Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
English
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Wij Majesteiten bevelen de inwoners van Palos
om kapitein Christophorus Colombo te bevoorraden.
Hij moet namens ons delen van de oceaan verkennen.
Help hem om drie karvelen uit te rusten.
Met bemanning.
Met bemanning.
Ze moeten evenveel betaald worden als gebruikelijk aan deze kust
voor hen die met de vloot meevaren.
En voor de derde keer verlenen we gratie
aan hen die misdaden gepleegd hebben,
waaronder ook diefstal, moord en verkrachting,
en die dienst nemen bij de bovengenoemde kapitein.
Het bedrag dat Palos verschuldigd is aan de kroon, wordt verdubbeld
als het dit koninklijke besluit niet volgt.
Maar je kunt alleen naar de hel toe varen.
Luister naar me. Luister.
Palos kan weer een machtige haven worden door deze reis.
Als u wacht op de mannen van Palos, komt er helemaal geen reis.
Ik begin die vrouw te geloven. - Vertrouw op God en in je visioenen.
Hoeveel heb je er al? - Geen een.
Ze blijven liever thuis om kikkererwten te eten.
Sla er een paar in de boeien, dan komen ze wel.
Wat kom jij hier doen, don Castillo? - Ik?
Ik hoor dat er veel goud is in Cathay.
Moordenaars, verkrachters, dieven. De koning wil ze gratie verlenen.
Mooie bemanning. Hier zitten de veroordeelden. Gemeen stelletje.
Een struikrover.
Een struikrover en moordenaar. En die daar…
Ik ben onschuldig. - Federigo is mijn broer.
Hij hielp me alleen ontsnappen. - Hij is ook tuig.
Al gevaren? - Wij allemaal.
Toen er nog werk was in Palos.
Je krijgt werk. En gratie als je met mij meevaart.
Varen? Waarheen?
Wie van jullie wil leven? - Wie niet?
Broeder Marchena. - Diego wou de schepen nog eens zien.
Waar dient dat voor? - Dat is Medusa.
Ze moet de zeemonsters afschrikken.
Mag ik niet mee, papa? - Deze keer niet.
Maar je had mannen nodig, hoorde ik. - Er komen nog andere reizen.
Jij was toch in Italië, Pinzon? - Ik ben pas aangekomen.
Ik heb blijkbaar veel gemist.
Dag, broeder. - Kapitein Pinzon.
Mijn zoon, Diego. - Een mooie jongen.
Wat 'n verandering. Mijn kaartenmaker is ineens vlootcommandant.
Een vloot zonder bemanning. Wij moeten praten.
Aan boord van de Santa María. Alleen. - Ik zal er zijn.
Broeder.
Je doet toch niet mee? - Vrienden vertelden me erover.
Ze waren ervan onder de indruk dat Ferdinand en Isabella hem steunen.
Ik twijfel eraan.
De Portugezen hebben vaak westwaarts van de Azoren gevaren, tevergeefs.
Waarom zou jij wel slagen?
Ik vertrek niet op de Azoren, maar op de Canarische Eilanden.
Hier heb je tegenwind,
daar heb je oostenwinden in de zomer en westenwinden in de herfst.
Heel standvastig.
Nu ken je al mijn geheimen. - Weet je dit zeker?
Ik heb vijf jaar op Porto Santo geleefd en heb de winden opgetekend.
Daarom neem je vierkant getuigde boten.
Als ik gelijk heb, komen we er met het grootzeil en marszeil.
Waarom heb ik jou nu nog nodig? - Ik heb de koninklijke patenten.
Ik heb jou nodig omdat ze vreemdelingen niet vertrouwen.
En als ik tot de herfst moet wachten, heb ik hier niks meer aan.
Hoeveel man wil je?
Dertig voor de Santa Maria en tweemaal twintig.
Ik wil de kapitein van de Pinta zijn. Francisco wordt mijn stuurman.
En Vicente wordt de kapitein van de Niña.
Ik kan me geen betere zeelui wensen.
We gaan op reis. We laten die rijkdom niet aan onze kaartenmaker.
Ik heb soms schuldgevoelens, over Diego.
Ik heb hem niet zien opgroeien.
Wie weet hoe lang ik weer wegblijf. - Doe wat je moet doen.
Ik wil dat je Diego leert kennen.
Dat brengt hem maar in de war. - Hij moet jou leren kennen.
Weet je dat zeker? - Heel zeker.
Je betekent zoveel voor me.
Iedereen moet het weten.
Je zei dat die dag wel zou komen.
Daar moeten we op wachten.
Ik zal je wat vertellen.
Als je om de Spaanse geschiedenis geeft,
kijk dan naar deze kisten en deze zakken. Kijk dan.
Ze zitten vol spiegels, klokken en glas.
Als ze terugkomen, zitten ze vol goud, parels en kruiden.
Palos zal weer machtig en rijk zijn.
Jullie hebben de keus: Vaar mee en je wordt even rijk en machtig.
Of blijf hier en wentel je in de armoede. Aan jullie de keus.
Maar durf jezelf dan geen zeeman te noemen.
Voor wie het weten wil, we nemen meer mee dan snuisterijtjes.
Namelijk knoflook.
Tegen tyfus, scheurbuik en andere kwalen. Beter dan goud.
Paco Alaminos. - Ga in de rij staan.
Manuelo Santos.
Ramon Xarmiento.
Ik wil scheepsjongen worden.
Hoe heet je? - Vallejo.
Heb je al ooit gevaren? - Voor de kust. Maar ik leer snel.
Hoe oud ben je? - Bijna zestien.
Dit wordt een lange reis. Wat zeggen je ouders ervan?
Ik heb geen ouders, kapitein. - Goed dan.
Je vaart mee op de Santa María. - Bedankt, kapitein, erg bedankt.
Vittorino Gaiego.
Volgende. - Vallejo Sanchez.
Volgende. - Rodrigo De Triana.
Mag ik me voorstellen? Luis De Torres. Ik vaar al dertig jaar lang.
Ik heb sterrenkunde gestudeerd.
Ik ken Latijn, Grieks, Arabisch, Chaldeeuws en Hebreeuws.
Ik ben een bekeerling. - Dat bent u niet.
U bent een jood. U wachtte tot u uitgezet zou worden.
U vergist zich, meneer. Heel erg zelfs.
Wat wilt u? - Dienst nemen.
Hoe wilt u met de machtige Khan praten zonder tolk?
U kunt weleens gelijk hebben. We praten straks verder.
Als u me van uw talenkennis kunt overtuigen, mag u mee.
Bedankt, kapitein. En u ook, meneer.
Ik kom alleen nog bekeerlingen tegen.
Hij kan heel waardevol zijn. - Ik mag hem niet. Ik wil hem niet.
Voor alle duidelijkheid.
Jij bent kapitein van de Pinta en ik bevelhebber van de vloot. Ik wil hem.
Je hebt een vijand gemaakt. - We zullen zien, don Castillo.
Hij gaat steeds meer op je lijken.
3 augustus 1492
Heb je inkt voor alle ontdekkingen? - En jij zakken voor al het goud?
Wie is die man in het zwart? - Escobedo, secretaris.
Hij moet onze ontdekkingen optekenen.
Een mooie dag. - Ook voor jou, De Torres.
Trossen losgooien.
Anker lichten.
Anker lichten.
35 graden van de horizon.
Zeilen in zicht. Drie schepen vlak achter ons.
Weer aan het werk. Dit dek moet geschrobd worden.
Hij kan goed klimmen, voor een man die zeven jaar gekropen heeft.
Portugese oorlogsschepen. Ze halen ons in.
Waarom? - Dat wil ik niet weten.
Koning Jan denkt dat hij alleen op verkenning mag. Zeilen bijzetten.
We hebben ze afgeschud, kapitein. - Hopelijk zien we ze niet terug.
We zullen op deze reis al genoeg zorgen hebben zonder koning Jan.
Hou koers. - Ja, kapitein.
Dat vierkante tuig werkt goed. Die Genuees had gelijk.
Aan het werk, mannen.
Wil je ons dit elke avond aandoen? Het paternoster, salve regina...
Zijn dit zeelui of novicen? - Christenen, don Castillo.
Ze zullen hun geloof nog hard nodig hebben.
Bij de Canarische Eilanden vonden we de noordoostelijke winden.
We zetten koers naar het westen, naar Cipango en Cathay.
Vier zeemijl per zandloper. Mooi.
Weet je, Escobedo, ik zal niet branden in de hel.
De duivel zal me achtervolgen en kwellen
met de stank van knoflook en gezouten sardientjes.
Kwetst het niet om deze onbeschaamde buitenlander te moeten gehoorzamen?
Denk eens na. Hij is een zeeman, wij niet.
Op het goud van Cathay en Cipango en op de man die ons erheen brengt.
Ik drink ergens anders op. Op de welvaart en roem van Spanje.
En op haar ware, edele zonen.
De zandloper is weer omgedraaid.
En het zand loopt weer door.
Precies op de Poolster. - Die knul is stipt met de zandloper.
U hebt hem gekozen omdat hij wees is. - Op zee heeft hij veel ouders.
Ik maak zo zelden vriendelijkheid mee dat het me altijd verbaast.
Zoals op die eerste dag.
Larie. Waar vind ik 'n betere tolk dan jij?
Maar ik ben bekeerd, een jood die christen werd.
Een vreemde voor christenen en joden.
Als we geen bekeerlingen aanvaarden, moeten we deze reis niet maken.
Ik heb een vriend gevonden, denk ik. - Ik ook, De Torres.
Jullie hopen steden vol goud, zijden stoffen en parfums te vinden.
Maar dit staat ons te wachten.
Ik heb al over vreemde zeewezens gehoord. Er kunnen monsters zijn.
Dat zijn griezelverhalen. - Ik geloof erin.
Ja, hoor. Je kunt er maar beter in geloven.
Waarom vaar je dan mee? - Ik heb lang niet gevaren.
En mijn lieve vrouw Delia, God zegene haar, bleef maar zeuren.
Nu verlang ik naar de zon op het dorpsplein.
Het dorpsplein, dat zie je nooit meer.
Ik wil weten wie dit gedaan heeft. Opschieten.
Een noodsein. Hij wil dat ik aan boord kom.
Met de ordehandhaver.
Opschieten, heb ik gezegd. - Ja, kapitein.
Kijk eens naar het roer. Het is stuk.
Kan het niet gemaakt worden? - Er is mee geknoeid.
Door wie? - Door zeelui die naar huis willen.
Heel wat. - Er komen er nog meer.
We moeten een voorbeeld stellen. - Zonder dader?
Het maakt niet uit wie je straft, als je maar vrees inboezemt.
Met vrees kun je geen tucht houden. - Waarmee dan wel?
Stel je mannen gerust. Deze reis wordt alleen wat langer.
Als we in volle zee zijn, halen ze zoiets niet meer uit.
Goeiendag.
Ik bewonder je, maar ben ook bezorgd om je.
Denk je dat de Khan je zijn rijkdom zomaar schenkt?
Nee, je moet meedogenloos zijn. En dat ben jij kennelijk niet.
Onderschat me niet, don Castillo.
Hoe meer westwaarts we voeren, hoe rustelozer ze werden.
Wat is onze koers? - Raad eens.
Naar het westen? - Niks hoger, niks lager.
Verdomde Genuees. Kan hij alleen maar naar het westen varen?
Hij kan wel met volle zeilen varen. - Ik kijk al weken uit.
Zeg eens, hoe komen wij ooit weer thuis met alleen een westenwind?
Mee eens. Maar mopperen over sterke wind is als mopperen over goud.
We gaan waar niemand ooit geweest is. God helpt ons hierdoorheen.
Die heidenen, die wij tot het christendom zullen bekeren,
die zijn toch rijk? - Ja, Ocampo, ze zijn rijk.
Kijk daar. - Moeder María.
Wat is dat? - Het einde van de wereld.
God, red ons. - Dit is niet het einde.
Die meteoren hebben jullie al je hele leven gezien.
Begrijp je het dan niet? Dit is een teken van God.
Het is een baken. Een licht.
Vastbinden zoals de andere.
Deze bloem is niet goed gezouten tijdens het malen. Doe er zout bij.
Kom snel, kapitein. Het kompas draait dol.
Wat is er? - De naald,
ze wijkt twee graden af.
Drie. - En onze koers dan?
We blijven ons kompas volgen. Ik doe de volgende meting.
Maak je maar geen zorgen. - Geen zorgen?
Zonder kompas gaan we eraan. - We hebben toch een kompas?
Goeienavond.
Weer aan het werk, mannen.
Misschien hebt u zin om te praten.
Al meegemaakt dat een kompas naar het noordwesten afwijkt?
Ik ook niet. Ik beken alleen aan jou
dat ik het niet begrijp. - Maar Ruiz moet het kompas volgen.
Heb je het werk van Zacuto gelezen? Over de rotatie van de sterren.
Toen ik daar stond, kwam het bij me op
dat dit een rotatie kan zijn die je op oostelijkere lengtes niet ziet.
De naald wijst naar het noorden, maar de Poolster is verschoven.
Dan moeten we afwachten of de ster zijn positie weer inneemt.
Dan werkt ons kompas nog altijd.
Anders is het waanzin om door te varen.
We kijken nog eens voor dageraad.
Alles hangt af van wat we dan ontdekken.
Welterusten.
Almachtige God, help me om Uw wegen te doorgronden.
Laat de morgenwacht komen.
Goeiemorgen, Ruiz.
De koers is goed. - Zet het kompas op het dek.
De naald wijst naar de Poolster. - Maar gisteravond...
Nee, het kwam door de ster.
De naald bleef naar het noorden wijzen, zoals ook nu.
Werken. Het dek moet glimmen.
Naar beneden. Die lenspompen moeten lucht zuigen.
We zetten koers naar het westen, niks hoger, niks lager.
Het kompas werkte. Het was de ster die afweek.
Het kompas werkte.
Geen zuchtje wind.
Geen wind. We varen misschien op de rand van de wereld.
Misschien varen we op de rand, ja.
Je kunt amper ademen.
We kunnen niet voor- of achteruit. - We hangen van een gek af.
We zijn 5.000 km ten westen van de Canarische Eilanden.
Of we hebben Cipango gemist, of het ligt bijna 20.000 km van Spanje af.
We wachten op het eerste zuchtje wind en varen terug.
We zijn te ver gekomen om te falen. - Falen? Jij bent geen onderkoning,
maar deze mannen hebben hun schuld ingelost.
Ze zijn verder gevaren dan wie ook. - Op een lege zee. Dat betekent niks.
Denk om de mannen. - Ze zijn bang.
Maar onwetendheid en angst mogen deze reis niet doen mislukken.
Kijk dan. Nog een beetje verder. - Ja, een beetje verder,
tot we vergaan. Nee, de Pinta keert om en vaart terug.
Vaar jij mee met de Niña? - Denk erom, voor je antwoord geeft.
In Palos zul je moeten uitleggen waarom je me achtergelaten hebt.
Hij was gek, zul je zeggen. - Ja, en dat zou waar zijn.
Maar als de Santa Maria Indië bereikt en naar Spanje terugkeert,
worden jullie uitgescholden voor dwazen.
En als we niet terugkomen, worden jullie veroordeeld als lafaards.
Wat je ook vindt, je lot is aan het mijne verbonden en ik wil doorgaan.
Ik had een meisje, Luisa. Had, ja.
Een hete brok uit Andalusië. Ze wacht niet op mij.
Bessen. Een bord vol bessen.
Pas geplukt, sappig en rood.
Zonder wormen. - Pak aan, jij.
Ik hoef hem niet. - Nee, jij hoeft hem nooit.
Laat hem. - Je hebt je in geen weken gewassen.
Ik was me even vaak als jij. - Waarom stink je dan?
Hou op, allebei.
Goed dan, ik neem de emmer en geef hem ook terug.
Wat doe je nou?
We mogen niet tegen elkaar vechten. We hebben dezelfde vijand.
We moeten tegen die ouwe vechten. - Ik word niet goed van jullie.
Dacht je dat 't maar even varen was?
Moet je hem horen. Weet je wat die ouwe gedaan heeft?
Hij sleept ons mee de hel in omdat hij admiraal wil worden.
Alaminos heeft gelijk. We mogen niet tegen elkaar vechten.
Waar ga je heen?
Daar. Het monster. Ik heb het monster gezien. Daar.
Rustig maar.
Het spijt me. - Het monster, kapitein.
Ik heb het gezien. - Luister eens.
Er bestaan geen monsters, behalve die die we zelf verzinnen.
Maar… Ik wou... Ik wou dat we naar huis konden.
Neem hem mee naar beneden. - Ja, kapitein.
Het komt wel goed.
De wanhoop maakte zich meester van de vloot.
Hoe verder we voeren, hoe slinkser ik werd.
Ik hield twee dagboeken bij, voor mezelf en voor hen.
Daarin maakte ik de afgelegde afstanden korter.
Maar ik merkte dat het niks uithaalde.
Met die wind komen we nooit meer thuis.
Als de zandloper omgedraaid wordt. Licht de bakboordwacht in.
Klaar? - Ik ben klaar.
Wanneer? - Als de zandloper omgedraaid wordt.
Hoe durven jullie? - Wat moet dit?
Waarom die wapens?
Kon je niet met mij praten?
Wat willen jullie? - Dat weet u.
Het is heel eenvoudig: terugvaren voor het te laat is.
We willen niemand kwaad doen. - Wees redelijk.
Wie zegt dat ik redelijk moet zijn? - Ik.
Willen jullie als een geslagen hond naar Spanje terug?
Is dat redelijk? Spanje ligt 5.500 km van ons vandaan.
En er is misschien land vlakbij. - Misschien.
U kunt het mooi uitleggen, maar het is te laat.
Als u niet naar Spanje vaart, nemen wij het schip in.
En dan? - Dan varen we naar Spanje terug.
Wat wacht je daar? De galg.
Ik heb een koninklijke volmacht. Neem het schip maar in als je wilt.
Als je zonder mijn hulp terug kunt varen,
word je opgeknoopt voor muiterij en verraad.
En als u overboord slaat?
Dan moet je mij ook doden.
En mij ook.
Mij ook.
En ik sleur een paar van jullie mee het graf in.
Je ziet dat je het schip niet zomaar in kunt nemen.
Maar ik beloof je,
als we binnen drie dagen geen land in zicht krijgen,
varen we naar Spanje terug.
Drie dagen? - Als je eerder terug wilt,
moet je mij en deze mannen doden.
Maar denk erom, je weet niks van mijn berekeningen, de wind, de sterren
en de kaarten die ik gemaakt heb. Niks.
Zonder mij komen jullie allemaal om.
Neem jullie post weer in. Allemaal. - We kunnen het erop wagen.
Ja, we wagen het erop. - We geven hem drie dagen. Meer niet.
Ik zal dit niet vergeten. Bedankt. Zet koers naar het westen.
Ik had gelijk. Je hebt geen lef. Als je me er een had laten opknopen...
Dat had niks uitgehaald.
Als we drie dagen geen land zien en als we tegenslag hebben,
hebben we amper water om terug te varen.
Over drie dagen weten we meer.
Dat zijn landvogels. We zijn dichtbij. Dat moet wel.
Deze schepen, deze mannen, ze zijn hier alleen door mij.
Stel dat ik me vergis. Moeten zij ervoor sterven?
Dat gebeurt niet.
Hunne Majesteiten beloofden 10.000 maravedis per jaar
aan de eerste man die land zag.
We vuurden tweemaal om het te vieren,
maar telkens volgde een bittere teleurstelling.
Want het bleken maar verre wolken te zijn.
Net voor ons avondgebed hebben we dit uit de zee opgevist.
God heeft ons een teken gegeven. Kijk.
Een bloem.
Hij heeft ons een teken gegeven. We moeten dichtbij zijn.
We zijn heel dichtbij. Die bloem is een teken.
12 oktober 1492
Een licht. Zie jij licht, Castillo? - Ik zie niks.
Het is weg.
Wat denk jij ervan? - Ik weet niet, kapitein.
Land.
Land. Land in zicht.
Ik ben rijk. Ik ben rijk.
Esteban, vuur het kanon af. - Ja, kapitein.
Godzijdank.
Laten we bidden.
Kom aan wal.
In het bijzijn van de koninklijke schrijver
neem ik op deze dag, vrijdag 12 oktober 1492,
dit land in bezit namens het katholieke Spaanse koningspaar.
En ik noem het San Salvador.
Als koninklijke schrijver kondig ik dit af.
Hunne Majesteiten schenken u de titel van Don.
Voortaan bent u admiraal van de oceaan,
onderkoning en voor eeuwig gouverneur van dit land
en van latere ontdekkingen.
Zweer je trouw aan de onderkoning en aan de admiraal van de oceaan?
Dat zweren wij.
Het is een eer om u te dienen.
En het avontuur gaat door.
Columbus krijgt tegenslag op zee.
Het spijt me zo, kapitein. - Spijt? De Santa María zinkt.
Hij ontdekt een stam.
Er breekt een strijd uit om macht, om zieltjes, maar vooral om goud.
We hebben vast al het goud gevonden, maar blijf zoeken.
Koning Ferdinand wil goud, niet de ziel van wilden.
Hij krijgt het allebei. - Geen beloften meer, admiraal.
Terwijl hij goud zoekt, jaagt Columbus zijn droom na.
Na negen dagen stappen hebben we alles volbracht. Na al die jaren.
Hij ontketent tomeloze krachten.
Maar de strijd om de Nieuwe Wereld maakt van zijn droom een nachtmerrie,
vol verraad. - Colombo is maar een gewone man.
Geen wonder dat hij wrok koestert tegenover Spaanse edellieden.
U hebt Spanje bedrogen.
Admiraal Colombo, ik moet u arresteren. De boeien.
Herbeleef de droom in de volgende aflevering
en de pracht en praal van de ontdekkingsreizen.
Het koningspaar en Christoffel Columbus, de legende en de man.
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.