All language subtitles for Maigret - Bruno Cremer - 25 - Maigret et lenfent de choeur.NED

af Afrikaans
ak Akan
sq Albanian
am Amharic
ar Arabic
hy Armenian
az Azerbaijani
eu Basque
be Belarusian
bem Bemba
bn Bengali
bh Bihari
bs Bosnian
br Breton
bg Bulgarian
km Cambodian
ca Catalan
ceb Cebuano
chr Cherokee
ny Chichewa
zh-CN Chinese (Simplified)
zh-TW Chinese (Traditional)
co Corsican
hr Croatian
cs Czech
da Danish
nl Dutch
en English Download
eo Esperanto
et Estonian
ee Ewe
fo Faroese
tl Filipino
fi Finnish
fr French
fy Frisian
gaa Ga
gl Galician
ka Georgian
de German
el Greek
gn Guarani
gu Gujarati
ht Haitian Creole
ha Hausa
haw Hawaiian
iw Hebrew
hi Hindi
hmn Hmong
hu Hungarian
is Icelandic
ig Igbo
id Indonesian
ia Interlingua
ga Irish
it Italian
ja Japanese
jw Javanese
kn Kannada
kk Kazakh
rw Kinyarwanda
rn Kirundi
kg Kongo
ko Korean
kri Krio (Sierra Leone)
ku Kurdish
ckb Kurdish (Soranî)
ky Kyrgyz
lo Laothian
la Latin
lv Latvian
ln Lingala
lt Lithuanian
loz Lozi
lg Luganda
ach Luo
lb Luxembourgish
mk Macedonian
mg Malagasy
ms Malay
ml Malayalam
mt Maltese
mi Maori
mr Marathi
mfe Mauritian Creole
mo Moldavian
mn Mongolian
my Myanmar (Burmese)
sr-ME Montenegrin
ne Nepali
pcm Nigerian Pidgin
nso Northern Sotho
no Norwegian
nn Norwegian (Nynorsk)
oc Occitan
or Oriya
om Oromo
ps Pashto
fa Persian
pl Polish
pt-BR Portuguese (Brazil)
pt Portuguese (Portugal)
pa Punjabi
qu Quechua
ro Romanian
rm Romansh
nyn Runyakitara
ru Russian
sm Samoan
gd Scots Gaelic
sr Serbian
sh Serbo-Croatian
st Sesotho
tn Setswana
crs Seychellois Creole
sn Shona
sd Sindhi
si Sinhalese
sk Slovak
sl Slovenian
so Somali
es Spanish
es-419 Spanish (Latin American)
su Sundanese
sw Swahili
sv Swedish
tg Tajik
ta Tamil
tt Tatar
te Telugu
th Thai
ti Tigrinya
to Tonga
lua Tshiluba
tum Tumbuka
tr Turkish
tk Turkmen
tw Twi
ug Uighur
uk Ukrainian
ur Urdu
uz Uzbek
vi Vietnamese
cy Welsh
wo Wolof
xh Xhosa
yi Yiddish
yo Yoruba
zu Zulu

Original subtitles

Ik was ook misdienaar, toen ik zo oud was als jij.

Dat was in 1910 of 1911. In net zo'n klein kerkje als dit.

Ik had net zo'n rode toog als jij, maar met 'n wit kraagje.

Stel je voor, dat is al meer dan veertig jaar geleden.

Toen had iedereen de mond vol van Mistinguette, een danseres.

Ik ging ook altijd lopend van huis om geld te sparen.

Maar zoiets raars is mij nooit overkomen. Zelfs niet in m'n dromen.

Als ik 't wel heb, zei je in je verklaring dat je op dinsdag 22 oktober...

...onderweg naar de kerk getuige was van een moord. Toe maar.

Weet je zeker dat je goed wakker was?

Was je laat?

En liep je je normale route? Waarlangs precies?

Net als altijd, door de Rue du Caillou.

En dan de Rue de l'Eglise in. Zo loop ik elke dag.

Hoe laat was 't? Dat moet ik weten omdat zoiets in zo'n zaak belangrijk is.

Net voor zessen. Ik was niet laat en ik heb 't niet gedroomd.

Bij Castagnet hoorde ik de kerkklok.

- Wie is Castagnet? - De antiquair.

En daar ontdekte je het lijk? Net voorbij de antiquair?

Eerst niet, ik keek omhoog of ik hem zag. Achter z'n raam.

- Wie is 'hij'? - Rechter Mézières.

- En zag je hem? - Ik geloof van niet. Het was donker.

- En toen? - Toen zag ik hem liggen. Iets verderop.

Hij was heel groot. Hij lag dood op de stoep. Met 'n mes...

Was je bang? Rende je weg?

Eerst kon ik me niet verroeren.

Toen zag ik de moordenaar. Hij dook opeens op.

Hij had pikzwarte ogen die gemeen flikkerden.

- En toen? - Toen rende ik naar de kerk.

- En hij? - Hij is vast de andere kant opgegaan.

- Hoe weet je dat hij de moordenaar was? - Door die gemene ogen.

Waarom rende je weg?

- Ik was bang. - Voor de man die daar stond...

- ...of voor de man op de grond? - Voor allebei.

- Zei die man met z'n gemene ogen niks? - Nee.

Heeft hij je niet bedreigd?

- Of iets geschoven? - Hoe bedoelt u?

Dat hij je geld heeft gegeven om te zorgen dat je je mond houdt.

En zo? Is dat niet meer zoals het echt was?

Geen lijk, geen moordenaar.

Alleen 'n grote leugen. Om interessant te doen?

- Commissaris, we staan te wachten. - Ik ga al.

Die Etienne is 'n eersteklas fantast. Van 't Grieks: phantazein.

Afwezige vader, overwerkte moeder. Heren...

Dat verzint 'n plan, voert 't uit en 'n dag later is hij beroemd in de hele wereld.

- Nou, de hele wereld... - De hele stad dan.

- De hele wijk. - Voor hem is dat heel veel.

Maar is 't wel verzonnen?

- Wedden? - Ik heb nooit geluk in 't spel.

- Waar zit de vader? - In Australië.

Die neemt vast 'n kangoeroe voor 'm mee als hij 21 wordt.

Alleen heeft hij 'm niet zien opgroeien.

Echt 'n prima mens, die moeder.

Ik sta steeds weer versteld van u.

U komt bij ons reorganiseren. En ons, werkmieren, wakker schudden.

En u bedenkt gewoon 'n onderzoek. Stilzitten is niks voor u, hè?

Ze woont daar.

Als u me zoekt, ik logeer in 't hotel.

Heel goed, die bezem door 't mierennest. Eh, ons bureau.

- Gaat u dat in Metz ook doen? - Ja, of elders.

Wat 'n rotklus.

- Tot later, Luchard. - Tot later. Deze werkmier groet u.

Het is net als vroeger bij mij thuis.

Het rook er altijd naar koffie. En op donderdag naar toffees.

Mijn moeder had ook altijd mijn rapport op tafel liggen.

Zodat ik m'n best deed. Hij heeft best goede cijfers.

Nee, bedankt.

- Ik was ook misdienaar. - Dat zegt niks.

Alsof ze dan geen kattenkwaad uithalen.

Denkt u dat hij liegt?

Nee. Hij was echt van de kook. Hij begon voor 't eerst over de dood.

Wat zei hij dan?

Dat de man niet meer bewoog.

En toen vroeg hij of...

- Hij vroeg of? - Of zijn vader ook dood was.

- Wat hebt u gezegd? - Ik zei van niet, natuurlijk.

Dat hij in Australië zit. Dat is echt zo. Ik heb 't op zijn wereldbol aangewezen.

Wie hoort hierin, denkt u?

- Een getrouwde vrouw. - Klopt.

Ze is in de dertig en lijkt bijna ingetogen als je haar overdag tegenkomt.

Misschien goed.

Ze aanbidt haar man en deze verleidelijke lingerie moet 't vroegere geluk oproepen.

Mis.

De halve stad heeft dit wel eens gezien, met mevrouw Dupin-Duclos erin.

En de bedrogen echtgenoot bijt op 'n houtje.

- Zou u dit door 'n ander laten strijken? - Zoiets heb ik niet in m'n kast.

Nou, ik niet. Dan zou ik me ontzettend naakt voelen.

Theetijd. Dat wordt weer genieten van de prefect, z'n vrouw en hun deugniet.

Mijn zoon is 'n goede jongen. Hij bezorgt me nooit last.

Hij komt redelijk mee op school.

Hij vraagt nooit 't onmogelijke van me. Zijn droom is 'n eigen fiets.

Daar spaart hij voor. Stuiver voor stuiver.

Hij pakt soms wat uit 't huishoudpotje, maar hij weet dat ik 't weet.

Ik droomde vroeger ook van 'n fiets.

- Waaraan was ie doodgegaan? - Van 't lachen?

- Hoe lag hij? - Zo?

Dat is niet leuk.

- En waar zat 't bloed? - Dat was er niet. Hou op.

Je bent 'n dikdoener. Je liegt.

Liegbeest, liegbeest...

- Etienne hoeft morgen niet naar school? - Nee.

- Dan kom ik hem om zes uur halen. - Zo vroeg? Op z'n vrije dag?

Ik wil 'n reconstructie met hem doen. Op dezelfde tijd.

- Dus u gelooft wat hij zegt? - Ik zal 'm buiten opwachten.

Ik maak wel koffie voor u.

- Voor daarna. - Dan zet ik meteen die knoop even vast.

U moet die beroemde Maigret zijn die men hierheen heeft gestuurd...

...om onze vliegende brigade te reorganiseren?

Ik dacht dat de politie nu beter werkte en kinderen niet op hun woord gelooft.

- U bent met pensioen, nietwaar? - Wel zeker. Eindelijk.

Dus u denkt: Die weet wat hier in de buurt gebeurt.

Ja, ik ben nieuwsgierig aangelegd en al doen m'n benen 't niet best meer...

...aan mijn oren en ogen mankeert niets.

Ik slaap weinig. Vaak zit ik al om vijf uur 's morgens in een van die stoelen.

Ik ken de gewoonten van alle bewoners. Huisvrouwen, zakenlui, scholieren.

Vertel dan maar 's over die schooljongen.

- Dus de moord is hier voor huis gepleegd? - Hier vlakbij, ja.

Denk niet dat ik de moordenaar ken, maar u zit op de verkeerde weg.

- Ik zit nog op geen enkele weg. - Ik was al rechter voor u kwam kijken...

- Hebt u Etienne die ochtend gezien? - Dat misdienaartje?

Ik heb weinig met hem op. Ik vind hem slecht opgevoed, of...

...half opgevoed.

Hij steekt z'n tong uit, gooit stenen. Ik ben blij dat ik geen kinderen heb.

Wilt u antwoord geven op mijn vraag?

Wat 'n ongeduld. We staan nog niet voor de rechtbank. Nog niet.

Ik heb Etienne die ochtend wel gehoord.

- U zat dus niet in een van uw stoelen? - Nee.

Ik ben opgestaan nadat de tram voorbij kwam, dus om zes uur precies.

Weet u dat zeker?

- U twijfelt eraan? - Ik reken.

De jongen was laat voor de mis. Ik hoorde hem naar de kerk rennen.

Toen ik keek, zag ik hoe hij door de kerk werd opgeslokt. Als 'n worm.

In geen geval kan die kwajongen pal voor mijn huis een lijk hebben ontdekt.

Dan is hij ook nog 'n leugenaar.

U hebt geen enkel ongewoon geluid gehoord?

- Geen voetstappen, een vallend lichaam... - Helemaal niets.

- Dank u wel. - Het was me een genoegen.

Het spijt me dat ik u moest storen, meneer de rechter.

Veel succes met uw onderzoek, meneer de commissaris.

- U knutselt? - Klokkenmaken is m'n grote hobby.

Die stoelen, dat hoort u wel van de antiquair.

Ik heb hem die stoelen verkocht. Meer niet.

- Hij grijnsde wel vals. - Hij is vals.

Hij heeft me 'n poot uitgedraaid toen ik deze zaak kocht.

- Wie was de verkoper? - Hij. Ik heb de pest aan hem.

- En zijn soort moet ik ook niet. - Zijn soort?

- Wat bedoelt u daarmee? - Hebt u dat niet gemerkt?

Hij valt niet op vrouwen. Dat komt niet alleen voor bij antiquairs en kappers.

- En waar was u dinsdag om zes uur? - Boven. Ik woon hierboven.

- En u hebt niets gehoord? - Nee.

- Woont u alleen? - Ik ben gescheiden.

Mijn ex woont in Parijs, aan de Boulevard Richard-Lenoir.

- Op welk nummer? - 110. Hoezo?

- En wie woont hier tegenover? - De zusters Joliette. Heel fatsoenlijk.

De een praat tegen haar kast, de ander doet niets dan poetsen.

- En kent u de jongen? - Etienne? Ik geloof van wel.

Hij heeft ooit kauwgum in 't slot van mijn hek gestopt.

Hij was 't niet geweest, zei hij. Ik heb 'm de wacht aangezegd, de kleine leugenaar.

- Gelooft u zijn verhaal over dat lijk? - Ik weet 't niet.

Ik denk dat 't een verzinsel is. Anders had Mézières beslist iets gezien.

Als u die knoop verliest, kan hij u vertellen waar.

Als u nog iets invalt, noteer 't dan. Ook onbelangrijke dingen.

- Maar ik ben nooit voor negenen op. - Jammer.

- De stoelen van de rechter zijn nep, hè? - Nee, hoor.

Tja, 't Directoire heeft ook maar vier jaar geduurd.

Knap lastig om daarvan iets authentieks te vinden. Tot een andere keer.

- Hoe zegt u? - Commissaris Maigret. Politie.

Hij is commissaris, Marthe. Sorry, mijn zus is stokdoof.

Ik heb 't wel verstaan. Komt u binnen, commissaris.

Let maar niet op haar, ze is stekeblind.

Kent u 't misdienaartje dat hier 's morgens altijd langs komt? Etienne?

Alleen van naam. Maar ik zou 'm niet herkennen, want ik zie echt niks.

- Hij zag dinsdag 'n lijk op straat liggen. - Een lijk? Lieve hemel.

- U komt vast om de meubels te kopen. - Nee, meneer is van de politie.

We doen al ons Henri II de deur uit. Veel te bewerkelijk.

Het was om zes uur 's ochtends.

- Wie was 't? - Als ik dat wist...

- Kon u 'm niet identificeren? - Het lijk is weg.

- Wat zegt hij? - Hij zoekt 'n dode.

- Heb jij iets gezien? Om zes uur? - Wanneer?

- Dinsdag. - Dinsdags doe ik de kelder. Nee dus.

- Hoorde u de tram? - Die voelde ik. Ik voelde 't trillen.

En ik hoorde de auto van Dupin-Duclos...

...de tram en toen lichte voetstappen. Vast en zeker van een kind.

En toen de kerkdeur. En even daarvoor een metalig geluid.

- Maar dat weet ik niet echt zeker. - Waar kwam 't vandaan?

Ergens van straat. Iemand die 'n vuilnisvat binnenhaalde of zo.

De tuinman van Dupin-Duclos. Of misschien mevrouw zelf wel.

- U houdt toch wel van gevogelte? - De vendumeester blijft eten, hij niet.

Dan maak ik vier lekkere porties.

Neemt u 't haar niet kwalijk.

- Mevrouw Dupin-Duclos? Om zes uur al? - Dat kan.

Als ze 's ochtends vroeg thuiskomt, waarom zou ze dat dan niet doen?

- Houdt onze gast van olijven? - Zo gaat 't nu altijd.

De ouderdom komt met nare gebreken. Een glaasje port? Dat zal ons goeddoen.

Nee, dank u. Ik moet gaan, maar ik kom beslist terug.

U bent altijd welkom.

- Meneer? - Commissaris Maigret, uit Parijs.

Ik heb uw onderzoeken op de voet gevolgd. Ik bewonder u zeer.

- Wilt u iets drinken? Een glas bier? - Als 't koud staat.

In mijn werkplaats heb ik 'n spiksplinternieuwe koelkast.

Zo mag ik 't horen.

Ik ken die jongen goed. Aardig, eerlijk. Waarom zou hij onzin verkopen?

- Uit geldingsdrang? - Zeker niet.

Als hij beweert dat hij 'n dode zag, dan was die er ook.

- Ze zeggen dat 't een druktemaker is. - Ze zeggen zo veel.

Etienne is 'n levendig kind. Hij gaat soms mee vissen.

Ik heb vrije tijd, wel wat geld en zijn moeder is zo...

- Zo... - O, ja. Dat vind ik ook.

En dinsdagmorgen, hebt u de jongen toen gehoord?

Dagelijkse geluiden hoor je op den duur niet meer.

- Hoe laat staat u op? - Om zeven uur gaat de wekker, altijd.

- Slaapt u nooit uit? - Niet sinds Solange is weggegaan.

Dat was mijn verloofde.

Uw koelkast doet 't prima.

- Waarom is ze bij u weggegaan? - Vanwege een andere man. Die meer...

En meer dingen.

U bent wel getrouwd, hè? Hebt u kinderen?

- Ik wilde graag een zoon. - Dat kan toch nog?

Voor 'n kind heb je wel 'n moeder nodig. En dat is heel wat anders.

Een moeder. Geen sloerie, begrijpt u?

Ik haal nooit 't vuilnisvat binnen. Dat doet onze tuinman Edgar. En hoe.

U moet weten dat ik 'n zeer overspelige vrouw ben. Die reputatie heb ik ook.

Cupido zit me voortdurend achterna.

- Wilt u uw jas niet uitdoen? - Beter van niet.

- Hoe vindt uw man dit allemaal? - Eerst vond hij 't vreselijk.

Maar de eerste prik is altijd 't pijnlijkst, bij de tiende weet je niet beter.

Een indringende vergelijking.

Als 't geen vuilnisvat was en u om zes uur in uw bed lag...

- Was het 't hek? Al oliet Edgar dat wel. - Voor uw man?

Wie anders? Meneer Dupin-Duclos vertrekt elke morgen om twee voor zes...

...zodat hij niet in processie achter de tram hoeft aan te rijden.

- Verstandige maatregel. - Dat soort verstandige maatregelen...

...verveelden me zo dat ik wel 's wilde weten of alle mannen zo zijn.

- Ben je bijna klaar, Gisèle? - Is dit de goede lengte, mevrouw?

Ja, 't is goed, geloof ik.

- Wat vindt u, commissaris? - Ik heb weinig verstand van zomen.

Breng 'm maar naar Hélène.

Hélène doet uw strijkgoed, nietwaar?

Wat bent u goed op de hoogte. U doet uw naam eer aan.

- Kent u haar zoon? - Absoluut niet.

Gisèle brengt de was en op schooltijd ben ik nooit buiten.

Geen idee hoe hij eruit ziet. Ik heb niets gezien, niets gehoord, niets gezegd.

U bent die commissaris, hè?

Ik zeg u vast dat ik huisvader ben. En ik wil geen gezeur.

Ik rij die route elke dag en dinsdag was er niks.

- Maar Etienne... - Die ken ik wel. Een rare snuiter.

Een aartsleugenaar. Hij verzint dat lijk om indruk te maken.

Hij verzint de gekste dingen. Een vader in Australië, reuzenkarpers, dat lijk...

- Ik bezorg niemand last. - Zegt iemand dat dan?

Om zes uur draai ik de Rue de l'Eglise in. Niemand.

Dan schiet opeens Dupin-Duclos' auto voor me langs.

Dat is alles wat er in die straat gebeurt. Elke dag opnieuw.

Maar op 'n dag kom ik 'n halve minuut eerder, ook al hoort 't niet.

En dan zit Dupin-Duclos achter de tram.

- Dat is alles? - Er was geen hond op straat, echt niet.

Jules, 't is bijna zes uur. Waar blijf je?

Hier, drink je melk op.

En doe je sjaal om. Het is koud.

En niet met de deur slaan, je vader slaapt nog.

- Hallo, Jules... - Ik heet Etienne.

Je hebt gelijk. Ik ben Jules. Ik stond even te dromen.

Kom mee.

Wordt u niet misselijk van die pijp, zo vroeg?

Nee, maar je hebt gelijk, 't is vast niet goed voor me.

Doe alles net zo als dinsdag, ook malle dingen.

Ik doe nooit mal.

Toen ik misdienaar was, deed ik onderweg de gekste dingen.

- Heb je niet tegen 't vuilnisvat getrapt? - Dinsdag niet.

- Sleep je 't niet mee naar de antiquair? - Nee, echt niet. Ik deed alleen dit.

- En laat je 't deksel daarna niet vallen? - Nee.

- Iemand hoorde namelijk 'n metalig geluid. - Dat was ik niet.

- Loop maar door. - Ik leg soms muntjes op de rails.

- Zodat de tram ze plet? - Eerst was ik bang dat ie ontspoorde.

Ik heb er 's een Amerikaanse dollar op gelegd, nog van m'n eerste communie.

Ik heb 't niet verteld, want toen was dat nog 'n hoop geld.

- Nu spaar ik alles voor m'n fiets. - Wacht, ik leg er eentje op.

Die vissen we straks weer op.

- Stop je hier? - Ik plak m'n kauwgum op 't raam.

- De pastoor wil geen kauwgum in de kerk. - Die gooide je toch net in de vuilnisbak?

Ja, maar ook 's in Thiberges slot. Toen bleef hij lang dicht.

Die truc kende ik nog niet. Die moet ik onthouden.

- En toen? - Ging ik op 'n holletje verder.

- Waarom? - Vanwege Mézières. Dat is zijn raam.

Ik steek vaak m'n tong tegen 'm uit.

- Zeg je hem nooit gedag? - Nee, hij mag me niet.

- Waarom? - Omdat ik m'n tong uitsteek.

- Zeg hem af en toe maar gedag. - Nee, hij moet me niet.

Goed, laat maar.

- Als ik hier ben, hoor ik de tram. - Ik hoor 'm ook.

Ik snap best dat je 'n fiets wilt. Dan kun je langer doorpitten.

Ja, ik wil een gele. Met drie versnellingen en 'n bel.

Een gele, dat had ik nooit gedurfd. Ik wilde een zwarte.

En daarna ga ik sparen voor 'n koplamp en fietstassen.

- Goed idee. - Ja, 't duurt alleen zo lang.

Ik pikte soms uit de huishoudpot.

- Ik ook, maar niet tegen mama zeggen. - Ben je mal.

- Komen we nu bij de dode man? - Ja, hij lag daar, languit.

Die andere man stond daar. Ik zag alleen z'n ogen.

En die waren zwart.

Daar komt meneer Dupin-Duclos...

- Heb je hem toen z'n stunt nog zien doen? - Nee, ik was al naar de kerk gerend.

Vertel me nu precies wat je daarna deed. En dan gaan we 't muntje ophalen.

Probeer nog even te slapen.

- Wat zei de commissaris? - Hij onderzoekt de zaak.

- Dus hij gelooft me? - Waarom zou hij niet?

Het is toch waar wat je zegt?

- Gaan ze de moordenaar arresteren? - Natuurlijk.

Die pijp brengt 'n prettige, mannelijke geur in huis.

- Hebt u nooit overwogen om te scheiden? - Nee. Ik dacht dat hij terug zou komen.

Maar er is vast wel 'n andere man in uw leven.

- Waarom denkt u dat? - Zomaar.

- Dat zet de fantasie wel in werking, hè? - Mevrouw Dupin-Duclos is niet mis.

- Verlegen is ze niet, hè? - Ik vond haar nogal...

...uitbundig.

Natuurlijk is er soms 'n man in m'n leven. Maar nooit hier.

En nooit serieus. U kent 't spreekwoord van de ezel...

Ik vond uw zoon wel wat stil.

Sinds dat gedoe is hij veranderd. Hij is nerveus...

...zit maar te piekeren.

Deze is opwindend, hè?

Dit is voor u.

En ik zal die knoop voor u vastzetten.

- Mama, ik kan niet slapen. - Kom maar even.

Ik was 't vergeten, maar ik hoorde die morgen mensen ruzie maken.

- Waar precies? - Bij Dupin-Duclos.

- Waarom zeg je dat pas nu? - Het was aan de overkant van de straat.

Hoorde je ze meteen toen je de Rue de l'Eglise inging?

- Kon je ze verstaan? - Nee, ze schreeuwden te veel.

- Ik ga terug naar de overspelige vrouw. - U hebt de smaak wel te pakken.

Maar 'n knoop zal ze niet aannaaien.

- Mama, ik moet je wat zeggen. - Ik luister.

Een ogenblikje.

Toe maar, vertel 't hem maar.

Dan laat ik jullie nu alleen.

- Wel? - Ik heb gelogen.

- Waarover? - Over alles. Er was helemaal geen lijk.

- Ik heb wel de hele straat lastiggevallen. - Daarom lieg ik ook niet langer.

Je weet dat 'n vals getuigenis afleggen 'n ernstige zaak is?

- Dat wist ik niet. - Daarvoor moet je naar de gevangenis.

- Zijn jullie uitgepraat? - Helemaal.

Het is toch beter om maar eerlijk de waarheid te zeggen, hè?

Ik stop met m'n onderzoek, maar iedereen komt wel te weten dat je hebt gelogen.

Dus laat dit wel de eerste en de laatste keer zijn.

- Gelukkig is er nu een dode minder. - Maar jammer dat we u niet meer zien.

Wat heb ik u gezegd? De jeugd fantaseert er maar op los.

Ze zien 'n dode tak op de weg en verzinnen 'n heel epos.

Van 't Grieks: epopoiia, 'degene die verhalen maakt'.

- Doet u graag kruiswoordraadsels? - U ook?

Niet echt.

- De zaak is gesloten. Daar gaat 't om. - Vertrekt u meteen?

Morgen. Dan heb ik 'n rustige avond.

En als ik u eens uitnodigde om vanavond uit eten te gaan? Alleen wij tweeën?

- Om acht uur hier? - Laatste uitstel.

- Meneer? - Goedemiddag.

- Commissaris Maigret, recherche. - Wat heb ik gedaan?

- Wat wilde die jongen van zonet? - Een fiets, natuurlijk.

Dat gaat al maanden zo. Ik moest die daar apart zetten.

- Er moet nog 'n bel op. - Die komt er ook op.

- En nog 'n lamp en fietstassen. - Daarvoor moet hij nog doorsparen.

U kent hem trouwens goed.

- Heeft hij u geld gegeven? - Nee, alleen 'n papier.

Een papier?

De fiets wordt maandag opgehaald.

- Door wie? - Dat heeft hij niet gezegd. Iemand.

- Mag ik dit houden? - Als ik 't voor maandag terugkrijg.

Dan hebt u 't niet meer nodig.

'Tegoedbon voor een gele fiets'

- Waarom volgde u hem nog? - Geen idee. Beroepsdeformatie.

- Wie weet heeft ie genoeg gespaard. - Dan haalde hij 'm zelf.

Kom, we gaan eten en drinken op dat rare lijk. Als 't bestaat.

- Hebt u nooit van een fiets gedroomd? - Nee, fietsen heb ik nooit goed gekund.

- Heeft hij voor 'n fiets gemoord, denkt u? - Ik denk niks, beste Luchard.

Ik maak 'n puzzel van 'n straat en 't stukje van de dode man is zoek.

En waar 't hoort weet ik ook niet.

- Heeft hij weer gelogen? - Hij doet niet anders.

Maar wel deerniswekkend slecht.

- Dus u blijft? - Ik blijf.

- En er was wel degelijk 'n lijk. - Ik ben bang van wel.

Hij was van streek, ja. Omdat hij te laat was.

Enkel als excuus daarvoor is hij in staat om 'n dode te verzinnen.

- Maar dat zou hij u toch verteld hebben? - Dat deed hij ook.

- Hoe precies? - Hij huilde en wilde niets zeggen.

Toen heb ik hem in de biechtstoel gezet en daar...

- Waarom hebt u me dat niet verteld? - En 't biechtgeheim dan?

Hij zei dat hij een dode man op straat had zien liggen.

We gingen buiten kijken, maar er was niets te zien.

Eerst wilde hij er tegen niemand meer over praten.

Maar ik heb hem gezegd dat 't zijn plicht was om het te vertellen.

- Zei hij tegen u of hij de man kende? - Absoluut niet.

- Waarom wilde hij niets zeggen? - Ik zou 't niet weten.

Waarom rakelt u dit hier beneden op?

Ik moet de zaak nu eenmaal in dit ondermaanse oplossen.

Kent u dit handschrift?

Ik weet niets van grafologie.

- Vraag 't aan Denise Joliette. Kent u die? - Ik heb haar ontmoet.

Ze miskent het geloof en spreekt op God onwelgevallige wijze met de doden.

Bovendien ontleedt ze het karakter van de mens via zijn handschrift.

- Wat bent u opeens mededeelzaam. - Enkel om mijn goede wil te tonen.

Ga in vrede en moge God u behoeden.

Vriendelijk van u om me bij Hem aan te bevelen.

- Wat zei de pastoor? - Dat hij u weinig zag.

De idioot.

- En die paar woorden? - Met de hoofdletters kan ik niks.

Maar met de datum wel. Beslist een man.

Misschien 'n teleurgesteld man. En beslist 'n leugenaar.

Dat laatste had ik wel gedacht. Maar u herkent 't handschrift niet?

- Dag, dokter. - Commissaris. De dokter komt straks.

Hoe dan ook, ik heb aal gekocht.

- Herken jij dit handschrift? - 'Tegoedbon'. Is die voor u?

- Herken je het handschrift? - Het is van jou, toch?

Ik schrijf zo: Aal, uien, witte wijn. Een gele fiets staat er niet bij.

De aal kronkelt zo dat ik er bijna van omval. Gelukkig bent u hier, dokter.

Nee, 't is niet van een van m'n klanten die me ooit per cheque heeft betaald.

- Zijn de mensen in de straat klant bij u? - Bijna iedereen komt hier wel eens.

- En de pastoor? - Nee, zijn handschrift is 't ook niet.

- Castagnet? - Hij laat hier veel horloges repareren.

Maar hij schrijft met kleine, schuine letters.

- Denise en Marthe Joliette? - Arme Denise. Ze werkte voor me.

Maar ze kon geen smaragd van 'n saffier onderscheiden. Zij is 't ook niet.

En de rechter?

- Mézières? - Ja?

Dat is nog 's een klant. Die geeft zegelringen weg. Als cadeau.

Kijk, deze vindt hij mooi.

Ik moet de naam van de gelukkige aan de binnenkant graveren met de datum.

Kijk maar.

'Gérard - 1949'.

'Julien - 1951'. Daarna ging 't langzamer.

- Helaas is 't niet zijn handschrift. - Waarom 'helaas'?

Het is een afschuwelijke man. Die vriendjes van hem zijn schoften.

Dus als er problemen in de straat zijn...

- En hoeveel kost zo'n zegelring? - Zo'n duizend frank. Zonder inscriptie.

- En mevrouw Dupin-Duclos? - Voor haar kopen ze in Parijs.

Niet hier bij die simpele Thiberge.

Dit is mijn handschrift.

Ze kletsen over me, bespotten me. Ze lachen me uit.

Ze wijzen nog niet naar mijn huis. Als ze 't wagen...

Ze geven je aan. Net zoals dat 'n poosje geleden ook gebeurde.

En wat zouden ze hier op naaien als 't opnieuw begon? Een aap. Een roze aap.

- Anders zijn roept altijd dom gepraat op. - Bedankt voor uw opstelling.

Ik hou nu eenmaal van mannen. Aan wie ik dat te danken heb...

Aan God? Aan mijn lieve moeder?

Mijn vader telt niet, die heb ik nooit gekend.

Maar dat fietsbriefje zou voor de rechter niets waard zijn.

Geen handtekening en 'n verdraaid handschrift.

Maar u hebt gelijk: Dit is niet van de jongen. Het is te volwassen.

- De nacht van de moord... - Nee, de vermeende moord.

- Had u toen gezelschap? - Nee, geen kandidaten voor 'n zegelring.

Ik zal u iets zeggen: Ik ben nog steeds gelovig, maar niet praktiserend.

Ten tweede: Wees gerust, u bent absoluut niet mijn type.

Dus om de vraag te beantwoorden die u niet stelt:

Het kan hier al heel lang niet meer gaan...

...om 'n afrekening van homo's met 'n pesthumeur.

- U gelooft dus wel dat er 'n lijk was? - Meteen al.

- Waarom deed u dan alsof? - U bent de rechercheur.

En ik maar 'n oud rechtertje dat goed en kwaad door elkaar haalt.

Ik wil niet grof zijn, maar ik moet het u vragen:

- Heeft u ook liefdesbetrekkingen met... - Met kinderen?

Nee, ik ben beslist geen pedofiel, al hoor ik zulke kletspraatjes wel.

Ik hou juist van mannen. En dan bedoel ik echte mannen.

Maar die kiezen voor 'n vrouwenbed. Dus vinden wij moeilijk 'n wederhelft.

De straf voor iedereen die de roze aap zou kunnen dragen.

- Kan ik gaan zitten? - Zeker, die is goed. Niet van Castagnet.

- Had u gisteren niet nog iets te zeggen? - Zoals?

Nadat de jongen door de kerk was opgeslokt als 'n worm...

...werd hij ook gauw weer uitgespuwd, samen met de pastoor.

Misschien keek ik net de andere kant uit.

- Waarheen dan? - Dat weet ik niet meer.

- Ik geloof er geen woord van. - Op mijn leeftijd word je vergeetachtig.

Waarom vertelt u me toch niet meteen alles?

Dat vind ik leuk. En 't is mijn wraak op dit leven.

Misschien weet ik 't morgen weer. Komt u dan terug?

- Geen spelletjes. Er is 'n man dood. - Eerst bewijzen.

Ha, commissaris. Nog nieuws?

- U bent niet echt vroeg. - Eerst rustig opstaan, dan aan 't werk.

En is u nog iets te binnen geschoten?

- Ja, maar niks belangrijks. - Juist dat interesseert me.

De ochtend van de moord...

- Welke moord? - Dat weet u best.

- Niet echt, nee. - Dinsdag, toen ik de winkel open deed...

- Om tien uur... - Zoiets, ja.

- Toen zag ik Etiennes moeder. - Hélène?

Ze bracht daar strijkgoed en ging naar de winkel aan de overkant.

- Naar Thiberge? - Precies.

- Ik klets als 'n conciërge. - Dat zeiden ze ook bij de zaak Landru.

Komt dit handschrift u bekend voor?

Nee, totaal niet. Ik herken 't niet.

Ik ken u van gezicht. Bovendien weet ik welk soort marc u graag drinkt.

- Proef dit maar eens. - Bedankt.

- Uitstekend. - U zegt 't.

Ik kan u weinig zeggen over die verdwenen dode.

Heeft die gele fiets ermee van doen?

- Is 't normaal dat u overdag thuiskomt? - Nee, ik kwam wat stukken halen.

- U komt voor mijn vrouw? - Ik ken haar al.

Ze heeft me niets over u gezegd. Dus u valt in de smaak.

- Er zou hier 'n flinke ruzie zijn geweest. - Een? Tien. Honderd.

Ik heb haar al wel twintig keer willen ombrengen.

- Dinsdagmorgen. - Ja, voor ik de deur uitging.

- Om zes uur? - Twee voor zes. Om de tram...

Ik weet 't. Om de tram voor te blijven. Dat is algemeen bekend.

- Ik dacht dat uw vrouw laat opstond. - Of vroeg thuiskomt.

En dinsdag? Was ze laat thuis of vroeg op?

Toen ik in haar slaapkamer kwam, was ze half aan- of uitgekleed.

Ik vraag allang niet meer wat ze doet.

Maar haar kennende vermoed ik dat 't een lange nacht was.

- Weet u met wie ze omgaat? - Haar minnaars? Natuurlijk ken ik die.

Zij denkt van niet.

Maar ik kan 't niet laten om 't uit te zoeken. Telkens weer.

Het doet pijn, maar ik kan niet anders.

Ik kijk waar ze wonen, kom ze tegen, voel soms hun spottende blikken.

Stuk voor stuk zijn 't lelijke, gemene, egoïstische profiteurs.

En allemaal willen ze me pijn doen. Maar waarom mij?

Ik weet wat u denkt. Ja, op 'n kwade dag zou ik er een kunnen ombrengen.

- Commissaris. Leuk u terug te zien. - Zei ik 't u niet?

- Hadden we 'n afspraak? - Ik kwam toevallig voorbij.

Ik moet gaan. Ik heb helaas geen tijd om mijn vrouw te vragen waar ze was.

Maar toch heeft u wel een duidelijke vraag, nietwaar?

Ik wil meer weten over die ruzie van dinsdag.

- Dat heeft mijn man u toevertrouwd. - Nee, dat heb ik niet van hem.

- Van wie dan? - Geeft u antwoord.

Hij had ontdekt wie mijn huidige minnaar is en maakte een scène.

Bovendien is 't een vriend.

- Een vriend van wie? - Van ons beiden. Hij kwam bij ons thuis.

Ik moet zijn naam weten.

- Is dat echt nodig? - Dat is zwak uitgedrukt.

Ging u dinsdagochtend uit of kwam u juist thuis?

Ik kwam thuis.

- Dat hebt u de vorige keer niet gezegd. - Ik zei toen dat ik in bed lag.

- En u hebt op straat niets gezien. - Niets.

- Weet u dat zeker? - Ja.

Wees zo goed en schrijf de naam, de voornaam en 't adres...

...van de laatste uitverkorene op.

In hoofdletters.

Julien Loret, kunstschilder.

Chemin des Bretons, 8.

- Een genie, vindt u niet? - U gebruikt grote woorden.

Hoe lang zou hij wegblijven?

- Ze is knap, hè? - Kent u haar?

Met liefde gedaan. Hij houdt van haar.

Geeft u nooit antwoord op vragen? Hoe lang blijft hij weg?

Ik weet niet. Hij had 't over Libitum.

- Ad libitum. - Ja, dat was 't. Maar waar dat ligt...

- Is dit uw handschrift? - Beslist niet.

- Aan wie zou ik 'n gele fiets geven? - Aan Etienne.

Dat zou ik graag doen.

U kent 't handschrift niet?

- Het is van een man, hè? - Mogelijk.

- Waarom zit 't u dwars? - Ik moet weten wie erachter zit.

Want die persoon heeft de gele fiets aan Etienne beloofd.

Maar in ruil waarvoor?

- Heeft hij ooms? Een peetvader? - Nee, niemand.

Zou z'n vader...

Uit Australië? Dan had ik de brief moeten zien.

- Wie weet is hij teruggekomen. - Dat zou me verbazen.

En hij zou eerder om 'n fiets vragen.

Een van uw minnaars...

- Hoe bedoelt u? - Zou een van hen 'm voor de jongen...

Ten eerste heb ik geen minnaars, meervoud.

Ten tweede doet hij zoiets niet zonder overleg met mij.

Wat deed u dinsdagmorgen bij Thiberge?

Ditmaal is 't te merken dat u van de politie bent.

Ik probeer Etienne te beschermen.

Ik weet 't. Neemt u me niet kwalijk.

Ik ging Thiberge bedanken omdat hij Etienne zondag mee uit vissen neemt.

- Wacht maar op hem, hij komt zo. - Nee, en zeg niet dat ik geweest ben.

Maar die fiets... Is dat om 'm zijn mond te laten houden?

- Drie versnellingen. - Bobet heeft er vijf.

Fausto Coppi heeft er wel tien. Dat zag ik bij m'n oom op de TV.

Ik heb 'm niet voor de Tour de France. Voor hier. En als ik ga vissen.

- Dan heb je meer aan 'n hengel. - Die fiets zie je nooit.

Dinsdag praat je wel anders.

Zijn vroege periode, denk ik. Een tijd van onderzoek, maar al erg harmonieus.

Ik ken alleen werk uit andere periodes.

Waar is Julien Loret?

Ik wilde dat hij wegging.

Ik wist niet hoe m'n man zou reageren, dus moest hij weg tot de bui overwaaide.

- Ad libitum. - In zekere zin.

Helaas zoek ik een lijk.

Dus kan ik geen genoegen nemen met dit veronderstelde reisje.

Mijn man is nooit langer dan 'n week boos. Dan komt Julien terug.

Zorg dat hij nu meteen terugkomt.

Dat is beter voor uw gemoedsrust. En de mijne.

Eend met olijven. Lust u dat?

- Was u verbaasd over mijn uitnodiging? - Ja. Maar ook om u als chef-kok te zien.

Mijn dienstmeid is 'n ramp in de keuken. Dus heb ik 't mezelf geleerd.

Gaat uw gang.

- Zal ik voor u opscheppen? - Dit is geen kantine.

Ik wilde 't gewoon nog even met u hebben over dinsdagmorgen.

- Uw geheugen komt terug? - Het lijk kan niet verdwenen zijn.

Mooi. Waar is 't?

- Etienne was laat. Dat zei hij toch zelf? - Inderdaad.

Hij ging dus de kerk in, of liever vluchtte, nadat de tram voorbij gekomen was?

Klopt. De bestuurder heeft onderweg niets gezien.

Maar als dat joch de dode en de moordenaar zag...

...moet hij ook de verdwijntruc met 't lijk hebben gezien.

Nee: Hij smeerde 'm en de moordenaar heeft 't lijk meteen daarna meegenomen.

Goed. Dat is mogelijk.

- Maar laat de moordenaar hem gaan? - Als hij 'm niet meteen doodt, niet.

Hij grijpt 'm beet en zegt: Je houdt je mond, of ik maak je dood.

Doodgaan... De ultieme straf.

Bekijk me goed. Ik ben 'n oude man die langzaam krimpt.

Ik heb mensen gevonnist, soms zelfs de doodstraf gegeven.

Ik was 'n vooraanstaand man. Maar wat ben ik nu?

Een eenzame oude man die niet van vrouwen hield en wacht op de dood.

- Zover is 't nog niet. - Zeker niet.

Maar ik zie de eindstreep al opdoemen en als je die eenmaal ziet...

...maakt 't niet meer uit hoe lang 't nog duurt.

Dus Etienne hoort dat verhaal.

- En uit lijfsbehoud houdt ie z'n mond. - Om in te storten bij de pastoor.

Dus grijpt de moordenaar hem daarna opnieuw en belooft hem een fiets.

Schep nog eens op. U eet weinig. Hier, een vleugel.

Zodoende...

Verdorie. Castagnet, dat je maar in de hel mag branden.

Die stoelen van je zijn brandhout. Daarvoor heb ik meer lijm gebruikt...

...dan 'n meubelmaker in z'n hele leven opmaakt.

Waarom belooft hij 'm dan een fiets? En 'n gele bovendien?

Hebt u die tegoedbon van de jongen gekregen?

Niet van hemzelf.

Kunt u 'm niet vragen van wie die bon komt?

Dan gaat hij weer liegen. Van die gewoonte moet hij af.

Zou 'n pak slaag helpen?

- Een rechter die me aanzet tot geweld... - Goed, ik heb niets gezegd.

- Waarom die fiets? - Opdat hij de waarheid zou verbergen.

- En zeggen dat hij 't lijk niet had gezien. - Waarschijnlijk.

Want de dader heeft 't lijk weggewerkt voor de tram kwam. Waar is 't nu?

- Ergens in 'n kelder. Of in 'n tuin. - Dat denk ik ook, ja.

Dus laten we na 't eten met mijn kelder beginnen. De tuin komt morgen.

Tussen de bloemen of de flessen ligt de waarheid verborgen, commissaris.

Ja, maar zonder dwangbevel kom ik niet in de andere kelders in de straat.

Geen dwangbevel, geen lijk, u zit wel in de puree.

- Bekijk alles maar goed. Ziet u 'n lijk? - Ik geloof van niet.

Ik vraag Jacquillard morgen wel om u 'n dwangbevel te geven.

Kijk eens. Een Pauillac.

Château Pichon-Longueville, Comtesse de Lalande 1949. Op dronk in 1975.

Maar dan zijn we er niet meer, dus...

- Enig idee waar we 't lijk vinden? - Nee. Maar u kunt me 'n plezier doen.

Mocht u bij Castagnet mijn goede stoelen vinden, neem ze dan mee.

Dan krijgt hij die rotzooi terug die hij me in de maag heeft gesplitst.

- Wat moet dat? - Laat me los.

- Eerst uw naam. - Julien Loret.

Mevrouw Dupin-Duclos stuurt me.

Dus u bent de schilder. Mag ik uw papieren zien?

- Niet echt veilig om hier te komen. - Mijn auto staat achter de kerk.

Ik ga altijd bovenlangs als ik Mathilde, mevrouw Dupin-Duclos thuisbreng.

En altijd na zessen, na de tram. Want haar man...

- Ja, ja, dat weet ik. Dinsdag ook? - Net als anders.

Na de tram ging ze naar binnen en ik wachtte tot ik de lamp zag knipperen.

- En verder hebt u niets gezien of gehoord. - Nee.

Of toch. Voor ik wegreed, hoorde ik 'n metalen rolluik.

- Om zes uur? - Niks bijzonders toch?

Wie weet.

- Dat is alles? - Ja, daarna reed ik weg.

- U kijkt wat sip. - Ik heb nog steeds geen lijk.

En ik rekende 'n beetje op u.

Bij de juwelier is geen kelder. Van 't Latijn: cella.

- Jammer. Is Thiberge er nog steeds niet? - Hij is vast de hele dag gaan vissen.

- Ik ga even naar de overkant. - Ik ga ook rondsnuffelen.

Ze halen toch niet de tuin overhoop?

Ik heb overal bollen staan. Tulpen, dahlia's, dat soort spul.

Heeft 't zin, denkt u?

Als ik een van Mathildes aanbidders zou vermoorden, deed ik dat heel langzaam.

En dan zou ik 'm met de auto heel ver wegbrengen.

Dat geloof ik graag. Om twee voor zes, hup voor de tram uit.

En dan de minnaar in 't water gooien. In 't water gooien of begraven?

Begraven is veel werk. In 't water komt 'n lijk naar boven...

Ik mag dan 'n bedrogen echtgenoot zijn, een moordenaar ben ik niet.

Pas op. Dat is echt Louis Seize. Niet zo over de grond slepen. Voorzichtig.

Commissaris, leg uw dobermanns aan de lijn. Ze gaan als wilden tekeer.

Maar zo kunt u toch meteen opruiming houden?

- Wat denkt u hier te vinden? - Een lijk.

- Dat is hier niet. - Zeker weten?

Ik praat met de commissaris.

Dus u gaat uw gang maar, maar laat mij met rust.

Ah, daar hebben we 't lijk.

Van de misdaad die u en de rechter hebben gepleegd.

- Hij heeft me geflest en ik pak wat terug. - Breng ze terug en neem de andere mee.

- U maakt zeker een grapje? - Vandaag niet. U hebt tot morgen de tijd.

- Wat zie je? - Hoor jij iets?

- Geen dode man? - Nee.

Dinsdags doen we de kelder. Die spin is hier flink bezig geweest.

- Die dode hadden we toch moeten zien? - Of horen.

Ja, met mijn oren en haar ogen komen we er wel.

Weet u hoe lang een spin erover doet om een nieuw web te maken?

- Dat interesseert niemand. - Lang geen week.

- Doorzoekt u alle kelders? - Natuurlijk.

- Bij de juwelier was 't vast interessant. - Hij heeft geen kelder, zei hij.

En u gelooft hem? Hij heeft er wel een. Een kleintje. Ik heb er uren gezeten.

Daar heb ik m'n ogen verpest met 't sorteren van al die saffieren en robijnen.

- Weet u dat zeker? - Ik ben wel kippig, maar niet kinds.

U mag niet in z'n kelder vanwege de glimmende dingen daar. Goudschuitjes.

- Nog nieuws? - Thiberge is achterbaks, net als de rest.

- Is hij thuis? - Ik geloof van niet.

Maar zijn huis heeft misschien toch 'n kelder. Van 't Latijn: cella.

Kunt u iemand laten posten tot hij terugkomt?

En kunt u intussen zijn tuin laten doorzoeken?

Wilt u graag moeilijkheden? Ongeoorloofd instellen van 'n onderzoek?

- Hoeveel kost me dat? - Als ik streng ben, twee jaar.

Ik waag 't erop. Ik ben wel aan vakantie toe.

Dit doet me zo denken aan vroeger bij mij thuis.

Wilt u 'n madeleine om uw geheugen op te frissen?

- Dat hoeft niet. Het beeld is helder. - Maakt u vorderingen?

Langzaam.

Blijft u bij me eten?

- En Etienne dan? - Etienne is vissen. Hij heeft brood mee.

- Vissen? Alleen? - Nee, hoor. Met Thiberge.

- Dat was toch pas zondag? - Ja, maar hij kwam ineens vanmorgen al.

Ik ben er niet echt blij mee, maar de jongen heeft geen vader.

Dus neem ik z'n slechte naam op de koop toe. Het is 'n woekeraar, zeggen ze.

Maar ja, Etienne wil niet altijd thuis blijven. Hij moet eruit.

Hij wordt opgehaald, zei ik, maar niet door wie.

Hij zei alleen: Voor je verjaardag zeker? Ik heb niks teruggezegd.

Wat kun jij kletsen, zeg. Maar toen ik zo oud was als jij, deed ik dat ook.

Tegen de commissaris zei ik dat ik had gelogen.

Dat heb ik ook tegen mama gezegd. Ze was niet eens boos op me.

Ze geloofde me. Dat doet ze altijd.

En de commissaris, geloofde die je?

- Ik denk van wel. - Dat denk je?

- Wanneer haalt u de fiets maandag op? - Dat merk je wel.

- Waar wordt er hier gevist? - Overal. In 't kanaal...

Maar Thiberge gaat vaak naar 't meer vanwege de karpers.

- U blijft niet eten? - Daar heb ik geen tijd voor.

Karper is lekker.

- Is uw naam Thiberge? - Ja.

- Had u geen jongetje bij u? - Etienne, ja. Die is naar huis gegaan.

- Wanneer? - Een kwartier geleden.

- Lopend? - Ja, eh... Nee.

We hebben Thiberge. De jongen ging naar huis met 'n andere visser.

Een andere visser...

Hallo...

Ja mevrouw, dat klopt. Inderdaad. Hij is onderweg naar huis.

Graag gedaan. Dat was de moeder.

- Weet u zeker dat Etienne onderweg is? - Nee.

- En Thiberge? - Ook niet.

De juwelier is er niet, maar de jongen rende net naar de kerk.

Kletsnat, met de duivel op z'n hielen.

De jongen is hier. Waar is de juwelier? Die visser.

- Die vertrok gelijk met ons. - Waarheen?

Hierheen, door 't bos. Dat is korter. Is die vent juwelier?

Luchard...

- Waar is de andere ingang van de kerk? - Bij de sacristie, links.

Geef me je pistool. Het mijne ligt thuis.

- Denkt u dat Thiberge... - Hoe moet ik dat weten?

Weet je waar ik me vroeger verstopte?

Ik heb 't twee keer gedaan.

Een keer om de abt ertussen te nemen.

Hij heette Roussel.

Die gaf me toch 'n uitbrander.

En de tweede keer was...

...toen ik appels had gepikt en de winkelier me achterna kwam.

Kom er maar uit.

- Kwam hij je achterna? - Ik weet niet, ik was bang.

Ik ook.

Hier, om je af te drogen.

Waar lag 't lijk nou?

- Bij Thiberge voor? - Ja.

Ha, onze visser. Voor dolfijn gespeeld?

We hebben een deur ontdekt naar Thiberges tuin.

Thuisgekomen via de achterdeur. Van 't Grieks: thura.

Nee, van 't Perzisch: dar. Nu jij weer, Luchard.

Nog steeds geen lijk, maar wel de moordenaar.

Ga boven kijken. Jij bij de winkeldeur en wij gaan naar de tuin.

Je ziet waar 'n leugen toe kan leiden.

Eén zandkorreltje in 't rad van de waarheid en alles gaat mis.

Nu ga ik naar de gevangenis, hè? Maar hoe moet 't dan met mama?

Daarom moet iedereen bij de rechtbank ook zweren de waarheid te spreken.

Om die zandkorrel eruit te houden.

Let op. Hij gaat er vandoor.

Pas op, hij is gewapend.

- En? - We hebben 'm. Levend, dankzij mij.

Dankzij u? Ja, want ik schiet als 'n oud wijf.

- Wat gaan ze met meneer Thiberge doen? - Hij krijgt straf.

- Waarom heeft hij 't gedaan? - Dat moeten we 'm eerst vragen.

Maar ik heb wel zo'n idee. Het is 'n stelletje boeven bij elkaar.

Thiberge leent geld in ruil voor sieraden van een meneer X zullen we maar zeggen.

Maar meneer X is niet in staat de rente te betalen.

- Wat is dat, 'rente'? - Dat vertel ik je later wel.

Dus Thiberge verkoopt de sieraden om zijn geld terug te krijgen.

Maar meneer X wilde ze helemaal niet verkopen.

Hij komt ze terughalen, als 'n dief in de nacht.

Maar het is te laat. Ze krijgen ruzie...

Ze krijgen ruzie, Thiberge wordt bang, er duikt 'n mes op en 't wordt 'n drama.

- Meneer X wordt vermoord. - Precies.

Jij bent toevallig getuige en daar moeten boeven niks van hebben.

- Wat is dat? - Van hem gekregen.

- Van wie? - Met alles erop en eraan.

Als ik nooit meer lieg.

Van wie dan?

Dat heb ik in jaren niet gedaan. Maar 't klopt, je verleert 't niet.

Zo kunt u met hem meerijden. Hij hoort beter bij u dan bij mij.

Wat is er zo grappig?

Ik kan helemaal niet fietsen.

Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.