier terecht gekomen? - Via de majoor. Geniet er maar van.
Doe of je thuis bent. - Thuis? Niet echt.
Kalm aan, Brian. Ik word nerveus van je.
Lekker, thee. - Voor ons?
Sorry, dit is voor Lord Haslemere. - Wie?
Dit is Lord Haslemeres kamer. Hij zal zo wel komen.
En jullie? - De majoor...
Helaas zullen jullie weg moeten. - Eruit gezet voor een Lord. Natuurlijk.
Hij is kapitein bij de Coldstream Guards. Onderscheiden, zwaar gewond geweest.
En nu wegwezen. - Een meisje uit Wales.
Al tijden niet gezien. Mooi ook. Waar kom je vandaan?
Kom op, we gaan. - Niet zo snel.
Ik wil wat lokale zaken bespreken met deze jongedame. In de slaapkamer.
Laat me los. - Je gaat me toch niet weigeren?
We zijn van dezelfde soort. - Je doet me pijn.
Ik wil alleen een kusje. - Laat me los.
Eikel. Straks worden we allemaal buitengezet.
Ga van m'n been af. - Dit zal ik onthouden.
Gaat het? - We moeten naar de hal komen, Mary.
Die arme Evan. Ik had hem net nog gezien.
De grenadiers lagen naast ons. Z'n hele loopgraaf vernietigd.
De dag erna raakte ik gewond.
Hemel, bijna al onze oude vrienden. Hoe moet dat nu met ons?
We richten ons op de overlevenden. - We mogen het nooit vergeten.
Sorry dat ik stoor. We gaan beginnen, komen jullie ook?
Nee, ik moet de boekhouding nog doen. Probeer niet te veel herrie te maken.
Maar zonder jou kan het feest niet doorgaan.
Ik wil het wel horen. Kom op, ga met me mee.
Waar moeten we zitten? - U hier, mevrouw. En u daar, milord.
Hopelijk duurt het niet te lang. - Dank je, Starr.
Dames en heren, het personeel van het Bentinck Hotel en wat vrienden...
...zijn trots een lied te mogen zingen ter ere van Mrs Trotter.
Ik heb zelf de tekst geschreven. - Schiet toch op, man.
Vooruit dan maar. Dank u wel.
We hebben geen tekst. - Waar is de tekst?
Wat? Sorry hoor. Hier is de tekst.
Kunnen we opnieuw beginnen?
O Mrs Trotter, wat moeten we nu dit lied moest een eerbetoon zijn aan u
maar tijdens het schrijven wilde het niet rijmen
o Mrs Trotter, dat is toch eeuwig zonde
de majoor mocht het proberen, maar het was hem helaas te bar
toen droegen we het over aan Fred en Mr Starr
o jee, kom ik hierna nou ja, la-di-da-di-da
ik moest een handje helpen, maar dat was m'n eer te na
toen besloten we dat het te hoog gegrepen was
we namen er een borrel op en dachten aan iets anders
toch voelden we wel wat spijt, de majoor was z'n geld kwijt
maar wat kan ons dat schelen we gaven het op en riepen:
o Mrs Trotter, wat moeten we nu dit lied moest een eerbetoon zijn aan u
maar tijdens het schrijven wilde het niet rijmen
o Mrs Trotter, dat is toch eeuwig zonde
Nu moet jij een lied zingen, Louisa. Charlie, ga jij achter de piano?
Wat zullen we doen? - Ik ben hoe dan ook uit vorm.
Wat dachten jullie van Keep the Home Fires Burning?
Hoe gaat dat ook weer?
Zoiets, toch?
Sorry, hoor. - Wat is er?
Ik ben een beetje duizelig. - Kom, dan brengen we je naar boven.
Niks aan de hand.
Hij is gewoon wat duizelig.
Wat doen zij hier? Eruit. - Ik verwachtte Charlie maandag pas.
Ze kunnen nergens heen. - Nou en?
Laat ze maar blijven. Dat is toch de bedoeling van dit hotel?
Ik neem de slaapkamer wel.
Miss Dean vertrekt morgen. Dan kunnen ze in haar kamer.
Goed dan. Maar ruim jullie rotzooi op. Dit is de kazerne niet.
Je moet terug naar het hospitaal. - Dat gekkenhuis? Alsjeblieft niet.
Het komt wel goed. Gewoon wat te veel opwinding.
Maak je geen zorgen.
Een kleine terugslag, niet ongebruikelijk. Vanmorgen goed gegeten, hoor ik.
Klopt. Bent u er klaar voor?
Goedemorgen, milord. - Goedemorgen, Starr.
Sorry, milord. - Gaat het?
De piloot in kamer 9 is dol op detectives.
Hij mocht die van Mr Merriman lenen.
Goedemorgen, Charlie. - Goedemorgen. Waar ga je naartoe?
Ik moet voor de laatste keer poseren. De majoor brengt me. Zin in een ritje?
Natuurlijk. Wilde je dan zonder mij gaan?
Ik had gehoopt dat je in bed zou blijven. - Ik voel me uitstekend. Kom op.
Weet je het zeker? - Ja.
Frisse lucht is goed voor je.
Zou het echt goed met hem gaan? - Net zo goed als met alle anderen.
Die oorlog maakt je mentaal kapot.
We zijn het niet eens over de mond. - Die is perfect.
En die jurk staat geweldig tegen die achtergrond.
Ze is het helemaal. Prachtig, gefeliciteerd.
Ik ben overdonderd. - Wat ga je ermee doen?
Tentoonstellen. - En ik wil het kopen.
De koop is dus gesloten. - Mooi voor in de hal, niet?
Ik wil mezelf niet de hele dag zien. - Niet voor het hotel. Voor mij.
Voor in mijn kamer. Het hotel krijgt het als ik er niet meer ben.
Kan ik het nu meenemen? - Nee, ik moet het nog wat bijwerken.
Zou u voor me willen poseren? Als u tijd heeft?
Wie, ik? - U zou me een groot plezier doen.
Voor wat hoort wat, Charlie. Als het goed is wil ik het zelfs kopen.
Goed dan. - Kunnen we overmorgen al beginnen?
Dat lijkt me wel wijs. Ik moet wellicht terug naar Frankrijk.
De komende weken toch niet? Je moet uitrusten.
Geen zorgen, ik zorg dat hij hier komt. Kom op.
En ik? Is mijn gezicht interessant? Nee, dus.
Op je beurt wachten, jij.
Tot ziens en nogmaals gefeliciteerd. - Tot ziens, Lord Haslemere.
Sorry, ik ben buiten gezet. M'n maten houden niet van muziek.
Sorry van gisteravond. Dat was niet netjes.
Al vergeten.
Mag ik blijven? - Ja hoor, natuurlijk.
Ik heet Brian Spedding. En jij?
Miss Phillips. - Miss Phillips?
Mary? Sorry, ik wilde niet storen. - Dat doet u ook niet.
Mrs Cochrane wil de menukaarten. - Hier zijn ze al.
Excuseert u mij.
Je heet dus Mary?
Een oom van me speelde viool. Hij wilde het me leren.
Nee, ik kan niet spelen. Toen ook al niet.
Jij speelt best aardig, niet? Ik heb je net gehoord.
Mary, zal ik nog wat voor je spelen? Alleen als je wilt. Ga even zitten.
Rechts nog een beetje omlaag. Ja, dat is prima zo.
Wat vinden jullie ervan?
De neus lijkt me niet goed getroffen. - Echt niet?
Ik vind het prachtig.
Is dat alles, milord? - Ja, bedankt.
Het wordt nog tentoongesteld. Maar ik wilde het per se hebben.
Wat hebben ze een bende gemaakt. Officieren zouden beter moeten weten.
Zeker gewend dat een soldaat alles voor ze opruimt.
Sorry, wat zei je? - Niks, ik was aan het kletsen.
Volgens Mr Merriman kon hij bij het eten z'n bestek niet vinden.
Hij leek totaal de weg kwijt en kwaad op zichzelf.
Moeten we z'n arts waarschuwen? - Geen idee. Wat vindt u?
Hij zal het eerst moeten onderkennen. Maar ik heb wel een suggestie.
Een oude schoolvriend van me is dokter, Sir Ernest Horsfield.
Die kijkt er wel even naar. - Wat voor dokter?
Hersenchirurg op Harley Street. Goeie vent, deed aan cricket.
Goed dan. Zorg dat hij hier komt.
Dit is belachelijk. Nergens voor nodig.
U bent voor niks gekomen, Sir Ernest. Er is niks mis met mij. Zonde van uw tijd.
Ik was toevallig hier bij m'n vriend Toby. - Ja, dat zal wel.
Die had het over u, uw heldendaden en uw verwondingen.
Hij zei dat u duizelig was en ik bood aan u te onderzoeken.
Maar als u niet wilt, ga ik wel weg. - Sorry, dat was onbeleefd. Mijn excuses.
Ik begrijp het echt wel. Ik schiet ook regelmatig uit m'n slof.
En ik zat niet eens aan het front.
Wat wilt u dat ik doe? - Laten we even gaan zitten.
Die duizeligheid, was dat de eerste keer sinds u thuis bent?
Ja, maar ik was ervoor gewaarschuwd. - Juist ja. Last van hoofdpijn?
Niks bijzonders.
Lees dit eens. - Bapaume ingenomen.
En daaronder? - 26.000 man gevangen genomen...
...en meer dan 100 kanonnen veroverd. - Eindelijk aan de winnende hand.
Hoe laat is het op die klok? - Zeventien over vier.
Sta op en loop even naar de piano.
En nu terug naar mij.
Ga maar weer zitten.
Eens even zien. Recht vooruit kijken.
Last van visuele hallucinaties? Flitsend licht, vage objecten, kleuren?
Nee, helemaal niet.
Geen speciale beelden? Een weiland, een landschap...
...of een dame bij een beek? - Nee, ik droom alleen van die dame.
Is dat Mrs Trotter? - Ja, herkent u haar niet?
Erg goed. Van wie is het? - Collinghurst.
Kijk even in m'n rechteroog.
Hoeveel vingers steek ik op? - Drie.
En nu? - Eén.
En nu? - Drie.
Voelen uw handen en benen soms slap?
Die tintelen soms. Maar dit gaat toch om m'n ogen?
Mag ik de wond even zien? - Ja.
Ik ben in Frankrijk geopereerd. - Door McKinnon, toch?
Hoe weet u dat? U bent toch slechts op bezoek?
Keurig gedaan. Maar het geneest slecht, niet?
Geen idee hoelang zoiets duurt. - Nee, inderdaad.
Nog heel even kijken.
Recht vooruit weer.
Jij zou daar viool moeten spelen.
Heb je ook wel eens vrij? - Niet vaak, vrees ik.
Ik wil je graag zien. Alleen.
Als je dan nog op bent, kun je om middernacht thee krijgen.
Misschien ben ik niet alleen.
Voor de dames uit het dorp is werkelijk niets te dol.
De melkboer is nu een vrouw. - En de kolenboer een snol.
Zo staat het hier niet. Ondeugende meid.
Eén onderzoek biedt geen zekerheid. Maar sommige zaken zijn duidelijk.
De hoofdwond tast het zicht aan. Ik denk dat er nog een splinter in zit.
De blinde vlek achter in het oog is aangetast.
Wat houdt dat in?
In het gunstigste geval gaat het niet verder.
Dan blijft hij z'n verdere leven zien zoals hij nu ziet.
Of het kan verder verslechteren. - U bedoelt dat hij blind kan worden?
Dat zou kunnen, ja.
Kunt u hem niet opereren? - Jawel, maar dat is nu te risicovol.
We zullen moeten wachten. - Terwijl het erger wordt?
We hebben geen keus. Hij kan een normaal leven leiden.
Hou hem in de gaten. Hij heeft moeite met afstand schatten.
Dat kan gevaarlijk zijn. Op straat en zo.
Waarschuw me als z'n ledematen het af laten weten.
Verlamming in de handen, mank lopen, zulke dingen.
Ik kom over twee weken terug.
Hij is nogal trots en eigenwijs. Hij houdt jullie wellicht voor de gek.
Let daarop. Dag, Mrs Trotter. Toby. - Ik laat je even uit.
Het personeel mag dit niet weten. - Natuurlijk.
Dank je, Merriman. Wat heeft Mrs Cochrane gemaakt?
Forel, eieren, asperges en aardbeien. - Geen voorafje?
Dat heeft de regering verboden. Alles is op de bon, zelfs voor Mrs Trotter.
Ik zal het ermee moeten doen. - In deze tijden is dit een koningsmaal.
Dank je. We eten stipt om negen uur. - Komt in orde, milord.
Wat een leuke verrassing. - En dat na jouw list met die dokter.
Heeft hij je daarna nog wat verteld? - Nee, daar had ik toch niks van gesnapt.
Ik voel me echt prima. - Weet ik toch.
Dit heeft tijd nodig. Je had die andere stakkers moeten zien.
Ik heb geluk gehad. En ik bepaal zelf of ik hulp nodig heb.
Begrepen? - Ja, kapitein.
Genoeg over mijn gezondheid. Nu even over onze toekomst.
De oorlog duurt niet lang meer. We boeken dagelijks winst.
Bapaume is ingenomen. De Hindenburglinie is binnen bereik.
We zouden voor Kerst kunnen trouwen, zoals we afgesproken hadden.
Wacht eens even, Charlie.
Je wilt toch nog wel trouwen? - Natuurlijk wel.
Ik wil er gewoon even over nadenken. - Ik weet waar je aan denkt.
Maar het hotel hoeft heus niet dicht. We hoeven niet vaak naar Bishopsleigh.
Dit kan ons thuis worden. Een eenvoudige flat.
Heb je het koud? Je rilt. - Nee hoor.
Wat een mazzel. Harry Tate komt net binnen.
Hij komt optreden. Kom ook kijken. - Nu even niet, vriend.
Neem me vooral niet kwalijk.
Het leven gaat door.
Hoe ben je weggekomen? - Gezegd dat ik hoofdpijn had.
Hij ging maar door. Ik had er net zo goed niet kunnen zijn.
Was hij stoer aan het doen vanavond? Om te bewijzen dat er niks is?
Hij moet toch iets vermoeden. Hij heeft twee keer wijn geknoeid.
Voelt hij jouw bezorgdheid aan? - Hopelijk niet.
Jullie voorgenomen huwelijk staat nu op losse schroeven.
Hoezo dat dan? Alleen maar omdat hij blind wordt?
Nee, maar het verandert alles. Voor hem zeker.
Hij zal niet graag afhankelijk van je zijn. - Als het toch moet, dan maar van mij.
Dat moet zijn eigen beslissing zijn. Dat is alles wat ik wil zeggen.
Hij moet de waarheid weten. Medisch gezien. Niet mee eens?
Wie gaat hem die vertellen?
Ik zie de toekomst. - In die theeblaadjes? Net als m'n tante.
Geef me je hand. Wat is er? Ben je bang voor je toekomst?
Nee, ik geloof niet in die onzin.
Het is altijd trouwen, kinderen en een gelukkig leven.
Jij trouwt niet. - Wel als ik dat wil.
Je trouwt niet met mij. - Dat was ik niet van plan.
Omdat ik zal sneuvelen. - Waar staat dat nou weer?
Ik heb m'n marsorders gekregen. Terug naar Frankrijk.
Daar zal ik snel sneuvelen. Ik heb mijn dood gezien.
De plek, de bocht in de weg. Ik ben niet bang, jij zult bij me zijn.
Dat is onzin. Ik ben toch hier? - Wacht maar af.
Is er nog thee, Mary? - Ja hoor.
Hoe was het boven? - Bedoel je het diner?
Daar mag ik niks over zeggen. Dat is vertrouwelijk.
Maar we kunnen binnenkort een belangrijk bericht verwachten.
Bijzondere jongeman? - Echt niet.
Denk eraan, officieren mogen hier niet komen.
Draai uw hoofd wat meer naar het raam. Zo ja, perfect.
Sorry, is het te fel? - Nee, ik hou van het licht.
Die doet niks meer.
Zin in een ommetje? - Waarom ook niet?
Ik zou graag je verhaal horen. Direct uit de bron.
Je wilt er toch wel over praten?
In het hospitaal heb ik mezelf beloofd om niet altijd oorlogsverhalen te vertellen.
Je kunt het mij toch wel vertellen?
Frustrerend om er zelf niet bij te zijn. Ik moet het doen met de verhalen.
Als je het weten moet: het was een puinhoop.
Verprutste orders, geen heldendaden. Gewoon een puinhoop.
Alles goed? - Ja hoor. M'n been tintelt.
Op een dag als deze lijkt de oorlog ver weg.
God dolt met ons, echt waar.
Volgens de kranten is het bijna voorbij. En dan, vraag ik me af.
Gaan jij en Louisa trouwen? - Heeft ze het erover gehad?
Ze heeft wel wat laten vallen. En het personeel roddelt erover.
Zodra de oorlog voorbij is, hebben we in Boulogne gezworen.
Voor die dag leef ik.
Luister, ik heb de ondankbare taak je iets te moeten vertellen.
Horsfield heeft ons ingelicht. Na het onderzoek. Het blijkt...
...dat het niet goed gaat met je ogen.
Er is nog niks zeker. Het kan ook zo blijven, benadrukte hij.
Dank je, Toby.
Je wist het dus al? - Ik wist het niet zeker.
Ik zie jou nu uitstekend. En die mensen daar ook.
Meestal zie ik alles goed. Maar dan plotseling, zonder reden...
Ze zeiden dat het over zou gaan.
Ik heb Louisa niks verteld, ze zou zich maar zorgen maken.
Wat zei Horsfield precies? Hoe lang? - Dat kon hij niet met zekerheid zeggen.
Nou, ik weet het wel. Het wordt met de dag erger.
En ze wil zeker geen blinde echtgenoot? - Dat is het niet, ze zou zo met je trouwen.
Ik wil naar huis.
Veel geluk, heren.
Mooie medaille. - Ja, de slag bij Omdurman.
Zin om te ruilen? - Als ik wat jonger was wel.
Wat een onzin. Deze oorlog maakt je snel oud.
Moet je weg, Brian? - Voor jou.
Dat kan ik niet aannemen. - Toe nou.
Let erop. Speel erop als je wilt. Zo houden we contact.
Je komt hem toch wel ophalen?
Bedankt voor de gastvrijheid. - Veel geluk, jongens.
Dag, majoor. Terug naar Frankrijk. - Heus? Tot ziens.
Ik zou hem even met rust laten.
Charlie? Wat heb je met die deur uitgespookt?
Je zit daar nu al de hele middag. Wij moeten nodig even samen praten.
Een schuifslot? - Daar vroeg hij om.
En u mocht niks weten. - Dat is voor het eerst in dit hotel.
Alleen Merriman mocht naar binnen, met eten en drinken. Ik dus niet.
Ja, volgens Merriman eet hij goed. Hij leek in orde, wat afwezig.
Hij speelt veel piano. - Dat hoor ik wel. Dank je, Starr.
Hij wil zelfs Mrs Trotter niet zien. Onbegrijpelijk. Hebben ze ruzie?
Er is wel meer aan de hand.
Is de thee voor kamer 7 klaar? - Ja, ik breng het wel.
Laat maar, ik doe het wel even.
Hij wilde koekjes. - Hebben we niet.
Als hij ziek is, moet hij naar de dokter. - Dit is een ander soort ziekte.
Wat mankeert hij dan?
Wie? - Lord Haslemere.
Dat weet toch iedereen? Hij wordt blind.
Ik dacht dat iedereen het wist. Mijn man heeft het van de majoor.
U vertel ik nooit meer iets. - Het zou toch wel uitgekomen zijn.
Met die grote mond wel, ja. - Toby kan er niks aan doen, Mrs T.
Misschien komt alles toch nog goed. Ik heb namelijk een idee.
Kent u St Dunstan's in Regent's Park? - Ja. Wat is daarmee?
Ik las erover in de krant. Toen zijn we erheen gegaan, toch?
Om ze over Charlie te vertellen. - En?
We leerden Ian Fraser kennen. Hij leidt het, samen met Arthur Pearson.
Ze hadden veel interesse in Charlie. Een echte Lord, u kent dat wel.
Hij stuurt iemand om uit te leggen wat ze doen voor blinde veteranen.
Hij dacht dat Charlie wel kon helpen. - Dat zou hem wat op kunnen beuren.
Hij staat buiten. - Wie?
Kapitein Mason. Wil je even kennis maken?
Zou Charlie hem willen spreken? - Het valt toch te proberen?
Vooruit dan maar.
Hij is zelf ook blind, snap je?
Ik ben het, Merriman. Ik kom afruimen.
En u heeft bezoek. Kapitein Mason, van St Dunstan's in Regent's Park.
Sorry dat ik zo binnenval. Roger Mason. - Hoe maakt u het?
Gaat u toch zitten.
Rechts van u staat een stoel.
Dank u wel.
Wilt u wat drinken? - Nee, bedankt.
Twee van uw vrienden zijn me op komen zoeken.
Ze vertelden wat er gebeurd is. Ik vind het heel erg voor u.
Nou ja, zover is het nog niet. - Nee, inderdaad.
Ik was in één keer blind. In Arras.
In het begin is de schok groter...
...maar als het dan toch moet, is het zo wellicht beter dan bij u.
Dat beweren ze bij St Dunstan's.
Kent u ons werk? We staan nogal eens in de krant.
Ik heb erover gehoord. Maar wat zou ik kunnen doen?
Daar kunnen we het over hebben. Dank u, het gaat wel.
Ik heb wat dingen meegenomen, die u zouden kunnen interesseren.
Ik heb hem.
Eerlijk gezegd wist ik het meteen.
Een man die blind wordt is de droom van iedere schilder.
Moet ik doorgaan?
Zo wil ik hem niet zien.
Hij kon beter dood zijn, niet? Zien is belangrijker dan leven.
Voor een kunstenaar wel. - Dat is hij ook.
's Morgens gaan we vaak roeien. Winkelmeisjes laten de boot te water.
Dat is een goede start van de dag. Het gaat om de instelling.
Je kunt iemand een handicap aanpraten. Maar geef hem liever een normaal leven.
Komt u toch een keer op bezoek.
Als u wilt kunt u ons helpen. Uw naam zou ons veel goed doen.
Zeker met geld inzamelen. - Een blinde die een blinde leidt.
Dat is mogelijk, hebben wij ontdekt.
Ik laat de braille en het horloge hier. Het is heus niet zo ingewikkeld.
Kom morgen even kennis maken met Arthur en Ian. U mag ze vast.
Mag ik mee roeien? - Jazeker. Zeven uur?
Goed. Ik pak even m'n jas, dan laat ik u uit. Nu het nog kan.
Kunt u nog even blijven? Mrs Trotter is bijzonder goed bij stem.
Dat hoor ik. Graag.
Wat is hier gaande? Ben je soms doof, sergeant?
Jij daar. We zijn verdwaald. We willen de weg weten, verdomme.
Wat doe je toch? Ik wil niet onder de grond zitten.
Ze graven me onder. - Niet waar, het is een droom.
Wat gebeurt er? - Niks, ga maar weer rustig liggen.
Die granaat ontplofte in m'n hoofd. Het was geen droom.
Zal ik de dokter halen? - Het was geen droom.
Er moet echt een dokter komen. - Het klikte in m'n hoofd.
Bel Horsfield. Ik blijf wel hier.
Weilanden, hagen. Die korporaal z'n hand lag eraf.
Hij zei iets, weet je nog?
Bramen, dat was het. Tongen en lippen rood van het sap.
Gezichten als geplet fruit. Louisa? - Hier ben ik.
Louisa? - Wat is er, liefste?
Wat doe jij hier? Wegwezen. De lucht staat in brand. Je hoort hier niet.
Je hoeft daar niet meer te vechten. Je bent nu thuis.
Als de kanonnen ophouden. - Voor jou wel.
Thuis. - Inderdaad.
Niet naar het hospitaal.
Louisa, ga je morgen met me mee?
Roeien op het meer? - Ja hoor.
Goedemorgen, mevrouw.
Het is half zeven, mevrouw.
Moet ik meneer nog wekken om te gaan roeien met kapitein Mason?
Maar ik hoorde van gisteravond. - Laat hem maar slapen.
Goed, mevrouw.
Wilt u wat eten? Lekker roerei?
Sorry dat ik zoveel last bezorg. - U had een nachtmerrie.
Louisa? - Die is bij u gebleven. Ze rust nu even.
Hoe laat is het? - Half drie 's middags.
Eet alleen als u er zin in heeft.
Wat is het stil. - Het is zondag.
Zal ik Mrs Trotter roepen? - Nee, laat haar maar.
Lekker gerust? - Ja, dank je.
Hoe voel je je? - Erg vredig.
Zie je die boom daar? Die was me nog nooit opgevallen.
Gek genoeg zie je alleen wat je wilt zien.
Ik heb over ons huwelijk nagedacht. - Daar wil ik niet over praten.
Als ik dit overleef... - Dit overleef je echt wel.
Luister, ik...
Wat moest ik vandaag ook weer doen? - Roeien. Ik heb kapitein Mason al gebeld.
Ja, nou weet ik het weer. - Je was altijd welkom. Niks aan de hand.
Ze willen dat ik ze help. - Dat lijkt me een prima plan.
Kun je me even helpen? Mijn handen trillen nogal.
Ik moest gisteren aan Lottie denken. Ik zie haar terug in jouw portret.
Heel duidelijk.
Ik wil niet negatief doen...
...maar moet je niet terug naar het hospitaal?
Zegt Horsfield dat? - Nee, die heb ik niet gesproken.
Ik heb hem gebeld, maar hij is in Manchester.
Wat is deze kamer klein. - Wat?
Als je je ogen sluit, zie je alles nog levendig voor je.
Geldt dat ook voor blinden? Je kunt de tuin heel duidelijk zien.
Waar de paden lopen. Ook gezichten.
Samson, onze tuinman, was heel sterk. Hij droeg me altijd op z'n schouders.
Ik zie hem zo duidelijk.
Sorry, ik ben aan het raaskallen. Net als gisteravond. Wat heb ik gezegd?
Je ging maar door over de oorlog.
Daar weet ik niks meer van. Hoe bizar.
Moet ik terug naar het hospitaal? Als ik hier tot last ben...
Doe niet zo gek. - Ik wil geen vloek voor het hotel zijn.
Blijf maar. Mary en ik zorgen wel voor je. Zij is verpleegster en ik kan ook wel wat.
Na alles wat wij meegemaakt hebben, zitten we nog niet in hetzelfde schuitje.
Jij moet mij oprapen, of andersom. Net een stel zatlappen.
Weet je nog dat jij van je liefje kwam en ik van de markt afstrompelde?
Ik viel flauw in je armen om vijf uur 's ochtends.
Wat een ontmoeting. Zo uit een stuiversromannetje.
Maar vanaf nu wordt alles anders. Te beginnen met een grote bruiloft.
Zodra de kanonnen zwijgen. Zoals afgesproken.
En dan knappen we dit hier op. Beetje privacy.
Daarna gaan we jagen in Yorkshire. Je hebt me nog nooit paard zien rijden.
Nooit gedaan. Maar ik heb voor hetere vuren gestaan.
We zullen die dames daar eens lekker te eten geven.
Mrs Trotter? Ik herken u aan uw luchtje.
Ik hoorde je spelen. - Dat mag toch wel?
Ik struikelde hier over de pianokruk en toen vond ik dit.
Dat had u niet gezegd. - Wat?
Dat u hier een piano heeft. - Ik wist niet dat u kon spelen.
Nou ja, ik tokkel maar wat.
Even dacht ik... Het herinnerde me aan iets.
Slechte herinnering?
Ik zie het al. Dat ik zoiets zeg.
Beetje belachelijk. Ik moet wat anders bedenken.
Nee, speel maar door.
Weet u dat zeker? - Ja, heel zeker.
Sorry dat ik dit 's middags doe. - Doe het wanneer u wilt.
Ik vind het vervelend. - Ach, we zijn hier toch niet lang meer.
Lloyd George is een man van actie, maar hij is geen politicus.
Ja, hij heeft de kiezers belazerd. - Hij heeft ons wel door de oorlog geleid.
Maar geen man voor de vrede. Ik bespeur een gebrek aan vertrouwen.
Wat lag er veel stof op de trap. - Ik kan niet alles doen.
Dat was geen kritiek. - Wat zei ze tegen u? Op de trap?
U moet naar bed met die verkoudheid. - Ik heb nooit tegen stof gekund.
Ga naar huis, tante. - En de badkamer dan?
Dat kan wel wachten. - Echt niet.
Jawel. U moet echt naar bed. Hou die bacillen maar bij u.
Ja, naar huis en naar bed. Drink iets warms.
Hebben we wat brandy voor haar? - Als ze maar ophoudt met dat gesnotter.
Ik weet zeker dat ze zei: We zijn hier toch niet lang meer.
Wij? - Ja, dat zei ze.
Waarom zou ze dat zeggen? - Dat bedoel ik dus, Mary.
Rekeningen, zei je. - Ja, van deze maand.
En van de maand ervoor en de maand daarvoor.
Hemeltjelief.
Ik vond het al zo veel deze maand. Ik snap er helemaal niks meer van.
Nee, ik snap er ook niks van. Ik snap nergens nog wat van.
Die van de slager is nogal bot. Zo doet hij anders nooit.
We lopen zes maanden achter en de oorlog is voorbij, zegt hij.
Geef maar hier. Ik betaal wat ik kan.
Oh jee, hier heb ik de gasrekening.
We worden binnenkort afgesloten. - We kunnen niet zonder.
Ik ben zo moe. - Dat zijn we allemaal.
Het is uit met dit hotel.
Over en uit. Al m'n hoop is vervlogen.
Ik wil hier weg. Ik kan geen hotel meer zien.
Ik ben het leven beu. - Mevrouw toch.
Deze meneer wil een zaak kopen voor z'n vrouw. Dat vindt ze leuk.
Ik ken hem, rijk geworden van munitie. Z'n vrouw mag deze tent hebben.
Het toilet op de eerste is verstopt. - Nou en?
En boven is het ook niet alles. - Laat er iemand naar kijken.
Wie dan? - Kun jij dat niet?
Ik weet niks van toiletten. - Hoog tijd dat je het leert.
Dit hotel gaat naar de haaien.
Hoe moet ik het de majoor zeggen? - Die gebruikt altijd een ander toilet.
Over de verkoop, bedoel ik. - U heeft het mij toch ook verteld?
Maar hij woont hier. - We wonen allemaal hier.
Hij is al oud. Jullie vinden wel wat anders.
Mr Merriman is ook oud. En er is weinig werk.
Dienstbodes zijn ouderwets. En ik wil niet in een fabriek werken.
Ethel is beneden. - Die heeft toch haar man verloren?
Ze vraagt naar u. - Waarom? Ik heb geen geld.
Ze wil werk. - Ze kan een getuigschrift krijgen.
Werk. Welja, zeg.
Kijk toch niet zo. Kan ik het helpen dat alles naar de haaien gaat.
Zeg nog maar even niks, Mary.
Ik wilde net gaan. Zal ik de gordijnen in kamer 6 afhalen?
Wat is daar mis mee? - Er zitten allemaal gaten in.
Dat komt door die officieren. - Laat maar.
Laat maar? - Ja, ik vind die gaten wel leuk.
Passé. In de oorlog deed hij het goed, dat ontkent niemand.
De vrede zal heel wat moeilijker zijn. - Niet zo pessimistisch.
Geen werk en bijna geen geld meer. M'n uitkering is niet toereikend.
Het is een janboel hier. We zijn dicht. Geen gasten.
Die komen wel weer. - Kom morgen maar terug.
Wie het toilet toch heeft bedacht. Zo ingewikkeld allemaal.
Wat zei Mrs Trotter? - Niks bijzonders.
Je mocht toch niks zeggen? - En dus zeg ik niks.
Het zit hartstikke vast. - Hopelijk is het niet de griep.
We hebben genoeg aan ons hoofd.
Ga in bed liggen met Mr Merrimans... - Hoe zeg je?
Mr Merrimans brandy. - Ik ga er echt vandoor.
Heeft u verstand van toiletten? - Niet echt. Ik sta aan de deur.
Verstopping? - Ga naar huis.
Dat los ik wel op. - Bedankt.
Ik ga meteen even kijken. - Je gaat naar huis.
Maar ik heb nog thee.
Waar had Mrs Trotter het over? - Gezeur met rekeningen.
Alles zou betaald moeten zijn. - Ik snap er niks van.
Ik zal je eens wat vertellen. In haar bureau ligt een stapel cheques.
Die heeft ze nooit geïnd. - Wat zegt u nu?
Al die officieren die hier geweest zijn. Geen cent van binnen.
Aan het neuzen geweest? - Ik heb gewoon goede oren.
Ik hoorde Mrs Trotter... - Luistervink.
Je kunt je oren niet even uitzetten. Wat hoorde u nog meer?
In de hal hoorde ik de majoor zeggen: Je kunt ze niet eeuwig bewaren.
Toen zei ze: Ik verbrand ze nog liever.
Echt wel. Koppig mens. - Ze komt zo nog in de problemen.
En hoe moet het dan met ons? Dat vraag ik me af.
Ik ben het maar.
Ik dacht dat het je moeder was. En ik moet het water nog opzetten.
Doe je jas uit en ga even zitten.
Ze is uiteraard in het hospitaal. Thee?
Ach ja, het hospitaal. Ze blijft gaan, maar ze kan toch niks doen.
Zij en Arthur hebben er allebei niks aan.
Had ik je al thee aangeboden? - Nee, bedankt.
Je ziet er niet uit. Van thee knap je misschien op.
Nee, echt niet. - Vooruit.
Ik wil meer dan thee. - Oh ja?
Ik wil het onmogelijke. - Dat willen we allemaal.
Ik wil terug. Naar voor de oorlog. - Je kunt de tijd niet terugdraaien.
Hoe is het met Arthur? - Redelijk.
Ik ben nooit meer teruggeweest. Wat had hij een pesthumeur.
Maar daar kan hij ook niks aan doen. - Ik ga er niet meer heen.
Het is m'n zoon en hij is z'n benen kwijt, maar hij lijkt wel een wild beest.
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Hij kijkt alsof hij me wat wil aandoen.
Me overrijden met z'n rolstoel of zo. Je moeder geniet van het gevaar.
Dat is niet grappig. - Zo is het ook echt niet bedoeld.
Hij was trots op z'n kracht. Hij kan beter dood zijn.
Ik overweeg het hotel te verkopen. - Hoe zeg je?
Ik ga het hotel verkopen. - Waarom?
Je hart en ziel zit in dat hotel. - Dat is nou net het probleem.
Probleem? - Het gaat ten onder.
Luister even, je bent nog jong. - Ik ben stokoud.
Wat heb ik nog aan m'n leven? - Liefje toch.
Jij mag het niet opgeven. Als jij opgeeft, wat moet ik dan nog?
Ik mag dan een egoïst zijn... - Ach, pa.
Kom op, huil eens lekker uit. Daar knap je van op.
Ik kan niet huilen. Een brok in m'n keel, maar geen tranen.
Er zit hier een brok in m'n keel. Eten gaat bijna niet.
Ja, je bent afgevallen. Je bent zo dun als een riet.
Daar zul je je moeder hebben. Bijna betrapt.
Jij hier?
Geen thee? - Het water kookt bijna.
Ik zit graag in m'n eigen stoel. Vooral als ik moe en afgepeigerd ben.
Vraag je niet naar je broer? - Hoe is het met hem?
Niet beter, maar ook niet slechter. Wat moet er toch van hem worden?
Hij zal zich ermee moeten redden. Ze kunnen nu goede protheses maken.
Hoe kun je zoiets zeggen? - Hij is niet de enige.
Het was zo'n trotse, sterke man. - Dat waren anderen ook.
Wat ben jij toch hard. - Ooit noemde je me een watje.
Een aanstellerig watje. - Je eigen zoon.
Hij zal er het beste van moeten maken. We hebben allemaal zo onze sores.
Zonder die oorlog was dit nooit gebeurd. - Maar het was nou eenmaal oorlog.
Het was slimmer geweest als die jongens hadden geweigerd.
Dat konden ze toch niet?
Hij wil niet dat ik nog kom. Hij wil niet betutteld worden.
Ik moet hem vergeten. Hoe kan dat nou?
Ik zei dat hij hier kon komen. Hij ging nog liever dood.
Hoe moet het nou met hem? Krijg ik die thee nou nog, of wat?
Zo meteen. Waarom kwel je jezelf zo? - Hij is m'n enige zoon.
En een klootzak op de koop toe.
En wat moet jij? Je bent hier in geen eeuwen geweest.
Ze komt alleen even... - Ik verkoop het hotel.
Wat zei ze nou? - Ik verkoop het hotel.
Dat kan er ook nog wel bij. Dat kun je niet doen. Wat moet je dan?
En wij kunnen niet zonder jouw bijdrage. - Je zult niets tekort komen.
Erfenisje van je Lord?
Ga nou niet weg. Je bent er net.
Neem een kopje thee. - Nee bedankt, pa.
De majoor komt zo eten. - Ik ben thuis, dat zit haar dwars.
Haar broer ziet ze nooit en mij kan ze niet uitstaan.
Je hebt bijna niks gegeten. Eet nou op, het is echt lekker.
Dat is de eerste keer dat ik u hoor liegen.
De keuken holt achteruit. Net als de rest hier.
Dit kan zo niet doorgaan. Mary zegt dat je nauwelijks nog eet.
En dat is je aan te zien. Dit kan zo echt niet doorgaan.
De mooie Mrs Trotter van hotel Bentinck. - Hou toch op.
Ik verkoop de tent. De hele mieterse bende.
Sorry.
Zit daar niet zo te zitten. - Ik probeer het niet te geloven.
Proberen? - M'n gevoel zegt dat je het meent.
Maar ik wil het niet geloven. - Uw gevoel liegt niet.
Maar ik beslis niks totdat u onder de pannen bent.
Jij hebt lef, zeg. - Ik zorg voor een fijn huis.
Wat een lef. Hoe durf je? - Durf ik wat?
Hoe durf je me te behandelen als een of andere bejaarde?
Ik wil dat u onder de pannen bent. - Daar zorg ik zelf wel voor.
Majoor... - We zijn vrienden, maar er zijn grenzen.
Hou je aan de regels.
Neemt u me vooral niet kwalijk.
Maar uw onderdak houdt me bezig.
Maar u moet uw eigen huis zoeken.
Kom toch weer eten.
Op één voorwaarde. - Wat dan?
Dat jij ook wat eet. - Afgesproken.
Denk vooral niet dat ik ondankbaar ben. - Nee, ik ben dom geweest.
U weet hoe bazig ik kan zijn. - Oude mannen zijn erg lichtgeraakt.
Nu we weer wat gekalmeerd zijn: waarom wil je eigenlijk verkopen?
Je hebt de hele oorlog overleefd. Rantsoenering, bommen, plunderingen.
Vanwaar deze ommezwaai?
Schulden. Ik sta bij iedereen in het krijt.
Hoezo? - En het huurcontract loopt af.
De gasten komen heus wel weer. Het is geen verpleeghuis meer.
Er zijn nog maar drie officieren. - Als die weg zijn, ga ik dicht.
Dat kun je jezelf onmogelijk aandoen. - Ik geef niks meer om mezelf.
En het personeel dan? - Die vinden wel weer wat anders.
Het land staat op z'n kop. Je kunt mensen nu niet ontslaan.
We hebben vaste waarden nodig. - Ik heb er gewoon de kracht niet voor.
Ik heb er geen zin in.
Luister, heb je die cheques al geïnd? - Daar wil ik niet over praten.
Nee, dus. Dat moet je echt doen. - De meesten zijn dood.
Zo kom je in de problemen. - Ik in ze niet. Dat is lijkenpikkerij.
Maar dit kan toch niet? Ik weet dat je een klap hebt gehad.
Arme Charlie. Wat zou hij hiervan vinden, denk je?
Te veel herinneringen hier. - Je bent toch geen lafaard?
Geen idee wat dat nog inhoudt. Dit hotel heeft z'n beste tijd gehad.
De oude gasten zijn dood. Of veranderd. Ik ben zeker veranderd.
Ga een paar weken weg. Je hebt wel een vakantie verdiend.
Ik neem het hier wel over. Dan regel ik die cheques.
Daar heb jij dan geen omkijken naar.
Net als onze dromen, niet?
De liberalen zijn echt nog niet gezien, ook al worden de linksen sterker.
Het gaat erom wie het land bestuurt. De ambtenarij, denkt u ook niet?
Geld. Altijd al zo geweest. Daar doe je niks tegen.
Over geld gesproken: klopt het dat het hotel verkocht wordt?
Sorry, ik maak er een bende van.
Ik moet dit echt leren. Volgens Mary kan het op een stoel.
Ja, zo deed m'n moeder het ook. Verkopen, zei u?
Dat hoorde ik toevallig. Maar ik moet niet zo roddelen.
Dat is niet netjes. Maar ik ben net een hond.
Ik hoor en ruik alles. - Ja, als honden toch eens konden praten.
Ik kan bijna met m'n ellebogen kijken. Ik zie er obstakels mee.
Ik geloof niet dat het hotel verkocht wordt. Met zo'n geschiedenis.
M'n moeder kwam hier met haar minnaar. - Echt waar? Sorry, dat was lomp van me.
Ik heb niks beters te doen dan roddelen. Ik word nog een echte roddeltante.
Zijn we al bijna klaar? Niet lang meer.
Heel rustgevend. Niks aan je hoofd, wel iets om handen.
Maar ik wil leren typen. Ik wil schrijven. Niks interessants natuurlijk.
Maar ik heb wel wat ideeën. Bij St Dunstan's kan ik het leren.
Braille gaat me ook prima af.
Dat was toch Mary? - Ja, meneer.
Die lichte tred en de geur van zeep. Ze is zeker erg mooi?
Net als de heuvels in haar vaderland. - Hoe poëtisch.
Kent u Wales? - Niet echt.
Ik zat daar in opleiding in 1917. Brecon Beacons. Mooie herinnering.
Waarom gaat u niet naar huis? - Dat voelt zo benauwd en eenzaam.
Is het de Spaanse griep? - Natuurlijk niet.
Warme honing en citroen. - Ik wil niet lastig zijn.
Ik kijk wel of er nog een citroen over is. - Ik ga wel even.
Nee, Ethel. Kom morgen maar terug. - Dat heb je al zo vaak gezegd.
Kom morgen maar met ons lunchen.
Heeft u nog een citroen over? - Ja, maar dat zijn misschien de laatste.
M'n tante heeft een naar hoestje. - Eentje dan, maar wees er zuinig op.
Weer geen vlees. Niks aan te doen. Ze heeft die rekening nog niet betaald.
Jullie moeten het doen met groentetaart.
Heb je het al gehoord? - Wat?
Dat ze het hotel wil verkopen. - Ja, dat overweegt ze.
Ik heb het haar gisteravond gevraagd. Ik weet graag waar ik aan toe ben.
Jij wist het zeker als eerste? - Ze zei dat ze het overwoog.
Gelukkig moeten de mensen altijd eten. Ik krijg een goed getuigschrift.
Ik wil weer in een hotel werken. Niet particulier.
Maar hoe het met jullie moet? Jullie lopen weg met haar.
Ik vind dat mensen zelfstandig...
Het hotel is uitgestorven. Twee kamers. En die willen alleen koffie.
En wat doet u nou weer hier?
Als mensen hun bacillen bij zich houden, krijgen we ook geen epidemieën.
En wat is dat? - Honing en citroen. Tegen het hoesten.
En, hebben jullie het gehoord? - Ja.
Wat? Geheimzinnig gezwets. - Ze overweegt te verkopen.
Mrs Trotter, bedoel je? - Ze overweegt dit hotel te verkopen.
Echt niet, dat zou ze nooit doen. - Ze verkoopt het.
Dat zou ze toch wel gezegd hebben. - Ze verkoopt het echt.
Ik geloof er niks van. - Mrs Cochrane heeft al een getuigschrift.
Heeft ze het Mrs Cochrane verteld? En niet aan ons?
Mrs Cochrane heeft het gevraagd. Hier, drink dit maar langzaam op.
Dat wij het zo moeten horen. Wat een egoïstische rotstreek.
Drink het maar op, grote meid. Tante? Mr Starr?
Breng haar toch naar bed. - Kom op.
Stuur me niet weg, liefje. Thuis ben ik zo eenzaam.
Breng haar naar Ethels oude kamer. - Dit was het dan. Wie wil mij nou nog?
Ik kan het gewoon niet geloven.
Dit is het dan, Mr Bream. Trappenhuis, suite, de hele handel.
Ja. Dank u, Mrs Trotter.
Beetje sjofel, ben ik bang. - Wie niet?
Wel solide. Goed personeel. - Dat zal ik mijn klant zeggen.
Mogelijk wil hij eigen personeel. Morgen komt hij uit Schotland...
...samen met z'n vrouw. Terug van vakantie.
Kunnen ze vrijdag langs komen? - Ja, dat is goed.
Ik verwachtte je al.
Ik ben geen gebruiksvoorwerp. U beslist zelf over dit hotel...
...maar Fred en ik zijn niet te koop.
Luister, Starr... - En niemand van het personeel.
Volgens ons begaat u een grote fout. - Bedankt voor de wijze raad.
Ik zal u eerlijk zeggen dat ik denk dat u hiervan heel snel spijt zult krijgen.
U bent geen type om niets te doen.
Dat zijn jouw zaken niet, Starr.
Dat ziet u verkeerd. - Hou je mond.
Nee, ik hou m'n mond niet. U heeft mensen in dienst.
Daar bent u verantwoordelijk voor. - Dat kan me nu even niets schelen.
Ik spreek nu namens het personeel, niet mezelf.
Fred en ik willen het land uit. Australië lijkt me wel wat.
Maar Mary komt vast in de problemen.
Mr Merriman en Mrs Davies eindigen in het armenhuis.
Ze krijgen een getuigschrift. Ik zal m'n best voor ze doen.
Maar het doet me nu even niks. Ik kan er niks bij voelen.
Dan valt er niks meer te zeggen.
Het is voorbij. Ze bedenkt zich echt niet. Ze lijkt wel van steen.
Totaal versteend. Er zit geen leven meer in.
Volgens mij wordt ze gek. Hoe is het met je tante?
Geen enkele verbetering. Koorts en vastzittende hoest.
En haar medicijnen wil ze niet.
Ze moet bewegen van de dokter, maar ze ligt daar maar.
Ze wil nooit meer opstaan, zegt ze. - Ze heeft ook niet veel meer, wel?
Misschien verkoopt Mrs Trotter haar, samen met het hotel.
Dat besprak ze net met die vent. - Echt?
Ze verkoopt ons bij opbod. - Dat gebeurt vaker.
Wij zijn niet te koop. - Destijds heeft ze mij ook gekocht.
Zolang ik m'n natje en m'n droogje heb, kan het mij niet schelen wie de baas is.
Wat een instelling. Misschien willen ze je niet.
Dan maak ik mezelf van kant. - Doe niet zo naar. Het is nog niet zover.
Dat duurt niet lang meer. - Hou stil.
Wij gaan eraan en dat boeit haar niks. - Verkoop of niet, denk aan uw manieren.
Mrs Trotter heeft ook rechten. Als zij wat anders wil...
...kunnen we haar niet dwingen.
Wie dwingt haar dan? - U met uw praatjes.
We hebben jarenlang goed gewerkt. - Wat een tijden. Zomaar buitengezet.
Ik zal je eens wat zeggen. - Hou op.
Je kunt je ogen niet sluiten voor wat er hier gaande is.
Gaat u weg? - Ja.
Mary kwam nogal overstuur langs. - Dat is niks voor haar.
Gaat het wel? - Alles is ineens zo stil.
Ik vind het vreselijk om alleen te zijn. Dat benauwde gevoel, alsof ik stik.
Begrijpt u dat? - Misschien wel.
Het gevoel dat je soms krijgt in een vreemde slaapkamer.
Daar was het nooit stil. Zelfs dood was je niet alleen.
Vergeeft u me. - Wilt u even wandelen?
Volgens mij gaat u liever alleen. - Dat klopt.
Doe voorzichtig. Hier is alles weer rustig.
Blijf niet te lang weg. Blijf niet te lang alleen.
Nou vraag ik je. Dit is toch stom? - Ja?
Dit eindeloze stopwerk. En waarvoor?
Je houdt toch niet van gaten? - Ik stop jouw kleren al eeuwen, lijkt het.
Daar vraag ik toch niet om? - Nee, je neemt het voor lief.
Jij maakt je er druk over. - Wie moet het anders doen?
Weet ik veel. - Jou kan het niks schelen.
Rustig aan. Ik heb toch niks gedaan? - Dat is het probleem.
Jij voert de hele dag niks uit. Je krijgt je pensioen toch wel.
Ik ben toch met pensioen? - En wanneer mag ik met pensioen?
Dit stopwerk houdt nooit op. Dat ging de hele oorlog door.
En voor Arthur doe je ook niks. - Dat wil hij toch niet?
Denk toch eens na. Hij duwt je weg, maar hij wil echt wel dat je hem helpt.
Wie is dat nog zo laat? - Ik ben het maar.
Waar heeft zij nou weer last van?
Wat heb jij nou gedaan? - Geef je jas maar, meisje.
Ga zitten en warm jezelf op. - Je bent doorweekt.
Regent het? - Ja.
Wat heb je uitgespookt? - Gewandeld.
Om deze tijd nog? - Is het zo laat dan?
Het is na tienen. Geen tijd voor een fatsoenlijke vrouw.
Wat krijgen we nu? - Bedankt, pa.
Dat is fraai, zeg. Krijg ik niks? - Dat heb jij niet nodig.
Na al dat stopwerk? En al dat gedoe met Arthur?
Van jou gehad met Kerstmis. - Dat is waar ook.
En hij heeft het al die tijd bewaard.
Wat moet je hier? Zo kom je nooit en nu kom je twee keer per week.
Verdacht, hoor.
Maar ik ben blij je te zien. Ik maak me zorgen om Arthur.
Er moet iets gebeuren. Aan je vader heb ik niks.
Ik ben deze week twee keer geweest. Ik mag niet bij hem in de buurt komen.
Anders zou hij me wurgen, zei hij. Ik hoorde het van de verpleegsters.
Ik heb me niet meer zo geschaamd sinds dat jij... Laat ook maar zitten.
Dat m'n eigen zoon zoiets zegt. Maar ik kan hem toch niet laten vallen?
Je vader boeit het niet. Vorige week... - Hou er nou eens over op, zeg.
Vorige week is hij het meer ingerold. Met rolstoel en al.
Hij zat even alleen in de buitenlucht en hij rolde zo de helling af.
Gelukkig was het niet zo diep. Maar hij riep dat hij wilde verdrinken.
Dat lukt hem toch niet zonder hulp. En wie helpt er nou bij zoiets?
Dus trokken ze hem op de kant. Hij had niet eens natte voeten.
Mijn god, wat zeg ik nu toch weer? Hij heeft helemaal geen voeten.
Hij heeft helemaal geen voeten.
Stil nou, Vi. Je hebt nog een kind en zij heeft je nu nodig.
Z'n voeten, zei ik. - Hou toch je mond, Vi.
We waren je al kwijt. Je bent al de hele dag weg.
Ga hier maar even zitten. Iets warms, Starr. En wat brandy.
Ik ben haar hierheen gevolgd. - Ga toch naar huis, pa.
Eerst zeker weten of het wel gaat. - Ja hoor, het gaat prima.
Ik ben alleen moe. - Er is meer aan de hand.
We hebben overal gezocht. Ik had bijna de politie gebeld.
Wij wisten van niks. - Ze was bij ons.
Charlies advocaat is er.
Ik wil het niet weten. - Hij heeft op je gewacht.
Ik wil het niet weten.
Maar je moet dit lezen. Stom van me. Morgen is tijd genoeg.
Stom, ik dacht dat het iets uit zou halen.
Mag ik die brief? Die moet ze nu echt lezen.
M'n hele leven... - Ga naar huis.
M'n hele leven heb ik me nergens mee bemoeid.
Ga toch naar huis, pa.
Je moeder maakt me het leven zuur. - Ga naar huis.
Nee, ik ga niet naar huis totdat jij weer bij zinnen bent.
Daarvoor is het te laat. - Dat denk ik niet.
Straks komt mama je nog halen. - Jij kwam vanavond om hulp vragen.
Al heb je dat misschien zelf niet door. En ik zal je verdomme helpen.
Je gaat deze brief nu openmaken en lezen wat erin staat.
Eerder ga ik hier niet weg. En morgen ga je verder met je leven.
Kom op.
Ga zitten en maak open.
Maak open, Louisa. Ik meen het. Maak open of je krijgt een optater.
Ben jij ook al een sergeant-majoor? - Maak open.
Lieve Louisa, als je dit leest is de oorlog wel of niet voorbij.
Deze brief is gericht aan m'n geliefde, die ik beschouw als mijn echtgenote.
Mijn eeuwige grote liefde.
Het hek is zogezegd van de dam. Die brief gaf de doorslag.
Geen idee wat erin stond, maar het gaf de doorslag.
Ik vermoedde al dat er zoiets in die envelop zou zitten.
Moet ik niet... - Laat haar maar even alleen.
Misschien kunt u nog even hier blijven. - Maar natuurlijk.
Dan moest ik maar eens gaan. M'n vrouw is vast erg ongerust.
Starr, roep even een taxi.
Normaal ben ik niet zo streng. - Streng?
Ja, ik heb haar nog nooit zien huilen. Het is een harde tante.
Heeft u een sigaret voor me?
Turkse. - Bedankt.
Eigenlijk rook ik niet, maar soms moet je. Net als huilen.
Ik heb voor het laatst gerookt tijdens m'n huwelijksnacht.
In de badkamer. Vi was nogal... Nou ja, ik heb even rustig staan roken.
Ik voelde me meteen beter.
Ik denk aan jou, daar in ons hotel. Nooit wanhopig, altijd maar doorgaan.
Die gedachte houdt me op de been. Ik zit hier in deze loopgraaf...
...doornat, als opgejaagd wild. Ik hoor je lach en zie je mooie ogen.
Je mag het nooit opgeven, lieverd. Nooit.
Je moet het geld gebruiken. Zet het niet zomaar op de bank.
Herstel het hotel in z'n oude glorie. Net als wij, die eerste keer.
Weet je nog dat we meubels kochten? Mijn piano. Wat waren we nog jong,
Gebruik het geld, liefste. Gebruik het.
Om u op de hoogte te stellen... Veertigduizend pond...
Mevrouw. - Ik had honger.
M'n tante heeft een kruik nodig. - Wat doet die hier?
Die is erg ziek. Ze heeft de griep.
Ben je de hele nacht op geweest? Zo zie je er wel uit.
Volgens mij gaat ze dood, mevrouw. - Hoe bedoel je?
Ze eet niet, wil niet beter worden. Volgens mij wil ze dood.
Hoezo: wil ze dood? - Ze heeft niks meer. Geen werk, niks.
Ze werkt hier toch? - Niet lang meer. Dan heb ik niemand.
Ze gaat niet dood. En zeker niet in mijn hotel.
Ik heb genoeg van de dood. Waar is ze?
In de kamer van Ethel. Maar ze is al helemaal koud.
Ik warm haar wel even op. Leven zal ze. Kom mee.
Wat hoor ik nou allemaal? - Zo wreed.
Wreed? Ik ben niet eens begonnen. - Ons werk afnemen.
Kom eens zitten. Van liggen wordt u niet beter.
Meer kussens, Mary.
Dat is beter. Op uw leeftijd moet u niet liggen.
Dan heeft u zo een longontsteking. - Ga weg, ik wil dood.
Er gaat hier niemand dood. Wen er maar vast aan.
Ik heb u nodig hier in mijn hotel. Niemand naait zo goed als u.
U geeft om de lakens en slopen. En de gordijnen in kamer 6, toch?
Maar ze zeiden... - Vergeet dat nou maar.
Drink eerst maar eens lekker thee. Straks krijgt u wel wat lekkers.
Kijk eens aan.
Ik word al beter, niet? Wie is daar? Mrs Trotter?
Speel ik niet al beter? Ik kan zo in de bioscoop gaan werken.
De tijd zal het leren. Je kunt altijd wel wat doen.
Een werkend mens moet weten hoe laat het is.
Dank u wel. Het is kwart voor elf, niet?
Of niet soms? - Jawel.
Het was ooit van een geliefde. - Wat lief van u.
Ik hoorde dat je braille leert. - Ik doe het nooit meer weg.
De tijd wacht op niemand. Ik heb werk te doen.
Wat denk jij, Starr? - Beetje pips, maar wel opgewekt.
Opgewekt, ja. - Ze zorgt voor Mrs Davies, hoor ik.
Ik durf een beetje hoop te hebben. Echt waar.
Laten we niet te vroeg juichen. - Nee, maar toch. Een beetje hoop.
Mary slaapt uit, dus naar de keuken jij. Wat doe jij hier? Even wachten.
Ik zit op u te wachten. - Jou heb ik net nodig.
Vraag Mrs Cochrane in de keuken om wat te eten voor Mrs Davies.
Ze ligt in jouw oude kamer. - Goed.
Weet je zeker dat je kunt werken? - Ja.
Daar kun je de oorlog mee winnen. Haal maar even een schort.
Merriman, ik wil om elf uur koffie. - Ja, mevrouw.
De personeelsingang is achterom. - Ik heb een afspraak met Mrs Trotter.
Hoe is uw naam? - Holdron. Holdron en zoon.
U bent dus personeel. - Het is in orde.
Deze man hier... - Is Mr Holdron, niet?
Ja, en dit is de zoon: Jean. - Dat is nog eens een mooie zoon.
M'n beide zonen zijn gesneuveld, dus Jean moet het bedrijf overnemen.
Het is al drie generaties in de familie. - Meent u dat nou?
Dat mag niet zomaar verloren gaan. Dus Jean moet een loodgieter trouwen.
Wat kan ik voor u doen? - Alles moet geschilderd.
Pak je boekje. Houdt u van modern? - Nee, alles moet bij het oude blijven.
Opknappen en vervangen waar nodig. - Wilt u een offerte?
Ja, kunt u nu even kijken? - Ja. Boekje klaar en niks vergeten.
Kunt u zo snel mogelijk beginnen? - Dat wordt wat moeilijk.
Oom George en ik staan er alleen voor. Jean is nog niet volledig ingewerkt.
Begin maar met het toilet hierboven. Dat trekt niet goed door.
Helaas zijn we voorlopig nog niet thuis, Mary.
Harrogate heeft ons stevig in z'n greep.
We zullen moeten wachten. Mrs Trotter is stil of kort van stof.
De meeste gasten zijn al beledigd doordat ze hen niet herkent.
Ik zal het uitleggen.
Toen we aankwamen wilde Mrs Trotter het dorp zien.
Zo snel mogelijk. En liefst nog sneller.
VOOR CHARLIE GEEN AFSCHEID
Dit is het dan, mevrouw.
Het ruikt vochtig. - Helemaal niet.
Maar Mrs Richards doet haar werk inderdaad maar half.
Altijd smoesjes dat ze 'ziekjes' is. Ze denkt zeker dat ik gek ben.
Fijn dat u me zo binnenlaat, Mrs Ord. Zeker gezien de laatste keer.
Wat was dat nou? - Een enorme mot.
Motten, vocht. Er zitten hier geen motten, mevrouw.
Herinnert u zich dat kistje nog dat altijd hier op het bureau stond?
Jazeker. - Waar is het? Ik mocht het hebben.
Dat weet ik zo net nog niet.
Ik hou niet van gesnuffel. Charles zou dat ook niet willen.
Mensen die hier rondsnuffelen, achter z'n rug om.
Eerlijk gezegd kom ik hier ook niet graag nu het leeg is.
Het huis staat nu al jaren leeg. Er is niets triester dan een leeg huis.
Ik zal naar dat kistje zoeken. Dat heb ik vast ergens opgeruimd.
De sleutels zitten nog in de deur, raar mens.
Komt u naar de dienst? - Ik ga nooit meer naar de kerk.
Dit is een herdenkingsdienst, volledig in de open lucht gehouden.
Over mijn lijk.
U kwam wel naar die andere dominee. - Zijn preek vond ik ook niks.
Wat een vrouw.
Dit is beter dan verwacht. - Doe maar net of ik er niet ben.
Ik had al gehoopt u vandaag te treffen. - Leuk u te zien, dominee.
Mr Enfield, dit is een oude vriendin, Mrs Louisa Trotter.
Hij is de executeur testamentair, dat stond vast ook in de brief.
Inderdaad. - Leuk u te ontmoeten.
Wederzijds.
Nanny heeft de sleutels weer mee, die waren voor u bedoeld.
Ze zal zich wel weer beledigd voelen. - Er is niks veranderd, hoor ik al.
Ze helpt mij nu een handje, nu ze hier niet meer werkt.
Zij het met tegenzin. Maar ze is nogal afwezig geworden.
Zo wil ze niet geloven dat Lord Haslemere dood is.
Laten we bij mij thuis koffiedrinken. De dienst begint pas over een uur.
Mr Enfield? - Ja, graag.
Charlies oom, Lord Henry Norton is vandaag bij mij te gast.
Die ken ik nog van m'n eerste baan. - Geen wonder dat hij u nog kent.
Hij vervangt de echte erfgenaam. Die is nog ergens ver weg.
Waar is hij eigenlijk? - Canada, voor zover we weten.
Ik wil geen plezier of een lui leven, mooie spullen zijn me om het even.
Werk houdt me puur van aard, en eens wil ik mijn eigen haard.
Een man die altijd thuis komt eten, dat mag de hemel op aarde heten.
Mrs Ord vergeet dingen selectief. Dat lijkt me ook wel wat.
Wat? Slechte dingen vergeten? - U bedoelt zeker alle gesneuvelden?
Dankbaar zijn voor de overlevenden? - Zoiets, ja.
Maar dat is haast onmogelijk als we de doden blijven aanbidden.
Om aanbeden te worden is dood zijn niet genoeg.
Echt? Degenen die terugkwamen willen het liefst vergeten...
...terwijl de thuisblijvers het liefst alles willen herdenken.
Dat leek me nogal ironisch.
Nou jongen, ik hou wel van een mooie herdenkingsdienst.
Of een mooie begrafenis. Volgens mij moet je rouwen voor je kunt vergeten.
Dat zal best. Maar ik begrijp Mr Enfield wel.
We idealiseren dit alles te veel.
Ik mis Charles. We zagen elkaar veel na de tragische dood van z'n vrouw.
Ik dacht: je bent nog een jonge vent. Verman je en begin een nieuw leven.
Maar ik kon hem niet helpen. Misschien lag het aan dit oord.
Volgens mij had u meer succes, Mrs Trotter.
En toen brak de oorlog uit. Ik heb hem nooit meer gezien.
Ik had met Charles te doen na de dood van Margareth.
Mijn eigen vrouw is ook jong overleden.
Al dat gedoe over trouwen. - Ik zou best willen trouwen, hoor.
Maar we mogen nu toch stemmen? - Vrouwen als wij toch niet?
Kom op, Lottie. We komen te laat.
Jij hebt vast goede ogen.
Staat hier nou 'het is mij een grote eer'...
...of 'het is mijn grote eer'? - 'Het is mij een grote eer vandaag...'
Houdt u van tekenen? - Die zijn van Lottie Richards.
U weet wel, dat vieze brutale kind. - Ja, dat weet ik nog wel.
Ik geef haar soms les. Muziek en zo. Het is een slim en levendig kind.
Van Charlie moest ik een beetje op haar letten, nu haar vader dood is.
U moet me maar eens bijpraten. Charlie had altijd een zwak voor haar.
Dat weet ik nog wel. Ik hou zelf ook een oogje in het zeil.
Maar wat houdt dat precies in: een beetje op haar letten?
Ik zal moeten uitmaken wat Charlie ermee bedoelde.
Sorry, ik moet nu echt gaan.
Nooit gedacht aan hertrouwen? - Ik heb Carry nooit kunnen vergeten.
Ik had wel graag zonen gehad, maar die had ik nu kwijt kunnen zijn.
Laat ons herdenken en toevertrouwen aan onze Heer...
...de Herder van onze zielen, de Schepper van het eeuwige leven...
...diegenen die vielen voor god en vaderland.
Laten we vooral diegenen herdenken, die ons ontvallen zijn.
Hun afwezigheid treft ons allen diep, maar vooral hun geliefden.
Samuel Richard Ayscough, Joseph Markham Ayscough...
...William Dodds Bell, James Phillip Courtney...
...William Clarence Courtney, Joseph Courtney...
...John Stanley Richards, Gerrard Thirkell...
...en Charles Wyndham Tyrrell, burggraaf Haslemere.
Zij zullen nooit oud worden zoals wij.
Ouderdom zal hen niet raken. Voor hen tellen de jaren niet.
Bij zonsondergang en bij zonsopgang zullen wij hen herdenken.
Het is mij een grote eer om vandaag deze gedenksteen te mogen onthullen.
Deze is door de dorpelingen met liefde en dankbaarheid opgericht...
...voor diegenen die gevallen zijn.
Een eerbetoon van de levenden aan de doden.
Opdat wij nooit zullen vergeten.
Mrs Trotter, kent u me nog? - Ja, je was toen drie turven hoog.
Jij bent meer veranderd dan ik. Ik ken je nog wel, ja.
Majoor, dit is Lottie Richards. - Tot genoegen, liefje.
Waar is je moeder? - Die vindt dit niks. Moet ze van huilen.
Wat een lief kind. - Dat blijft u maar zeggen.
En ze lijkt me gelukkig. - Haar soort doorstaat elke storm.
Ze krijgt zelfs les van de dominee. - Oh ja? Wat een slimme meid.
Jullie zijn ook allemaal hetzelfde. Ze is jong en mooi en dat weet ze.
Met een lach krijgt ze alles gedaan.
Dat zei Nanny ook over Charlie.
Voel je je wel lekker, Louisa? - Ik ben gewoon moe.
Ik voel me de hele dag net een geest. Toen ik bij het graf van Charlie stond.
Toen ik in dat huis rondsloop. En bij die herdenkingsdienst.
Ik hoor hier gewoon niet.
Dat we hier wilden gaan wonen. Lange neus naar al die chique dames.
Maar dat doet er allemaal niet meer toe.
Wat moet ik nu toch doen, majoor? - Hoe bedoel je, liefje?
Dat lieve kind, zoals u dat noemt. - Wat voer jij in je schild?
Lees Charlies laatste brief maar eens. Vooral het laatste stukje.
'En dan is er nog onze dochter...' - Luider. Dat kunt u toch wel?
'Nu Will Richards dood is, maak ik me zorgen om haar.'
'Elsie was nooit zo betrouwbaar. Hou jij een oogje in het zeil, liefste?'
'Doe maar wat jou goed lijkt. Mogelijk is ze helemaal gelukkig...
...maar ik voel me er beter bij als jij een beetje op haar zou letten.'
Nou? - Ze lijkt me gelukkig.
Val toch niet zo in herhalingen. - Ik zou de moeder opzoeken.
Kijken hoe het thuis is. - Zoiets had ik al verwacht.
Wat Lottie Richards betreft wil ik graag afstand bewaren.
Ja, dat is het. Voorzichtig. Zie je het?
Dat is de helmknop.
Jou ben ik vergeten, jongedame.
Heeft er iemand een mooi ingelegd kistje gezien?
Nee, zoiets heb ik toch niet? - Het is van Lord Haslemere.
Wat doet het dan hier? - Ik kan het hier neergezet hebben.
Hoezo? - Ik kan het nergens vinden.
En ze wil het hebben. - Wie?
Die uit Londen, hoe ze ook heet. - Mrs Trotter.
Wat moet ze ermee? - Weet ik veel.
Er is maar één kopje. - Geeft niks.
Wat moet Lottie hier toch mee? Het wordt toch nooit wat met haar.
Ik blijf heus geen koeien melken.
En wat wil mevrouw dan? - Zo snel mogelijk hier weg.
En Lottie? Heeft Nanny gelijk? - Natuurlijk niet.
Alles is nu anders, ook al valt het blijkbaar niemand op.
Ik moet het kerkzilver gaan poetsen.
EERT UW VADER EN UW MOEDER
Longontsteking, Mrs Richards? - Ja, ik kom er nooit meer overheen.
Nooit. Dat gevoel gaat nooit over. Dat hij er niet meer is.
Het leven wordt moeilijk als de kostwinner overlijdt.
Zeker als je nog een kind hebt. - Lottie is toch geen kind meer?
Werkt ze nog niet? - Ze melkt koeien bij de Courtneys.
Is het een braaf kind? - Braaf? Echt niet, nooit geweest.
Dat woord kent ze echt niet.
Bent u hier voor de herdenking? - Ja, dat klopt.
U was bevriend met Lord Haslemere. - Inderdaad.
Ik wil u graag helpen. - Het valt niet mee zonder kostwinner.
Lottie lijkt me een intelligent kind. - Bijna niks te eten.
Wat zou ze graag doen? - Wie?
Lottie. Wat wil ze met haar leven? - Niks, zover ik weet.
Niks? U weet het gewoon niet. Volgens mij wil ze dansen en zingen.
Of koken, zoals ik. In Londen. - Waar heeft u het over?
Het leven hier is hard. Wat moet ik zonder Lottie?
Ze kan toch moeilijk hier blijven. - Hoezo? Dat overleeft ze heus wel.
Met een beetje extra geld kan het leven hier best goed zijn.
Een keer poetsen zou zeker geen kwaad kunnen.
Dag, Mrs Richards.
Dat ze zich hier nog durft te vertonen. Ik herinner me haar maar al te goed.
Niks als problemen met die vrouw. Wat spookt ze nou weer uit?
Die trut ontvoert haar gewoon. Wat moet ik nu toch doen?
U bent een hardvochtig man. - Als jongeman was ik erg romantisch.
Ik las te veel Poe en luisterde naar sentimentele muziek. Erg ongezond.
Ik had het toen niet zo door. Ik was jong en het was erg in.
Hopelijk bent u nog steeds romantisch. Niks erger dan een cynische romanticus.
Goed punt. Maar kan een romanticus ook realistisch zijn?
En heb je dan realistischere dromen of werk je er gewoon harder voor?
Als mijn dromen uit dreigden te komen ging ik er als een haas vandoor.
Ik was zo'n beetje hetzelfde. Ik wilde de koningin dienen.
Maar toen ik opgeroepen werd zat ik doodsbang op zolder.
Ik wilde echt niet. - Maar u ging toch?
Ik had geen keus. M'n moeder huilen. Ook toen ik weer thuiskwam.
Elsie, wat is er? - Die vrouw heeft haar ontvoerd.
Wat zeg je nu? Doe eens rustig. - Ik heb het zelf gezien.
Ze duwde haar in de auto en ging ervandoor.
Louisa zou Lottie ontvoerd hebben? - Dat lijkt me wel.
Hoogst onwaarschijnlijk. - Kalm aan, Elsie.
Waarom zou Mrs Trotter zoiets doen? - Hoe moet ik dat nou weten?
Al die drukte over een taxiritje. Wat is er met jullie?
Mijn lieve kleine meid. - Wat is er, mam?
Ik dacht dat je weg was. Dat die vrouw je gestolen had.
Zoiets zou ik nooit doen, Mrs Richards. - Waar was u dan mee bezig?
Niet huilen, mama. Alsjeblieft? - Net als toen Will z'n aanzoek introk.
Hij heeft haar toch weer gevraagd, anders had hij geen rust.
Echt wat voor jou om dat te onthouden, terwijl je hartstikke dement bent.
Ik wilde u niet laten schrikken. Lottie is nu toch veilig?
Maar wat heeft u haar wijsgemaakt? - Je was altijd al een onnozel wicht.
En nu je alleen bent, wordt het erger. Kom op, naar huis jullie.
Bedankt voor het ritje, mevrouw.
Wat een sneu mens.
Schaak.
Stadsmensen zijn wispelturig. Hier is niet veel veranderd.
Mensen zijn nog net zo eerlijk en hardwerkend als vroeger.
Dat is in Londen wel anders. Mat?
Wat ben je stil, Louisa. - Ja.
Wat is dit? - Nanny's sjaal. Zeker weer vergeten.
Ze vergeet tegenwoordig alles. - Ze heeft geen idee wie ik ben.
We hebben elkaar nooit gelegen. Mogelijk begrijpen we elkaar nu beter.
Ik weet waar ze me aan doet denken. Ik had ooit een terriër die op haar leek.
Ze is minstens zo vasthoudend.
Wat zijn uw plannen voor Lottie? - Ik heb niks voor haar gepland.
Ze is niet mijn verantwoordelijkheid. Ik dacht dat u plannen voor haar had.
Ze woont in een varkensstal. - Nu overdrijft u.
En dat mens is altijd dronken. - Onzin, Mrs Trotter.
U bent er niet meer geweest sinds haar man dood is.
Kun je haar niet wat geld geven? - Het moderne tovermiddel.
Jij kent die magie maar al te goed.
Ik neem Lottie mee naar Londen. Zo zou Charlie het gewild hebben.
Met u mee? Maar waarom dan? Ik begrijp er niks van.
Zulke drastische maatregelen lijken mij niet direct nodig.
Volgens u zou Charles gewild hebben dat Lottie meegaat naar Londen?
Weet u nog dat hij Lottie als baby naar de Richards gebracht heeft?
Ik geloof niet dat hij gezegd heeft waar ze vandaan kwam.
Ze was ons kind. Van Charlie en mij.
En na al die jaren wilt u haar nu weghalen.
Maar ze hoort hier nu thuis. - Ja, oost west, thuis best.
Een stal. Een schuilplaats. Een droge plek.
Denkt u niet wat te materialistisch? - U verbaast me, dominee.
Lottie is Charlie Haslemeres dochter. Ik probeer zijn wensen te volgen.
Ik weet niks van dat moedergedoe. Maar ze is nu toch oud genoeg.
Op haar leeftijd was ik zelfstandig.
Denk je niet dat je haar moet inlichten? Dan kan ze zelf een keuze maken.
Nee, ze hoeft nog niet te weten wie ik ben.
Probeert u niet uw eigen geweten te sussen?
Ik heb geen last van m'n geweten. Ik heb geen spijt van dat met Charlie.
We zouden na de oorlog trouwen. Maar de oorlog duurde helaas te lang.
Nou, nu weet u het dus. Dat is stof tot nadenken, niet?
Tijd om te gaan, majoor.
Ondanks alles heb ik in jaren niet zo'n lekker potje geschaakt.
Ik ook niet, majoor. Dat moeten we snel nog eens doen.
Staat u mij toe.
Wel thuis.
Nanny, ik dacht dat u naar huis was. - Ik wilde net gaan.
Welterusten. - Welterusten, Nanny.
Wel verdorie.
Waar is Lottie? - Die komt blijkbaar niet.
Vooruit, die heeft u zo graag. - Wat weet u ervan?
Ik maak toch wel vaker koekjes? - Lottie, bedoel ik.
Het deugt niet, dat weet ik wel. - U moet niet zo roddelen.
Misschien. Maar ik heb gezien hoe u naar haar keek.
Hoe ik naar wie keek? - Lottie. En dat op uw leeftijd.
Waar heeft u het over? - Dat weet u best.
U bent een wantrouwige ouwe heks. - Kan wel zijn.
Maar het is beter dat ze hier weggaat.
Naar Londen, met Mrs Trotter? - Ik heb die vrouw nooit gemogen.
Dus u kent haar nog wel? - Soms wel, soms niet.
En hoe zit het met de sleutels? - Wat is daarmee?
Die zou u aan Mr Enfield geven. - De grote bos, ja.
Dus u heeft nog een kleine bos? - Nee.
Maar wel een sleutel? - Eentje maar, van de zijdeur.
Dat mensen me daarmee niet eens meer vertrouwen, zeg.
Daar gaat het niet om, Nanny.
Valt het u op dat alles hier zo oud is?
Geen jonge, frisse of nieuwe dingen.
U woont hier nu al zo lang. Zonder vrouw die overal voor zorgt.
En die vrouw dan? Hoe heet ze ook weer?
U mocht haar toch wel? - Klopt. Fijn mens.
Maar als voogd voor een jong meisje? U wilt toch niet dat ik met haar trouw?
Ze zou u niet eens willen, denkt u wel?
Dominee, ik kan Lottie nergens vinden. Echt waar niet.
Gisteren was ze er nog, maar vanmorgen was ze weg.
Misschien is ze bij Liz. - Ze is bij die vrouw. Altijd problemen.
Kom nou, Elsie. Ik zoek zo wel even. Lottie had het nooit mogen weten.
Weet ik. Mrs Ord heeft alles verteld. En Lottie was nog wakker.
Maar ik had het moeten weten. Wat denkt ze wel niet van me?
Ik heb dat kind opgevoed. Haar liefde gegeven en verzorgd.
Zij heeft Lottie in de steek gelaten. - Maakt u zich toch niet zo druk.
We vinden haar wel. Ze moet toch ergens zijn?
En je moet stoppen met drinken. - Ik drink af en toe maar een druppel.
Lottie was altijd al een dondersteen. Die zit vast wel ergens, geen zorgen.
Ik hoop dat u gelijk heeft. - Natuurlijk.
Dat kistje zit vast niet in dat bureau. Maar waar heb ik het dan gelaten?
Hier is het zeker niet, Mrs Ord. - Wacht, ik weet het alweer.
Wacht. Ik hou er niet van als mensen hier rondsnuffelen...
...als Lord Haslemere er niet is.
Ik keur uw plannen voor Lottie goed. - Daar ben ik blij om.
Toch goed om te weten dat er iemand aan uw kant staat.
Hoe weet u wat mijn plannen zijn? - Dat weet toch werkelijk iedereen.
Blij dat ik niet in een dorp woon. Dus ik zie er hulpbehoevend uit?
Ja, misschien wel. U ziet eruit alsof u al te lang onafhankelijk bent.
Dat ga je na een tijdje zien. - Dat zou best kunnen.
U bent opvallend eerlijk. Heeft u naast Lottie nog tijd over?
Zit u achter m'n geld aan, Mr Enfield? - Misschien.
Het ontbreekt u aan zelfvertrouwen. - Maar ik heb genoeg mensenkennis.
Ik had het meteen te pakken. Daar is het dan eindelijk, Mrs Trotter.
Kom op, Mr Stanfield. U wilt vast wel even alleen zijn.
Kom, dan gaan we koffie drinken bij de dominee.
Waar heb jij gezeten? - Boven, in de kinderkamer.
Daar zat je vroeger altijd. Op dat hobbelpaard.
Ik schrok me dood. - Sorry.
Kom, ik wil je iets laten zien.
Raar, hè?
Ik wil je even goed zien.
Lord en Lady Haslemere. Dat vond ik vroeger net een sprookje.
Ik weet nog dat u kwam, toen Lady Haslemere ziek werd.
Ik weet nog dat ze overleed. Uw schuld, dacht ik.
Natuurlijk niet.
Luister eens, jongedame. Jij en ik weten niks van elkaar.
Maar we zijn wel moeder en dochter. Elkaars vlees en bloed.
Ik wil je een goede start geven. - Waarom?
Zodat je een goede kans hebt. - U heeft het ook gered.
Gered, ja. Ik heb het gered, maar het viel tegen.
Het viel bitter tegen.
Ik wil dat je meegaat naar Londen. Dat zou je vader vast gewild hebben.
Maar ik woon hier al heel m'n leven. - Je lijkt wel een oud wijf.
Nanny wist zeker dat je hier zat?
Als kind was ik dol op Lord Haslemere.
Hij werd nooit boos op me als ik daar zat, op het hobbelpaard.
Ga toch weg. U heeft alles verpest.
Als je me nodig hebt, ik zit in het hotel in Harrogate.
Het was een droom, maar het leek net echt.
Ik zat vannacht in de kinderkamer. Toen zag ik Mrs Trotter binnenkomen.
Ze keek zo droevig. En ze was lijkwit.
Ze keek me zo vreemd aan. Tussen haar ogen zat een zwarte mot.
Ik wilde hem wegjagen, maar ik kon hem niet aanraken.
Zo bleef ze nog een tijdje kijken, maar ze zei niets.
En toen ging ze gewoon weg.
Je hebt ons allemaal flink last bezorgd de laatste paar dagen.
Dank je wel.
Heeft u vannacht niet geslapen? - Nee. Bedankt.
Kijk niet zo zelfingenomen.
Ben ik niet. Ik voel me rot. Ik weet niet wat ik moet doen.
Ik moet aan m'n vader denken. Nou ja, de vader van wie ik hield.
Met hem kon ik praten. Was hij nu maar hier.
Je moeder wordt goed verzorgd. Liz gaat er iedere dag heen.
Ik wil hier niet weg. - Maar dat riep je toch altijd zo hard?
Weet ik, maar nu wil ik niet meer. - Niemand zal je dwingen.
Maar als je hier blijft, hoe zie je jezelf dan in de toekomst?
Fantaseren was leuk. Maar nu is alles verpest.
Waarom? Je kunt toch trots zijn op je ouders?
En je was toch al dol op je echte vader. - Dat zal dan wel.
Het viel ze vast zwaar om jou af te moeten staan.
En één ding is zeker: dit hier zou niet eeuwig duren.
Het zou veranderen, net zoals jij. Je zou al heel snel zeggen...
Jij zou zeggen...
Als meisje fantaseerde ik over Londen en allerlei gekke, spannende dingen.
En dan zou je lachen. Mensen lachen om wie ze ooit waren.
Alsof ze geen spijt hebben.
Voordat je een keuze maakt, moet je nog één ding voor me doen.
Koffie voor me zetten.
Was u bezorgd om me? - Ja.
Natuurlijk was ik bezorgd om je.
Ik vraag me steeds af waar ik mee bezig ben.
Wat moet ik met een meisje als zij? Straks neemt ze m'n hele leven over.
Mogelijk gaat het niet door. Ook al wil je haar wel.
Er is iemand voor je. - Niet nu, ik moet dit nog opruimen.
Wie is het? - Spedding, zegt hij.
Volgens mij was hij vorig jaar hier. Ik zeg wel dat hij terug moet komen.
Laat hem maar binnen.
En stuur die schilders weg. Mrs Trotter komt zo, met een gast.
Komt u maar verder.
Brian. - Goed onthouden.
Natuurlijk. Leuk je te zien. Ga toch zitten.
Ben jij nu de baas? - Nee, dank je wel.
Ik ben nu de beheerster. Mrs Trotter is de baas.
Ze is naar de herdenkingsdienst voor Lord Haslemere. Weet je nog?
Jullie zaten in zijn kamer. Na jouw vertrek is hij plots overleden.
Ik dacht dat je gesneuveld was. Daar was je toch zo zeker van?
Misschien ben ik wel een geest. Dat zou toch kunnen?
Je had wel eens mogen schrijven. Kom je je viool ophalen?
Ik heb hem bewaard. Hij is wat stoffig. Ik ga hem wel even halen. Zo terug.
Heb je een kopje thee voor me? - Natuurlijk.
Laat Mr Merriman een pot thee en wat koekjes brengen.
Ivy, maak je kamer 16 klaar? Mrs Trotter heeft een gast bij zich.
De koekjes zijn op. Hij wil een broodje. - Dat zult u dan zelf moeten maken.
Hij is uitgehongerd. Een broodje. - Zij heeft het druk.
Wil hij z'n viool terug om op straat te gaan spelen?
Ethel toch. - Dat heb ik zelf gezien.
Hopelijk houdt Mary de boot af. Anders komen ze allemaal hier.
Ik heb met die veteranen te doen. Ik hoor dat ze zelfs als ober werken.
Daar is niks mis mee. - Kom hier, ik doe het wel.
Beter zo? Wanneer heb je voor het laatst fatsoenlijk gegeten?
Wat heb je gedaan sinds je terug bent? Nou, dan zeg je toch lekker niks.
Wat heb je eigenlijk gedaan? - Van alles.
Kon je moeilijk aan werk komen? - Ja. Nu heb ik een baan als violist.
Dat is mooi. Bij een orkest? - Niet echt. Een band bij de thé dansant.
Ik kom een keer luisteren. - Niks voor jou.
Ik kan best voor mezelf zorgen. Waar is het?
Victoria, achter het station. Treinen op de achtergrond, dus.
Het is een begin. Niks om je voor te schamen.
Je speelt prachtig. Je hebt echt talent. Jij komt nog in de Albert Hall.
Was het erg in Frankrijk?
Ik zocht je naam iedere dag in de krant. - Ik was slechts één van de velen.
Heb je die weg ooit nog gezien? Waar je dacht te sneuvelen?
Dat had je goed mis. Je kunt dus niet in de toekomst kijken.
Ruim drie kilometer van St Quentin. Zonsopgang. Regen. Stilte.
We rekenden nergens op. We waren aan de winnende hand.
Alles was zoals ik me had voorgesteld. De bocht, de struiken, het korenveld.
Ik was samen met Reynolds. - Uit Wales. Die hier toen ook was.
We liepen de weg op. Een konijn lag gewond in een greppel.
Ik stopte om te kijken. Reynolds liep verder.
Toen was er een explosie. Ik werd weggeblazen, tand gebroken.
Ik heb nog naar Reynolds gezocht, maar er was niks van hem over.
Boobytrap. Het konijn was ook dood. Door de schok, denk ik.
Juiste plek, verkeerde persoon. Daarna leek alles ineens zo zinloos.
Maar jij leeft toch nog? - Puur mazzel.
Ik eet nooit meer konijn. M'n beste vriend, het konijn.
Je zult het moeten vergeten, Brian. Ik zal je helpen, als je dat wilt.
Starr? De koffers. - Ja, mevrouw.
Ik moest maar eens gaan. - Zijn die schilders hier nou nog?
Kent u luitenant Spedding nog? Hij komt z'n viool halen.
Hij wilde net gaan. - Telegram ontvangen?
Wat is dit allemaal? - Daar had ik geen tijd meer voor.
Laat maar. Kom eens even mee.
Welkom in hotel Bentinck. Niet verlegen zijn.
Mary, dit is Lottie Richards. Ze komt hier een poosje logeren.
Miss Phillips. - Hoe gaat het?
Hebben we een kamer voor haar? - Kamer 16.
Heel goed. Ruim de theespullen af en haal een fles wijn voor ons.
Opschieten.
Dit is Starr, de portier. En de eigenaar van de hond.
Het is een lief beestje. - Straks. Miss Phillips helpt je wel even.
Deze kant op. - Dat doe ik wel.
Wat ben ik blij dat u terug bent. Excuseert u me.
Het is een bende met al die schilders. - Geen tijd, Saffron.
Wat een lief kind. Van u, majoor? - Wat? Hemeltje, nee zeg.
Gewoon een meisje uit Bishopsleigh in Yorkshire. Excuseert u me.
Kom binnen.
Naar je zin? - Is dit allemaal voor mij?
De badkamer is in de gang. - M'n eerste eigen kamer.
Echt? Waar woonde je dan eerst? - In een dorpshuisje, bij m'n ouders.
Ik kom ook uit een dorp. In Wales. - Wat een stad, hè? Londen.
Gebouwen, mensen. Ik ken alleen velden en schapen.
Ik moest er erg aan wennen. Ik dacht dat hier geen bomen stonden.
En die herrie van auto's en bussen. - Vroeger had je paarden. Andere tijden.
Dat doe ik zelf wel. Het is toch niet veel.
Geen plek voor m'n tekeningen. - Niet echt, maar dat komt wel goed.
Mooi, zeg. Heb jij dat getekend? - Inderdaad.
Bedankt, Merriman. Hebben de schilders goed gewerkt?
Bijna klaar. Alleen beneden nog. - Dat is mooi.
Goed dat u de stijl behouden heeft. Het voelt als vanouds.
U moet ook nodig opgeknapt.
Hoe lang heeft u dat pak al? - Al best lang.
Tijd voor iets nieuws. Of niet, majoor? - Dat kan ik niet betalen.
Dat doe ik wel. Bedankt, Merriman. - Dank u wel, heel vriendelijk van u.
Zo, de eerste hindernis is genomen.
Wel een lastig parcours, niet?
Wat denkt u? Nogal geheimzinnig. - Niet als je goed kunt rekenen.
Ze is ongeveer zeventien jaar oud. Wat speelde hier achttien jaar terug?
Wie is daar? - Ik ben het, Mrs Trotter.
Wat is het hier donker. Zo, dat is al beter.
Best een leuke kamer. Max Beerbohm heeft deze ook graag.
Hij zit graag op de binnenplaats iedereen in de gaten te houden.
Hij is karikaturist en schrijver.
Moet je je moeder niet schrijven dat je goed aangekomen bent?
U bent m'n moeder. - Elsie dan, als je dat beter vindt.
Daar liggen pen en papier. Kom op.
Hoe moet ik u nou noemen? - De meesten zeggen Mrs Trotter.
Wat ze verder zeggen boeit me niet. - Dat kan toch niet? U bent m'n moeder.
Vorige week was Mrs Richards dat nog.
En Mr Richards was je vader. Of niet soms?
Zij hebben je opgevoed. Je kindertijd behoort hen toe.
Dat wil je toch niet verpesten? - Maar zij zijn hier nu niet.
En u wel, dat is het verschil.
Luister, ik weet dat dit raar voor je is. Het is voor ons allebei raar.
Maar laten we niks overhaasten. We moeten er samen uit zien te komen.
In dit huis is niets privé. Veel mensen hier kennen je vader.
Veel mensen zijn nieuwsgierig naar jou.
Dus laten we eerst eens doen wat we in de trein besloten hebben.
Goed?
Als je iets beters weet, dan hoor ik het graag.
Goed dan.
Jeetje, dit kan allemaal wel weg. Morgen gaan we iets nieuws kopen.
Lottie, ik heb het tegen jou. - Sorry.
Wil je soms wat eten? Miss Phillips brengt je wel wat.
Je vindt Miss Phillips toch aardig? - Ja.
Kom, ga die brief nu maar schrijven.
Kom, dat is toch nergens voor nodig?
Ze is boven met... - Miss Richards?
Ik raap het wel op. - Dank u wel.
Wil je wat drinken? - Beter van niet. Mrs Trotter.
Maar je bent nu toch de beheerster? En dat doe je echt heel goed.
Als je wat wilt drinken, moet je dat gewoon doen.
Ze houdt me graag kort en dat vind ik niet erg.
Dat komt ons allebei nog goed uit. Totdat er een jongeman voor me komt.
Waarom is dat nog niet gebeurd? - Aandacht genoeg...
...maar ik ben niet snel tevreden.
Maar genoeg daarover. Wat is er in Yorkshire gebeurd?
Iedereen heeft het erover en ik weet van niks.
Ik had je een brief geschreven waar alles zo'n beetje in staat.
Maar toen moesten we plots weg. Ik heb hem nog in m'n zak zitten.
Kunt u het niet gewoon vertellen? - Een brief is vaak makkelijker.
U mag zeker niks zeggen? - Daar heeft ze niks over gezegd.
Is het wat ik denk? - Ik vrees van wel.
Vreest u dat? Ik vind het geweldig. Ze zullen veel aan elkaar hebben.
Het lijkt me een leuk meisje. En ze lijkt op haar beide ouders.
Is het heus? - Ik zag het meteen.
Zoiets hou je niet geheim. - Dat zou wel moeten.
Waarom? Men kijkt nu anders tegen dat soort dingen aan.
De oorlog heeft veel veranderd. Vrouwen kunnen nu doen wat ze willen.
Dat deed Mrs Trotter toch altijd al. - Er zijn maatschappelijke regels.
Dat vinden de gasten hier belangrijk. - Die komen vooral die regels breken.
Het lijkt me niet slecht voor de zaken. Mrs Trotter maakt zelf de dienst uit.
Dus ze kan maar beter eerlijk zijn tegen het personeel.
Mr Merriman heeft het allang uitgerekend.
Eerst die zwerver met die viool en nou dit geroddel.
Zwerver met een viool? - Ze weet wel wie.
Je hebt het echt mis, Louisa. - Hier blijven, jij.
Je weet het. Net als iedereen. - Nee, dat is het probleem.
Ze raden maar wat. Dat lijkt mij een stuk erger.
Wat denkt u, majoor? - Het personeel moet het weten.
Dus daarom kletst u maar wat? - Nee, Mary zag de gelijkenis.
Met wie? - Jou en Charlie.
Ze heeft zijn lach.
Wat een onzin. - Het is waar, nu Mary het zegt.
Ga Starr en Merriman halen.
En Mrs Cochrane? - Die staat te koken. Alleen die twee.
Zal ik blijven? - Nee, ik handel dit wel af.
Om misverstanden of roddel voor te zijn: ze heet Miss Lottie Richards.
Dochter van het echtpaar Richards, werknemers van wijlen Lord Haslemere.
Haar vader is aan griep overleden en haar moeder is ongeschikt.
Ik heb haar meegenomen om Londen te zien.
Is dat duidelijk? - Ja, mevrouw.
En dat geloof je? - Absoluut.
U ook, Merriman? - Precies wat ik dacht.
Stelletje leugenaars.
Ze is mijn dochter. Lord Haslemere is haar vader.
Maar als iemand wat vraagt, vertel dan dat andere verhaal.
Niemand mag het verder weten, zelfs jullie eigen moeder niet.
Anders maak ik jullie af, begrepen? - Zeker, mevrouw.
U kunt ons vertrouwen, mevrouw. - Goed, bedankt.
Jij en de majoor moeten voor haar zorgen.
Zorg dat haar niks overkomt en hou haar alsjeblieft bezig.
Ik zal haar heus niet negeren. Morgen gaan we nieuwe kleren kopen.
Maar ik moet dit hotel ook nog leiden, begrijp je?
Ga nu maar. Ik heb hoofdpijn van deze zware dag.
Wat grijns je nou, Charlie?
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.