Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Portuguese (Brazil)
Punjabi
Quechua
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Lukt het? - Nee, en dat bezoek komt heel slecht uit.
Toe, je wacht al twee jaar op 'm.
Hoe is het? - Goed. En met jou?
Gorgonzola. - Parijse sloeber.
Spaghettivreter.
Rotzakken, schamen jullie je niet?
Waar bemoei jij je mee?
Wat is hier aan de hand? Wegwezen.
Wacht maar.
Paul. - Émile.
Dank je.
Dat was paniek. Je had ze goed tuk.
Batistin. En dit is Émile...
Zola. - Dat is geen Franse naam.
Een Italiaan uit Parijs en nog kippig ook.
Werkt je pa aan de dam?
Alle Italianen werken daar. - Hij is dood.
Is hij er ook afgevallen? - Hij was ingenieur. Hij had een longziekte.
Woont Paul hier? - Zoek je Paul Cézanne?
Hé, Italiaantje. Kom binnen.
Van m'n moeder. Om je te bedanken voor... - Ben je dan geen wees?
Ja, half.
Moet je zien.
Wie zal de eerste worden? Een hoer?
Een maagd? Een weduwe?
Ik leef weer. Die kleuren, die geuren.
Parijs is vreselijk. - Spoelen jullie je niet af?
Dag, Roze Hoedje.
Hij durfde haar niet eens te kussen. - De romanticus.
Tot morgen. We gaan naar zee, hè?
Tot morgen.
Gezakt voor m'n examen. - Is niet erg voor een dichter.
Ha, hartsvrienden. - Dag, Achille.
Paul, opschieten. - Wacht, Achille.
Waar ga je heen? - Naar Gilbert. Tekenles.
Jij kunt helemaal niet tekenen. - Daarom juist.
Parijs 1860
Ik heb er vier gevangen.
We kunnen eten.
Alsjeblieft. - En?
Heb je ontslag genomen? - Het is ploeteren in de gure kou...
in ruil voor een fooi. En als je opstapt, ben je ondankbaar.
De haven is niks voor jou, Émile. En je afspraak met meneer Hachette?
Daar was het tenminste zonnig.
Geen brief?
Je mist hem, hè?
Hij wil weg uit Aix, en ik wil terug. Hoe ironisch.
Hoe oud ben je, mam?
Ik word binnenkort veertig.
'Je vader zegt: Met talent sterf je, met geld eet je.
Luister niet naar hem. Zeg daarentegen:
Sluit me niet op in uw bank, daar stik ik.' Enzovoort, enzovoort.
'Je vriend Zola.'
Ik heb dat armoedzaaiertje nooit gemogen. Hij is niet eens Fransman.
Een slechte invloed op Paul.
'Ik droomde laatst dat ik een prachtig boek geschreven had...
dat jij schitterend geïllustreerd had.
Onze namen in goudopdruk...
gebroederlijk en onafscheidelijk voor het nageslacht.'
Mooi toch?
Ik was naar de rivier met Batistin.
Wat betekent 'op z'n Arabisch'? - Dat slaat op Émile in Parijs.
Om te kunnen eten heeft ie z'n kleren verpand.
Hij zit in een deken gerold op de grond te dichten. Dat noemt hij 'op z'n Arabisch'.
Lees je mijn brieven?
De laatste is weer prachtig.
Als ik hier blijf, word ik gek of alcoholist. Door mij gaat de bank nog failliet.
Meneer Gilbert is het met me eens. - Die zak kijkt puur als leraar.
Denk je dat ze in Parijs op je zitten te wachten?
Wat een kou. - Ik zag je bloemenverkoopstertje nog.
Ze liep weer langs. Wanneer spreek je haar nu eens aan?
Ze maakt kunstbloemen.
Wat jammer.
Ik ga kolen kopen.
Wat dacht je hiervan?
Weet je nog? 'Je moet wortels schilderen.' - Wortels?
Daar zit ie. - De oude Courbet zei ooit:
Heel goed gelukt. Ken je Christus persoonlijk?
Ken je Paul? - Ik geloof het wel.
Niet in Zwitserland, Camille? - Ik zoek m'n vrienden op.
Gelijk heb je. - Wat drinken we?
Een minuut stilte. Een grote overwinning.
We zijn allemaal afgewezen. - Volgend jaar weer.
Over tien jaar.
Daar is Père Tanguy.
Meneer Pissarro, ik heb iets voor u.
Een eigen mengsel: karmijn en vermiljoen.
Alles goed? - Meneer Renoir.
Père Tanguy is onze eigen verfmaler.
Meneer Cézanne. - Meneer Cézanne, dat is m'n pa.
Prettige avond verder.
Maar zo is de wereld echt: gewelddadig, lelijk, wreed.
Ik kreeg m'n manuscript retour. Ze gruwden ervan.
Ik krijg die Titiaan maar niet gekopieerd.
Verdomme, Francesco, bedenk iets nieuws. Hou op met kopiëren.
Iets anders verkoopt niet. Ik moet eten.
Dat deden wij vroeger ook. Titiaan, Ingres...
Ingres?
Hangkonten, bleke lijven, bloemetjes in het haar.
Ingres, dat is bloot voor de burgerij.
Amateuristisch gepruts waar ze goede sier mee willen maken. Ingres kopiëren...
Ik verveel me dood met jullie.
Wat heb je? Je zegt zelf dat Manet baanbrekend is.
Ik wacht buiten op m'n vriendin. - Altijd hetzelfde met hem.
Camille, Achille, Francesco, Auguste...
Emile. En meneer Manet, een groot kunstenaar.
Pepermuntlimonade voor de jongedame. Een heel groot kunstenaar.
Gabrielle. Het bloemenverkoopstertje over wie ik het had.
Ik zit niet meer in de bloemen. - Excuus.
Wasvrouw. En ze speelt mandoline.
Linnenjuffrouw.
Ben jij ook kunstenaar?
Ik ben...
Ik pak boeken in bij een uitgever. - Hij is dichter, een heel goeie dichter.
Poseer je, Gabrielle?
Waarom niet?
Een rondje van mij.
Solange, brood en olijfolie.
Ik kon helaas niet komen voor je vader. Hoewel je nu met de trein...
Ja, het gaat snel. We hebben er nog geen 28 uur over gedaan.
Maar die ouwe zak kon je niet uitstaan.
En jullie samen? Hoe ging dat de laatste tijd?
Na jaren van vijandigheid hoopte ik op wat welwillendheid.
Maar ik heb genoegen genomen met onverschilligheid.
Op een dag zei hij: Trouw nu maar met haar.
Oude minnaressen zijn uiteindelijk de beste echtgenotes.
Uiteindelijk heeft ze me aan de haak geslagen.
Het werd tijd. Hoe oud is mijn peetzoon? Tien? Elf?
Zestien.
Zestien al...
Alles is goed gekomen. - Iedereen opgelucht.
Hortense, je zus, je moeder... - Jouw vrouw.
Alexandrine?
Een zondige vrouw ontvangen is voor een gegoede burgeres...
Alexandrine accepteert al jaren... - Ze accepteert, ja.
Zullen we het eens niet hebben over jou en Alexandrine?
Alexandrine went maar niet.
Voor mij blijft ze altijd Gabrielle heten.
Ik kom even...
Daar ben je.
Je ruikt nog altijd even lekker.
Gefeliciteerd. Is Hortense meegekomen?
Ze is aan het uitpakken. - Jullie blijven toch wel een paar dagen?
Als jij voor me wilt poseren. - Als jij m'n portret niet aan flarden snijdt.
Dan kan ik niet beloven.
Stralend.
Die knoflookadem... Gelukkig ruikt het naar de Provence.
Maar die schuine moppen, die arrogantie...
M'n korset...
En het lef om zo jouw kamer binnen te lopen, terwijl hij weet dat je dat verfoeit.
Hoelang blijven ze deze keer?
Je weet het niet en vraagt het niet. - Ik zit te lezen, Alexandrine.
Dank je wel. Die stoofpot konijn heeft me genekt. En drie pasteitjes...
Dom van me. Jij hebt ze toch ook geproefd, Jeanne?
Ja, mevrouw.
En die vrouw die maar blijft kakelen.
Koud.
Kom 's hier, lekkere wolf.
Ik zal je eens opwarmen.
Ik gebruik plagerig woorden van zijn Nana.
Dat vind je niet leuk, hè?
Tot morgen, Jeanne.
Welterusten, Jeanne.
Een beetje middeleeuws en wormstekig.
Wraak op onze rotjeugd misschien.
En 'middeleeuws en wormstekig' zijn mijn eigen woorden.
Zelfs mijn vader las je boeken. Onvoorstelbaar.
'Je vriend Zola...' De zak zei nooit Émile.
'Hij heeft tenminste succes.'
En dat is waar.
Jij hebt altijd geweten wat je wilde. En het is je gelukt.
Hou je mond, Paul.
Succes, een mooi huis... Komt er nog een vleugel bij?
Nee. We houden het hierbij.
Suikerziekte. Wat ik me afvroeg:
Je schrijft zo modern. Krijg je het niet benauwd van die ouwe spullen?
Integendeel. We lopen graag uitdragerijen af.
Het is net schatzoeken.
Maar geen schilderijen meer?
We hebben opgeknapt. Ze hangen nog niet.
Maar ik zag wel een kleine Manet in de gang.
Begin je weer? - Nee.
Wellicht als het hier had gehangen. Maar naast de plee, dat doet me eerder deugd.
Deze is toch uit de rue Soufflot?
Je hebt 'm gehouden.
Waarom doet dat je deugd?
Wat is dit?
'Ik dank de auteur van Rougon-Macquart en wil hem graag de hand schudden...
ter nagedachtenis aan vroeger.' Sinds wanneer spreek je me zo aan?
Het begin.
Wat bedoel je? - Het begin van de brief.
'Beste Émile. Ik heb Het meesterwerk ontvangen.'
Het meesterwerk, een nietszeggende titel.
'Ik heb Het meesterwerk ontvangen dat je gestuurd hebt.
Ik dank de schrijver...' - Het is een aardig briefje.
Hoezo 'groet mevrouw Zola van mij'?
Wie neem je in de maling?
Laat maar. Ik heb er geen last van.
Dit keer heb je het niet ingewikkeld gemaakt.
Je hoefde geen mijnen in.
Je vrienden hoefden ter voorbereiding niet naar de hoeren.
Nee, je liet je leiden door herinneringen.
'Paul, help me, met je zwakheid, je angsten, je onvermogen.'
Ik deel toch wel in de opbrengst?
Personages zijn niet een specifiek iemand.
Ze zijn gebaseerd op verhalen, op andere boeken.
Goed, ook op herinneringen, op aantekeningen.
Laat je dossier maar eens zien. Mijn naam staat vast op iedere pagina.
Schrijven is niet de waarheid. Een roman is niet de waarheid.
Voor schrijven is moed nodig. - Om anderen te kleineren.
Alsof ik mezelf in een lachspiegel zag. Wie is dat monster? Ik?
Ja, dat ben ik.
En mijn kop op jouw schilderijen? - Allemaal vernietigd.
Wees er maar trots op. - Moet je horen.
'Ze holden door het veld, de aarde rood van het ijzer.
Ze renden en renden.
Nergens schaduw onder de koperen ploert.
Alleen olijfboompjes en amandelbomen met spichtige blaadjes.
In hun zak altijd een dichtbundel.
De drie hartsvrienden maakten al vanaf de eerste klas lange wandelingen.
In die afgelegen streek, in die lome, slome, slaperige stadjes...
leefden de schilder, de schrijver en hun vriend...
geïsoleerd, maar vol geestdrift...
en koortsachtig snakkend naar kunst en literatuur.
Eerst waren ze in de ban van Hugo.
Daarna vervoerde Musset hen met zijn hartstocht en tranen.
Enthousiast plonsden ze in waterbekkens...
en lieten hun naakte lijf drogen in het brandend hete zand.
Als spijbelende kwajongens keerden ze huiswaarts...
op die opwindend hete juli-avonden. Later...
Godverdomme, wat ben jij een klootzak.
En je schrijft het weer allemachtig mooi.
Je suikerziekte. - Kan me niet schelen.
Vertel eens...
Heb je Roze Hoedje nog gezien?
Ze is vorig jaar overleden. Ze woog honderd kilo.
En je hebt haar nooit durven kussen.
Jij bent met haar naar bed geweest, hè? Zeg het maar.
Het was een sloerie. Iedereen is met haar naar bed geweest.
Alleen jou is het niet gelukt.
Je vindt me wel heel naïef.
Heb je het nog wel eens?
Dat je al schrijvend een stijve krijgt.
Wie heeft je dat verteld? - Jij zelf.
Parijs 1862
Paul? Gelukt, ik ben Fransman.
Welkom in dit kloteland.
Wat doe je? - Geen ruk.
Ik ga terug naar Aix. - En mijn portret?
Hier.
32 keer poseren. - Moet ik je ervoor betalen?
Paul is allesbehalve gierig.
Vanwege de Beaux-Arts? - Die ouwe zak stopt m'n toelage.
Ik ben mislukt. Voor een omhooggevallen vader is dat een afgang.
Je moet niet stoppen. Niet alles lukt meteen.
Niet zo bevoogdend.
Mag ik de mijne meenemen?
Alsjeblieft. - Dat is niet aardig.
Niet aardig?
Ga achter haar aan. Ze huilt. - Klopt.
Ik neuk haar te snel en schilder haar te traag.
Vooruit dan maar.
Knijp er maar tussenuit. Ga maar luieren in de zon.
Misschien heb je talent. Maar als kunstenaar heb je geen ballen.
Hier heb je je 32 poseersessies.
Het waren dromen, stomme kinderdromen.
Dromen die jij al op je 20ste verloochent.
Parijs 1863
'Salon der Afgewezenen. De keizer heeft klachten ontvangen...
over werk dat voor de officiële Salon is afgewezen.
Het publiek mag nu zelf oordelen hoe terecht...'
Rot op. - Helaas, goed idee van die erotomaan.
De eerste Salon der Afgewezenen. - En de laatste.
En dat mooie schilderij van jou? - Is afgekraakt.
Auguste!
Spannend binnen. Kennen jullie Bazille, uit Montpellier?
Frédéric, gaan we weer naar binnen?
De officiële Salon is beter.
In een bordeel, prima. Maar hier krijgen ze longontsteking.
Viespeukerij. - De maker is vast bijziend.
Mevrouw heeft het warm en meneer wil geen kou vatten.
Blauwe bomen, blauwe borsten... Manet is gek op blauw.
Niet geschikt voor kinderen. - Stelletje idioten.
Ik heb de mijne gevonden. Daar hangt ie.
Schandalig. Zoiets zie je nergens.
Jawel, in het Louvre. Nog nooit een naakte vrouw gezien? Kijk maar eens goed.
Blijf van me af.
Émile. - Paul.
Waarom stapte je op? Het was toch gezellig?
De bouillabaisse was voor jou. - Te druk, en niet mijn soort mensen.
Ik wilde in Aix al over Gabrielle beginnen, maar ik wist nog niet zeker of...
Of het het waard is? - Paul, dat is het.
Geen problemen met Manet? - Hoezo?
Naakt in het gras, tussen die mannen. Dat is zij toch?
Nee.
Ik heb ook naakt geposeerd. Voor jou.
Maar die jas op het schilderij, die is van mij.
Dapper stuk van je, waarin je hem verdedigt.
Je zet die etters goed op hun nummer.
Ik sta altijd achter de zwakkeren. - Dan zijn we tot elkaar veroordeeld.
Die vrouw, je zei zelf...
Nostalgisch, gevoelvol, hoogstaand artikel.
Maar mij noem je niet. Ik ben afgewezen voor de Salon der Afgewezenen.
Er zijn 2000 afgewezenen. - Ik ben dubbel afgewezen.
Het schandaal draait om Manet. Eerst toegelaten, nu door het slijk gehaald.
Dat moeten we gebruiken. Het kan ons allemaal helpen.
Ik wil ook wel wat slijk.
Je neemt het voor hem op. Je vindt z'n werk goed.
Hij kopieert nog steeds de Spanjaarden. - Ja, dat zeg jij. Paul...
Die vrouw is voor jou slechts een van de velen.
Voor mij... Voor het allereerst...
ben ik niet bang.
Ze heeft rust en harmonie gebracht.
Ook pret in bed, hoop ik.
Roze Hoedje, Berthe, het stelde niks voor. Ik wachtte op Gabrielle.
Bedankt voor de opdracht in het boek.
'Voor mijn vrienden Paul Cézanne en Batistin Baille.'
Ik was bijna in tranen. - Vergeef het ons, mij en haar.
Omwille van onze vriendschap.
Een geliefde vergeef je bedrog. Bij vrienden ligt dat moeilijker.
Waar ga je heen? - Terug naar Aix.
Zoals gebruikelijk.
'Beste Paul.
Deze paar bladzijden schrijf ik speciaal voor jou.
Ik weet dat je ze met je hart zult lezen...
en dat je straks nog meer genegenheid voor me zult voelen.
Parijs heeft onze vriendschap geen goed gedaan.
Misschien is de Provence-zon daarvoor nodig.
Je zegt dat je je penselen soms wegsmijt, als je je niet in vorm voelt.
Zoals je zegt: als ik in de buurt was, zou ik je troosten.
Uit wanhoop laat ik de pen soms ook uit m'n hand vallen.
Ik ben niet de kwade genius...
die jou ongeluk brengt door over kunst op te scheppen.
Diverse keren vreesde ik je kwijt te raken.
Dat lijkt me nu onmogelijk.
We kennen elkaar te goed om uit elkaar te groeien.
Zoals een drenkeling een plank vastklampt, zo heb ik me aan jou vastgeklampt.
Jij hebt me getroost, me beschermd...
toen ik door iedereen verstoten en uitgelachen werd.
Gelukkig zij die herinneringen hebben. Jij bent mijn jeugd, Paul.
Jij maakt deel uit van al mijn blijde en verdrietige herinneringen.
Herinner je je de tijd dat het leven één grote droom was?
De zoele zomeravonden in de Provence?
Stel je voor dat we daar weer rondstruinen...
als oude vrienden die aan één enkele blik genoeg hebben.
Herneem jezelf.
En pak je penselen weer op.
Laat je fantasie de vrije loop.
Ik geloof in je.'
de officiële Salon 1867
Uit de weg. - Verwachten ze je, Paul?
Ik denk het niet.
Hier die fles. - Hij is bezopen.
Wie is die knoeier? - Ene Cézame.
Cézanne!
Groet hem even.
Ik geef uw geen hand, meneer Manet. Ik heb me al een week niet gewassen.
Wacht...
Een beetje vies, niet?
Kijk, bijna net zo mooi als thuis.
Het water in, Achille.
Ze zei: Om met mijn grote liefde te kunnen leven, neem ik dat mens op de koop toe.
Twee tellen maar. Ga daar staan.
Daarmee kom je niet op de Salon. - Die kan me gestolen worden.
Ouder dan hij, geen cent, zwak. En ze verkocht nepbloemen.
Haar stoofpot al geproefd? - Daar trouw je niet voor.
Net dotten watten.
Een kusje, Morisot?
Sorry, we zijn dronken.
Verdomme. - Vat geen kou.
Het gaat over een familie. Tien jaar, tien delen.
Na Balzac? - Bij hem zitten er geen arbeiders in.
Vier milieus: dat van de vorstenhuizen, edelen, rijken.
Dan de burgerij: handelslieden, speculanten, strebers.
Die ken ik. - En dan de buitenstaanders.
Hoeren, moordenaars, geestelijken.
En als laatste: de arbeiders. Daar praat niemand over.
Ik schrok al. Gelukkig vergeet je de kunstenaars.
Hoe noem je je schilderij? - Plein air.
Te afgezaagd. Het betekent niks meer.
Manet is je voor geweest. - Rot op met Manet.
Plein air betekent 'buiten'. Gevoel, emotie, verdomme.
Weg met al die schilderijen uit ateliers waar de zon nooit binnenkomt.
We willen bloemen die geuren, lijven met geslachtsorganen, wind in de bomen.
Dat betekent het. - Niet doen, straks slaan we om.
Slome.
Met jou weet ik nooit met wie ik te maken heb:
Met een hond, een cobra of een vlinder.
Vandaag met een karper.
Je verloochent alles met dit boek, Émile.
Je afkomst, je strijd, je passie.
Waar is je felheid gebleven?
In je ouwe vazen? In je tuin, onder de verse eitjes?
Al die burgers die je verfoeide zijn nu je vrienden.
Ze hebben altijd de pest aan me gehad.
Ze walgen van mijn boeken.
Alleen ben jij nu een van hen.
Omdat ik geen honger meer lijd?
Omdat iemand mijn vrouw helpt bij het aardappelen schillen?
Wie is trouwens dat jonge ding dat ik zag? Allemachtig.
Alles draait om jou.
De meest afgewezene der afgewezenen. Alleen jij twijfelt.
Je tranen, je appels, je angsten.
Alleen jij staat 's nachts op om een streepje blauw door rood te vervangen.
Ik sta 's nachts ook op om een woord of komma te vervangen.
Ik ben ook doodsbang dat ik de vorige dag alleen maar troep geschreven heb.
Dat beschrijf je heel goed in Het meesterwerk.
Ongelooflijk, die titel. - Herkende je mij?
Jij bent niet mijn enige bron van inspiratie.
Heb jij Le déjeuner sur l'herbe soms geschilderd?
Bladzijde 239.
Vier appels, een fles, een pot op een doek. Van wie is dat?
Auguste, Claude, Édouard, Camille... Heb je hen ook herkend?
Natuurlijk niet. Het gaat over schilderkunst, dus alleen over jou.
Je leest mijn boeken niet meer, je beoordeelt ze.
Heel treffend gezegd.
Pissarro heeft gelijk: schilderijen zijn tegenwoordig te donker.
Als schilders nu om zwart vragen, zeg ik dat die kleur op is.
Zo bewijs ik ze een dienst. Alstublieft.
Hier tekenen.
En ze denken dat dik schilderen modern is.
U schildert fijner, meneer Cézanne. - Hou op met dat ge-meneer.
Zijn deze zacht? - Jazeker.
Alstublieft. 1700.
Als terugbetalen lastig is, zien we wel. Trouwens...
Ik vroeg er 20 franc voor. Maar de man had niet genoeg geld.
Omdat hij je appels zo mooi vond, heb ik er een paar uit gesneden.
Zo konden we toch nog zaken doen.
Dit is...
voor jou.
Deze wil niemand. Neem je 'm mee? - Niet nu.
Niet in Marseille? En je toneelstuk? - Een ramp. Vandaar.
Alles goed, Père Tanguy?
Zullen we samen eten? - M'n schilderijen worden al ingelijst.
Tot ziens, Père Tanguy. - Wacht nog even.
Voor iemand die buiten werkt, is dit een uitkomst.
Probeer maar.
Dan neem ik blauw, rood en geel.
Maar geen zwart. - Zeker niet.
Het beste.
Wat is er gebeurd? - Afgekraakt.
'Zola z'n vrouwen lijken op die van Manet: bruine modder, roze make-up.'
Mijn moeder, Gabrielle... Ik ben blut.
En je honorarium? - Gaat op aan piepers en kolen.
Ik zag laatst La comédie humaine. Hopeloos.
Gelukkig heb je de krant nog. - Ik moest vanochtend op het matje komen.
'Leuke stukjes, maar het is genoeg.' Ik kreeg m'n congé.
Mijn zogenaamd felle kritieken, mijn 'radicale' verdediging van jullie.
Niet van mij. - Het stuk was aan jou opgedragen.
Maar geen woord over mijn werk. Duidelijk.
Je bent mijn beste vriend.
Iets positiefs zeggen kan tegen je werken. - Ik neem het overal voor je op.
Je doet arrogant en agressief tegen iedereen. Dat is men zat.
Zo wordt het nooit wat met je. - Je klinkt als m'n vader.
Geef liever toe dat je graag lid wilt worden van de Académie.
Donder op met je Académie. Jij daarentegen...
Ik geef het toe.
De Beaux Arts, de Académie, de musea, verzamelaars...
Je wilt er met alle geweld bij horen.
Om je vader te laten zien hoe succesvol je bent. Dat is jouw grote droom.
Maar wie lid is van de Académie is pas echt geslaagd.
Ga maar in je eentje eten. Ik ben al moe genoeg.
Wacht nou. Ik heb geld om te betalen.
L'Estaque 1870
Voorzichtig, hoor.
Daar zijn ze. Paul?
Moet je 'm zien.
Goed om hier te zijn. - Alles goed, Zolaatjes?
Ik wist dat je hier zou zijn. - Niet te vermoeiend, de reis?
Parijs is één grote ravage.
Overal kanonnen, explosies.
Een nachtmerrie.
Welkom in het land van de zee-egels. - Fijn dat we welkom zijn.
Dit is Hortense.
Een paradijs na de hel van Parijs.
Wat schitterend.
Lekker, hè? - Heerlijk.
Nu met de oorlog ligt mijn serie stil. Ik kan me ook niet goed concentreren.
Gelukkig. Hij was om dat artikel al bijna opgepakt.
Vrede prediken in oorlogstijd en de keizer beledigen. Dappere zoon.
De keizer is toch weg? - Gelukkig wel.
Onze tijd is gekomen, Paul. De republiek is terug.
De mentaliteit, alles gaat veranderen. - Is er nog ansjovissaus?
Genoeg over oorlog en politiek.
Wanneer is de bruiloft?
Waar bemoei je je mee, Gabrielle?
De saus is op. Ik ga al.
Ja, wat bezielt je, Alexandrine?
We hadden het erover. Ik dacht... - Zwijgen is beter, kindje.
Ze zal excuus aanbieden. - Welnee.
Hou op, moeder. Vertel eens, hou je van haar?
Ze kan uren roerloos poseren.
En ze laat me met rust. De vrouw die mij aan de haak slaat is nog niet geboren.
Halve gare.
opstand in Parijs stadhuis bestormd
Ik laat mijn vrouwen hier.
Ik ga terug.
Het oproer roept.
Zoals gebruikelijk.
Hij zoekt me nooit meer op. Is hij hier? In Parijs?
Hij is rusteloos. U kent hem.
De laatste maanden, jaren spelen we verstoppertje.
Hij leeft steeds teruggetrokkener.
De mensen zeggen: Zo, dus uw zoon is schilder in Parijs?
Ik doe of ik trots ben, maar... - Hij heeft talent. Heb er vertrouwen in.
De grootste prutsers hebben succes.
Maar Paul? Niks. Heeft hij één schilderij verkocht?
Hij wil geen concessies doen. Commercie zou hem verlammen.
Hij is niet erg diplomatiek. - Ja, en dan de Salon...
Maar dit jaar, met jullie vrienden, Manet, Minet...
Monet.
De jonge Renoir. En die andere, die Jood...
Bedoelt u Camille? Camille Pissarro.
Zelfs hij. Allemaal toegelaten.
Meneer, Paul is wanhopig.
Hij kan amper rondkomen. Ik help soms, maar als u hem iets meer...
Van jou had ik weinig verwachtingen. Maar bravo.
Ik zou 'meneer' moeten zeggen. - Ik krijg ook veel kritiek.
Hoeveel heb je verkocht van dat laatste boek?
De nekslag? Dat liep goed.
Je bent getrouwd, hoor ik? - Voor de oorlog. Paul was mijn getuige.
En hij zelf? Niks dat ik moet weten?
Ik wilde iets met u bespreken... - Émile. Ik hoorde dat je er was.
Wat is dat? - Van Paul gekregen.
Ik dacht: Misschien leuk voor u.
Een klok. - Bij mij thuis in Batignolles.
En mijn inktpot.
Een klok zonder wijzers.
Een symbool voor onze vriendschap. Onze eeuwige vriendschap.
Heel mooi. Vind je ook niet?
Kom, ik laat je de moestuin zien.
Voor hem.
Is de kleine nog steeds zo'n schatje? Ik zie ze stiekem als ze in de buurt zijn.
Ik mis de mooiste jaren.
Vijf jaar alweer. - Paul is dol op hem.
Niks zeggen, hoor. Hij is in staat om...
Hij geeft hem al zo weinig.
En zij? Wat vind je van haar?
Het is een goeie meid. Ze heeft 'm echt aan de haak geslagen.
Nou en of. Een kind is voor altijd.
En Alexandrine? - Nog steeds niet.
Hij schreef laatst:
'Ik zou de ijlheid van de lucht willen uitbeelden, de hitte van de zon...
de hardheid van de rotsen.'
Gaat hem dat lukken? - Hij is zoekende.
Gaandeweg gaat het lukken, hoop ik.
Godverdomme nog aan toe.
Verdomme.
Het verandert voortdurend.
Wat? - Je huid.
Gisteren was die roze, vandaag grauw en grijs.
De benen gaan wel, maar die borsten, dat wordt niks.
Ik weet het niet, die borsten...
Net wat ik dacht...
Er zit blauw in, van de adertjes.
De bolling van de buik. Een schaduw...
Goudkleurig? Nee, eerder karmijnrood.
Kijk eens naar me.
Naar mij.
Ik ben je vrouw, Paul. De vrouw die je nooit meer neukt of aanraakt.
En zij, dat is een dievegge.
Een slet. Een hoer.
In plaats van mij neuk je haar. Mij martel je.
Mij takel je toe om die hoer in leven te houden.
Mooie vrouw, die minnares van je.
Ga met haar naar bed. Het is net een lijk.
Monsterlijk. Een verlepte bloem, bleek en foeilelijk.
En ik dan? Ben ik oud, Paul?
Krijg de kolere. Ik leef.
Ik ben jong en knap.
Ik ben het zat om te smachten naar een kus, een aanraking.
Je moet je schamen. Je kijkt naar me alsof ik dood ben.
Ik schaam me als je wat rood op haar wangen aanbrengt...
wat goud in haar haar. Dan lukt het wel, hè?
Hier krijg je nog wel een stijve van.
Neuk je schilderij maar. Kom aan je gerief in je stinkdoeken.
Steeds meer kleur. Maar het blijft gepruts.
Stop, hou op.
Het spijt me. - Kom terug, Paul.
Ga weer leven.
Stop met schilderen. Verbrand alles. Dan gaan we weg en proberen we...
Waarom huil je, mama?
Ik zal nooit stoppen. Ik zal schilderend sterven.
Mama heeft naar gedroomd. Wees lief, Paul.
Curieus, net zijn 'branie-periode', zoals hij zei.
Let niet op de rommel. Ik mag niet vegen, vanwege het stof.
Ik ben doodmoe.
Volgens Alexandrine forceer ik me.
Maar je hebt succes. - Comfort...
En lid van de Académie. - Nee.
Twaalfde afwijzing. Maar ach...
Een roman beginnen is een nachtmerrie. En eenmaal klaar wil ik alles verscheuren.
Hou op, Paul.
Wat ben je groot geworden.
Ik kom volgende maand weer langs.
Dit zelfportret is echt... - Vreselijk, hè?
Welnee.
Kijk eens goed. Er spreekt geen enkele tederheid of liefde uit.
In zijn appels zit meer menselijkheid dan in zijn ogen.
Heb je haar al gezien?
Zo ziet de man van wie ik hou me.
Hij houdt van niemand.
Troost je. Hij houdt ook niet van zichzelf.
Émile, hij is er.
Alles goed, schoonheid?
Goed om je te zien.
Kom. - Je zoon wordt dik.
Goeie reis gehad? - Ja, heel voorspoedig.
We hebben kippen, konijnen. Iedere ochtend verse eieren.
En dat is Mouquette.
Wacht ze op de trein?
Je bent dus boer geworden. - Te veel herrie en drukte in Parijs.
Ik werk hier veel beter. - Dat wordt nog een roman over boeren.
Hé, hij is klaar.
De Germinal-toren?
O ja, die was de vorige keer nog in aanbouw.
Parijs - Le Havre. Om de tien minuten.
Heerlijk.
Sta nou eens stil, Gabrielle. Appels kunnen het ook.
Zou het ooit lukken? - Niet als jij zo wiebelt.
Om me Alexandrine te noemen.
Gabrielle zit in m'n hoofd. En niet alleen daar.
En je vader? - Niet kapot te krijgen.
Heb je hem gesproken? Je moet 't hem vertellen.
Hoe oud is de jongen nu? Zes?
Wat vindt Hortense ervan? - Dat gaat jou geen zak aan.
Dus je vindt 'Alexandrine' chiquer klinken?
Eet m'n stilleven niet op.
Eindelijk. De lucht wordt lichtgrijs.
M'n rug doet zeer, ik sta te zweten. Ik wil in bad.
Jij niet? - Stink ik?
Trek je niks anders aan? Je bent net een vogelverschrikker. En die baard.
Tja, ik had een vrouw als jij moeten hebben.
Onzin. Je bent perfect voor Émile.
Perfect is het goeie woord.
Knap, efficiënt, muzikaal, discreet.
Vooral over je verleden.
Complimenten geven kun je echt niet. Het wordt altijd vals.
Lastig, iemand uit het verleden, toen je nog Gabrielle heette.
Ik was toen verliefd op je.
Maar ik zegen de dag dat ik niet meer van je hield.
Jij zult nooit een vrouw gelukkig maken.
Je vrouw... Ze is niet eens je vrouw.
Je vrienden: hoe meer je om ze geeft, hoe meer je ze haat.
Je werk: dan weer ben je de beste, dan weer walg je ervan.
Je vreet je hier vol. Maar straks zul je zeggen:
Wat wonen die Zola's waardeloos, met om de tien minuten die rottrein.
Émile?
Hoe komen jullie aan de boot? - Cadeautje.
Ben je gek? Het is een cruiseschip. - Guy noemt 'm Nana.
Iedereen wil erop.
Hoe is het? - Hallo, Émile.
Lekker water?
Goed om Paul te zien. - Wie?
Cézanne, onze jeugdvriend. Je kunt eindelijk kennismaken.
Zie jij 'm vaak? - Hij houdt zich schuil.
Is Hortense er ook? - Van de keer niet. Ik kom zo.
Ik heb razende honger. Die rabarbertaart van haar...
Kookt ze zelf? - Vroeger al, toen ze geen cent hadden.
En iedereen was welkom.
Dus... Guy rechts van mij.
Auguste links.
Angèle naast Batistin. Jonggehuwden haal je niet uit elkaar.
Camille naast Auguste.
En Paul naast Émilie.
Dus Émile smeekte me om mee te gaan.
Jij doet niets liever. - Ik kom graag in bordelen.
Maar hij vindt het doodeng. - Klopt.
Maar ik moest veldonderzoek doen. - Ja ja. Nog wat truffelsalade?
In het bordeel vraagt een meisje: Ken ik jou niet?
Ik lees hem niet graag. - Émile heel keurig: U vergist u, mevrouw.
Wat is z'n laatste boek? - Boule de Suif.
Wij konden er in Aix ook wat van, nietwaar Batistin?
Degas schildert altijd vrolijke bordeelscènes.
Ik vind het eerder triest. - Verkeerde hoeren tegengekomen.
Wij vielen op moederlijke types, niet? We waren de borst nog niet ontgroeid.
Flaubert heeft je verdedigd. - Door Desgenettes de mond te snoeren.
Hij zei: 'Ook wat tegenstaat verdient bewondering'.
Dat ga ik tegen je gebruiken. - Ik lees Mérimée graag.
Sorry Angèle, ik lees liever over een samenleving vol seks dan Mérimée.
Waar is de truffelsalade? - Op.
Geweldig, die scène waarin Nana Muffat afranselt en 'hond' noemt.
Frédéric hing toch ook op de expositie?
We missen 'm. - Wie is Frédéric?
Gesneuveld in de kracht van z'n leven.
Frédéric Bazille, een maat. Jullie deelden toch een studio?
Waren in de oorlog alle idioten maar omgekomen.
Dan zouden jij en moeder de vrouw hier alleen aan tafel zitten.
Iedereen zwezerik? - De verkoop gaat goed, hè?
50.000 op de eerste dag, en ga zo maar door.
Mogen ze maar veel kruidkoek verkopen. - Kruidkoek?
Op de kermis verkopen ze varkentjes van koek met 'Zola' of 'Nana' erop.
Karikaturen, vreselijk.
Het is niet grappig. - Jawel, ma. Dat hoort bij roem.
De scène waarin je naakt op een varken klautert is om te gillen.
Vreselijk. - Hij heeft gelijk, Émilie.
Bespuugd worden hoort erbij. Niets erger dan stilte.
Wat exposeer jij dit jaar op de Salon, Paul?
Een potje stront. - Ik benijd kunstenaars niet.
Wat is een kunstenaar? - Iemand...
die z'n hele leven armoe lijdt voor kortstondige roem.
Gaat het, moeder? - Laten we musea tot stations verbouwen.
Het Louvre is leeg, de treinen zitten vol.
Wij hebben een uur voor Het vlot van de Medusa gestaan.
Zo'n schilderij had ik graag in de slaapkamer.
Ik moet er niet aan denken: wakker worden met zicht op 'n schipbreuk.
Paul en ik liepen vroeger dagen door het Louvre.
Je was weg van het realisme van Géricault. - Klopt.
Vooral van die realistische blote ballen op de voorgrond.
Als je zo'n schilderij had, lieve Angèle...
kon je daar iedere ochtend van smullen.
Genoeg zo. - Rustig maar, Batistin.
Haal die zwezerikvlek weg van je peperdure kruidenierskostuum.
Rustig maar.
Neem me niet kwalijk.
De bruid is rijk, hoop ik.
Heel rijk. - Maar een ijsklont in bed.
Als je nu nog dronken was...
Nodig me niet meer uit.
Waarom sluit je je op? Je isoleert je en...
Mijn Triomphe de la Femme is op jouw Nana gebaseerd.
Maar jij vindt die van Manet natuurlijk mooier.
Je hebt zoveel talent, Paul.
Maar soms zit er geen expressie in je portretten.
Dat mag ik, als je broer, toch wel zeggen?
Heb je Alexandrines portret weer verscheurd?
Het léék te veel.
Als jij een mensenmassa beschrijft, voel je je als lezer meegevoerd.
We strelen Nana's huid, ruiken de steenkool uit Germinal.
Kon ik maar schilderen zoals jij schrijft.
Ik heb altijd in je geloofd. Op een dag zul je het zien.
Of misschien ook niet.
Sinds de Commune zijn de mensen bang, zuinig.
Ze kopen boeken omdat die goedkoop zijn. Maar schilderijen...
Voor de prijs van een boek verkoop ik ze graag.
Kom mee.
Île flottante als dessert.
Zeg maar tegen Gabrielle dat ik morgen wegga.
Als kind al was hij ongelukkig.
Lelijke schilderijen, gekleed als een zwerver.
En die grove taal.
Hij is niet doorsnee. En hij is te trots om stroop te smeren.
Misplaatste trots.
Vorig jaar was hij toegelaten op de Salon.
Hou op. - Vertel eens.
Na tal van afwijzingen had Guillemet...
op wie Paul neerkijkt, maar dat is een ander verhaal...
hem toegelaten met één schilderij.
Ik ga naar de Salon. Paul stond naar een foeilelijk doek te kijken.
Een enorme lijst. Heel veel vaalroze nimfen, zatte monniken.
En daarboven zijn kleine doekje.
Een schedel? Een buik?
Zonder kijker kon je dat niet zien. Ik had met hem te doen.
Om hem niet nog meer in verlegenheid te brengen, ben ik weggegaan.
Ik was er kapot van.
Heel aardig. Maar je vriend is een mislukkeling.
Het was plomp, onbeholpen geschilderd.
Hij is nog even vervelend als vroeger.
Waar je ook komt met hem, je vliegt er zo uit.
Dus vrienden met een smetje wijzen we de deur...
terwijl onbekenden welkom zijn?
Émile gelooft in eeuwige vriendschap, moeilijker nog dan eeuwige liefde.
Iemand kruidenthee? - Is hij altijd zo grof?
Eigenlijk is hij verlegen. Ook Émile... - Onzin, Émilie.
Émile is alleen grof in zijn boeken.
Zodra hij weg is, gaan zijn schilderijen naar de zolder.
Kamille en verbena uit eigen tuin.
Gaat het? - Ik stik bijna. Maak even los.
Jij stikt ook, hè?
Sorry.
Daar ben je...
Gaat het, moeder?
En nu? - Rechtsaf.
Het ruikt heerlijk.
Stop maar.
Huil je?
Ik ben op het moment erg gevoelig.
Hoe lang geleden is het? - Lang.
Twee jaar?
Waar is je haar?
In die dikke buik van jou.
Heb jij een testament?
M'n moeder is dood. Ik heb geen kinderen, alleen Alexandrine.
Ik heb het niet op notarissen. Ik ben 46, heb suikerziekte.
M'n zus is met een idioot getrouwd. Een rotzak bovendien.
M'n vader is seniel.
Ik moet aan m'n moeder en m'n zoon denken.
En Hortense dan? - We zijn niet getrouwd.
Daarom juist. Jullie zijn al bijna 15 jaar samen.
Zij leeft haar eigen leven.
Net als ik.
Pijnboompitjes?
Ze zijn lekker.
Dit is in Médan voor jou bezorgd.
Hoeren schrijven niet. Voor maagden zijn we te oud.
Is het een weduwe? Een hertogin?
Een dienstbode. - Hou het maar.
Ik word in de gaten gehouden, bespioneerd.
Ze leeft toch haar leven? - Door m'n moeder en zus.
Ze willen dat ik met Hortense trouw. - Ze haten haar.
Minder, nu die andere er is. - Dan is het dus geen hertogin.
Hoelang slaap je al met haar? - Slapen? Ik heb haar gekust.
En aan haar borsten gezeten.
Je bent geen twaalf meer. - Jawel.
Ik weet amper wat ik doe.
Ik kan schilderen. Een wonder. Kom je kijken?
Ik heb thuis m'n atelier. Maar ik slaap vaak hier, vanwege het licht.
Ze heet Fanny.
Heb jij Gabrielle wel eens bedrogen?
Zonde van m'n tijd. Te veel gedoe. En met Alexandrine voel ik me...
In harmonie. Ik weet het.
Pas maar op. Je lacht mij uit, maar zelf ben je een groentje in de liefde.
Je bent altijd zuinig geweest.
Je hebt nog hele voorraden in je hart. En niet alleen daar.
Alexandrine is mijn basis. Zonder haar wankel ik.
Kijk eens. Wat denk je hiervan?
Wil je dat echt weten? - De andere kant, sukkel. De tekst.
'Ik zag je en je stond toe dat ik je kuste.
Sindsdien ben ik zwaar in de war.
Is het niet beter...
om mijn gevoelens kenbaar te maken dan ze te verbergen?
Sta mij toe enzovoort...
Want wij trachten onze geestelijke pijn te lenigen...
door een aanbedene onze liefde verklaren.'
Dit ga je toch niet sturen?
Beter niet, hè?
Zal ik wat voor je 'in elkaar flansen'? - Wil je dat doen?
Je nieuwe boek schijnt over kunstenaars te gaan. Dat baart me zorgen.
Daar hebben we het nog wel over.
Zijn palet lag naast hem. In zijn ene hand een kaars, met de andere schilderde hij.
Wijd open ogen als van 'n slaapwandelaar, kleine, stijve bewegingen.
Om de haverklap boog hij zich naar de grond om wat kleur te pakken.
Geen enkel geluid. In de duistere kamer heerste slechts doodse stilte.
Hoe verbetener hij werkte, hoe incoherenter het resultaat.
Dik aangebrachte sombere kleuren, de tekening zelf werd steeds vager.
Ze deed een paar passen terug en gooide haar blouse uit.
Daar stond ze naakt, roerloos.
Ze wees naar het doek en zei: 'Doe je ogen open en kijk eens goed.'
'Het is afzichtelijk, grotesk. Hebben wij gouden dijen en een buik vol bloemen?'
'Vergelijk maar. Ik ben jonger dan zij.'
'Ook al tooi je haar huid met juwelen, ze is als een verlepte bloem.'
'Ik ben nog steeds 18, omdat ik van je hou.'
Het meesterwerk
Meneer De Maupassant?
Mag ik een handtekening?
Je bent een dief, Émile.
Een voyeur en een verkrachter.
Ik schrijf romans. En ik schrijf ook voor m'n brood.
Ik kreeg nooit een fijne maandelijkse toelage.
Die heb ik al heel lang niet gehoord.
Nu je vader de pijp uit is, kun je stoppen met schilderen.
Is dat een advies? - Nee, pure luxe.
Ik heb ook honger geleden, hoor.
Maar bedankt voor al die keren dat...
Honger lijden is heel anders als je weet dat je rijk wordt.
Je eet te veel.
Jij verliest je haar. Ik kan stoppen met eten.
Ik ben acht kilo afgevallen. - Goed zo.
Mag ik je iets opbiechten?
Ik ging soms naar Manet om wat geld van 'm te lenen.
En dat gaf ik dan aan jou.
Dat meen je niet.
Ga nou maar schilderen. Ik moet schrijven.
Dat is tenminste zo overzichtelijk als de mistral.
Hier voel ik me het prettigst.
Je kunt je verleden niet verloochenen.
Een nieuw meisje? Leuk om te zien.
Ze is lief en verlegen. Ze was al vroeg wees.
Ze werkt hard en is heel innemend.
Ik wil haar van de zomer meenemen naar Royan.
Gevaarlijk: lieve verlegen weesmeisjes.
Jij was ook knap, wees en linnenmeisje.
Maar niet lief en verlegen.
De mooiste scène in het boek is het etentje.
Vind je? Goed om te horen.
Wanneer Lantier hoort hoe hij wordt afgekraakt, is dat tenhemelschreiend.
We hebben enorm met hem te doen.
Het herinnert me aan de laatste keer dat ik je moeder zag.
Ze vroeg of ik haar korset wilde losmaken en zei: Jij stikt ook bijna, hè?
Ik had me weer eens misdragen.
In haar kamer hebben we nog uren gepraat.
Altijd als ik naar dat raam kijk, kan ik wel huilen.
Haar kist is via het raam gegaan.
De trap was te smal.
Heb ik jou al bedankt...
dat je zoveel van haar gehouden hebt?
Voor je meelevendheid erna?
Niks voor jou.
Alexandrine was ook geweldig. Die twee hadden het bijgelegd.
M'n moeder verafgoodde me. Alexandrine hield te veel van me of niet genoeg.
Moeder vergaf haar niets. - Vooral het kind.
Jij hebt maar geluk. Wij missen het enorm.
Ligt het aan haar? Aan mij?
Het is niet anders. - Voor je moeder was het een straf Gods.
Straf Gods?
Vanwege het meisje waarvan Gabrielle lang geleden afstand heeft gedaan.
Wist jij dat? - Ik ken haar langer dan jij. Weet je nog?
Klopt. Maar ze is bij je weggegaan. - Laat me los.
Je haat haar, je haat iedereen.
Geen woord erover tegen mijn vrouw, of ik...
Het was schitterend.
Gaat het? - De acteurs vroegen naar je.
Ze zijn zoveel beter geworden.
De vrouw die Catherine speelt is geweldig.
Druk?
Vol. - Halfvol.
Erna hebben we warme chocolademelk gedronken.
Een vrouw vroeg, en ik vraag het me ook af:
Wat betekent de titel Germinal eigenlijk?
De lente. Het is een metafoor...
Sorry, Hortense. Vanavond is...
Dus jullie gaan in Zwitserland wonen? - Geen sprake van.
Dat had je beloofd.
We kunnen het nu betalen. Want Aix...
Een reisje misschien. Blijf gerust, maar zonder de kleine jongen.
Hoe kom je erbij? Zonder mijn zoon.
Stel je voor. Nee, dat kunnen jullie je niet voorstellen.
Hou je mond en ga slapen. Je kletst te dom.
Portretten... Nog even en jullie, schilders...
Zie je mijn 'melkmeisje'? Vermeer kan wel inpakken.
Je kunt de tegels tellen.
Ik zie het melkmeisje, de tegels...
Maar de kunstenaar? Nergens.
Ik heb geknokt. Zelfs letterlijk, weet je nog?
Maar nu, die lichte kleuren...
die spikkels, die weerspiegeling, ik ben het beu.
Je weet, ik en de impressionisten... - En de laatste Salon:
Eén pot nat. Wanden vol vaal gewassen doeken.
Eén grote obsessie: plein air, plein air.
Dit is pas nieuw.
Heb je de laatste Monets gezien? Stippels, vaagheid. Flauwekul.
Klets niet.
Dus dat is de vrouw die de hele dag zingt zonder dat je er last van hebt?
Ja, dat is Jeanne. Ze lijkt op Roze Hoedje, hè?
Zij is de zon.
Ze straalt zoveel levenslust uit.
Zo heftig.
Om radeloos van te worden.
Is het al zover?
Welnee.
Neuk haar dan.
Zonder schuldgevoel.
Romantisch, op jouw leeftijd... - Belachelijk, ja.
En gevaarlijk.
Jouw kunstenaar pleegt zelfmoord om één schilderij.
Ik verbrand er dagelijks en begin weer opnieuw.
Niet alleen jij. - Jij beschrijft ons als mislukkelingen...
die zelfmoord plegen omdat ze troep maken.
Het is echt gebeurd: Holzapfel toen de Salon hem weigerde.
Terecht. Het wás troep.
Wie nam jou onder zijn hoede toen jij afgewezen was?
En je laat mijn zoon doodgaan.
Op bladzijde 375 gaat hij dood.
En mij zet je neer als een klootzak die het lijk van zijn zoon schildert.
Er is niks met je zoon. - Ontken je het?
De straten, huizen, geuren, de dromen...
de bomen waarin we klommen, de meiden die we neukten.
Moordenaar. Op iedere bladzijde gaat het over mijn dood...
en trap je me verder de grond in. Je hoofdpersoon is een prutser.
Een prutser? Stomme zak.
Mijn Lantier is een idealist. Een grootse schepper.
Een echte kunstenaar. Weet je waarom ik 'm dood laat gaan?
Om zijn buitensporige ambitie, zijn destructieve egoïsme.
Daarom. Komt dat je bekend voor?
Ben jij dat? Ben ik dat? Zoek het maar uit.
Zelfs impotent in bed. Hoe noem je dat ook weer?
'Geheim nachtelijk verdriet.' Je deinst nergens voor terug.
Ziek en hysterisch, oké.
Maar impotent, talentloos, mislukt? Ben ik dat? Zie je mij zo?
Er staat meer in dan wat lullige details die op jouw lullige leventje gebaseerd zijn.
Zelfs de naam van mijn huis heb je niet veranderd.
Ik droeg dit boek al 20 jaar met me mee.
En weet je waarom ik het niet eerder heb geschreven?
Om jou.
Als je met je mes in m'n rug wilde wachten tot ik doorgebroken was...
dan heeft het lang geduurd, ja.
Ik ben hier de mislukkeling.
De kwelling van het schrijven...
mijn onmacht...
mijn twijfels, de dood op iedere bladzijde. Het is waar, Paul.
Lantier pleegt zelfmoord omdat hij weigert te sjoemelen met de kunst...
met het leven.
Ja, hij is een held.
Want hij weigert om kleurloos te schrijven.
Te schilderen.
De emotie van Germinal zal ik nooit meer voelen.
Nana kan ik nu niet meer schrijven.
Ik ben onmachtig.
Moeder is dood. Mijn vrienden gaan dood.
Alleen een paar ouwe vijanden nemen het nog voor me op.
De Académie, stelletje arrogante zakken...
Ik ben vulgair, obsceen.
Dat woord achtervolgt me al heel lang.
Ik val in herhaling.
Ik schrijf voor het geld.
Misschien hebben ze gelijk.
Ik neuk niet meer.
Het is afgelopen met me.
Ik ben smoorverliefd op een meisje dat 27 jaar jonger is.
En jij...
mijn broer, mijn beste vriend...
jij ziet niks, je snapt niks.
Jawel. - Je komt na maanden weer 's langs.
Om me de doodsteek te geven.
Me te beledigen.
Ik weet niet meer waarom ik vroeger zoveel om je gaf.
Je bent harteloos, Paul.
Daarom zul je nooit een groot kunstenaar zijn.
Val maar dood.
De zus van mijn man heeft in het grote huis gewerkt.
Kopen ze zoiets in Parijs? - Het grote huis?
Het huis van Cézanne z'n vader. Laat maar.
De schilder woont en werkt daar.
Pas op. Voorzichtig.
1000 franc.
Hier is er nog eentje.
Zal ik naar boven komen? - Het is goed zo.
Laat mij. - U bent te klein.
Monsieur Vollard.
Hoe maakt u het? - Goed. En u?
Dit is een studie. Dit zijn mijn zoon en mijn moeder.
En? Die expositie? - Veel kopers. Buitenlanders, Amerikanen.
Dus hij prikte vroeger gaten in uw doeken?
Dat vond hij leuk. - Is uw vrouw er niet?
Hij was hier twintig.
1860.
Wij waren twintig.
Ik ben wel vooruitgegaan, niet?
Vooruit, aan het werk.
Toen ik laatst bij hem was, had hij het over u.
Hij was zeer aangedaan, liefdevol zelfs.
Ik wilde zijn Cézannes zien. - U moest dus naar de zolder?
Ga weer eens bij hem langs.
Ik kom niet veel meer in Parijs.
Het plastron begint te komen.
Hij kan ook hierheen komen. Hoewel, nu met die affaire...
Zou een schilderij van mij ooit in een museum komen?
De directeur van de Nationalgalerie in Berlijn was bij me.
De keizer gruwt van de impressionisten. - Ik ook. Dat hebt u toch wel gezegd?
Niet bewegen, verdomme.
Appels bewegen toch ook niet?
De stomme zak.
Ik geef heel veel om Zola.
En vanwaar die... onmin?
Er is nooit onmin geweest.
Bedienend personeel, dat geklets over oplagen, herdrukken...
Dat monumentale bureau... Alsof ik bij een minister op bezoek was.
Dus ik ging er niet meer heen. Punt.
En dan... Dat boek.
Welk boek?
Paul!
Hij is er.
In het Beaufort.
Émile is in Aix. - Hoepel toch op, Achille. Ik zit te werken.
We zijn hier niet zo... Maar zelf ben ik altijd pro-Dreyfus geweest.
Goed om te horen. - Dankzij u.
Denkt u dat hij vrijkomt? - Burgemeester...
Laten we het daar nu niet over hebben.
Ik ben Parijs daarom ontvlucht. Ook om met Jeanne tot rust te komen...
en om Denise en Jacques de omgeving van mijn jeugd te laten zien.
Nietwaar? We gaan naar m'n oude school.
En ook naar de rivier, papa. - En de dam die opa gebouwd heeft.
Ja, afgesproken.
Ik neem aan dat u bij uw vriend Cézanne gaat eten?
Mijn vriend Cézanne...
Maakt hij het goed? Ziet u hem wel eens?
Nee, hij is erg op zichzelf. We zien hem weinig.
Wat een rotkarakter.
Hij had talent.
Maar het is niks geworden. Eeuwig zonde.
Denise, eet je je spruitjes niet? - Ophouden, kinderen.
Denise, papa plaagt je maar.
Émile vond onverwachts nog het geluk met Jeanne en hun twee kinderen.
Alexandrine accepteerde zijn dubbelleven.
Zola is de geschiedenis ingegaan vanwege zijn werk en zijn engagement.
In 1902 is hij aan koolmonoxidevergiftiging overleden.
Paul zou dagen gehuild hebben.
In 1906 overleed Paul aan longontsteking.
Dankzij Ambroise Vollard had hij toch nog een beetje naam gemaakt.
Matisse heeft gezegd: Cézanne is een soort god van de schilderkunst.
Picasso zei: Hij was ons aller vader.
Van de duizend schilderijen die Cézanne gemaakt heeft...
hangen er ruim 700 in musea over de hele wereld.
vertaling: Jolijn Tevel
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.