Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Downloaded from YTS.MX
Official YIFY movies site: YTS.MX
Weten jullie dat het vanavond over de Eerste Wereldoorlog gaat?
Ik zie sommigen een beetje schrikken.
Deze voorstelling is gemaakt op vraag van de provincie West-Vlaanderen.
Die stelde vast dat het oorlogsverhaal van onze streek
niet zo bekend is in andere provincies.
Dus ze vroegen me dat verhaal in andere provincies te vertellen
als een soort ontwikkelingssamenwerking.
Ik ben akkoord gegaan en intussen zijn we klaar met die tournee.
Toen zeiden ze: 'We denken dat West-Vlaanderen dat verhaal kent,
maar wil je het toch nog eens in Kortrijk vertellen?'
Ik kreeg carte blanche.
Ik mocht dat verhaal vertellen zoals ik dat wilde, in de vorm die ik wilde.
Ik dacht: Stel dat ik een film zou mogen maken over die oorlog,
stel dat ik weet hoe dat moet en ik er het geld voor heb,
stel dat ik kan werken met heel goede acteurs en actrices,
getalenteerd, maar nog onbekend, ontdekkingen.
Stel dat we kunnen werken met goede geluidstechnici,
zodat je in de verte het gerommel en gedonder van het front kunt horen.
En het budget is echt de moeite,
zodat we onze eigen loopgraven kunnen laten graven,
bombardementen laten uitvoeren,
vliegtuigen elkaar laten achtervolgen, en neerschieten, zodat ze neerstorten.
En we hebben de juiste kostuums, héél belangrijk.
Is het 18 juni 1916 in mijn film en zijn de kostuums de 17de net veranderd?
Wij hebben ze, die nieuwe kostuums. We hebben ook de juiste wapens.
De Duitsers hebben die bajonetten met snijtandjes
waar iedereen verontwaardigd over was.
In het begin van de oorlog gooien ze met granaatkartetsen, met shrapnels.
Op het einde van de oorlog gooien ze met brisantbommen.
En we hebben goede schminkers, zodat je ziet
dat de wonden van die brisantbommen veel dieper en smeriger waren
en veel meer etterden dan de wonden van die kartetsen en die shrapnels.
En we hebben 'n regenmachine omdat 't zogezegd altijd regende in WO I.
Slaat nergens op, maar dat is een kleine artistieke toegeving.
Verder ook alles zoals het was.
We laten die tanks naderen, sukkelachtig, met 5 km/u.
En heet dat het was in die tank.
Dat laten we zien met één zweetdruppeltje in de nek van de bestuurder.
In dat ene druppeltje voel je de volledige paniek en adrenaline
die hij moet gevoeld hebben in die tank.
En we hebben een GoPro-camera op zijn helm gezet
zodat we zien wat ze in die tanks maar zagen van wat zich buiten afspeelde.
Ongelooflijk dat die tanks niet steeds tegen elkaar reden,
wat heel moeilijk uit te leggen zou zijn aan de verzekering.
De modder waar die tank traag in wegzakt, ziet er zo realistisch uit
dat je met de bestuurder meedenkt.
Moet hij in de tank blijven en stikken, of eruit kruipen en zich laten neerschieten?
Al die dingen kunnen we laten zien.
De scène met de allereerste vlammenwerpers uit de krijgsgeschiedenis
kunnen we opnemen in het authentieke landgoed, in Bellewaerde.
We breken het pretpark af zodat die zwaarverbrande slachtoffers
krijsend hun rare dansje kunnen doen
zonder dat er steeds een piratenboot door het beeld zwiert.
We kunnen een gifgaswolk op het scherm laten zien,
dreigend, gevaarlijk, echt en groen, of de kleur van dat moment.
De juiste wolken voor de juiste daden: fosgeengas, mosterdgas, yperietgas.
Die wolk ziet er zo gevaarlijk uit dat iedereen in elke cinemazaal
onder zijn stoel tast of er een gasmasker hangt.
En we hebben het budget.
In elke cinemazaal, onder elke stoel, hangt er een gasmasker.
De mensen doen het aan. Gelukkig!
Want we zijn ook in staat die gifgaswolk de zaal in te laten komen.
De mensen rennen in paniek naar buiten, maar de deuren zijn op slot.
Dat is besproken met Binnenlandse Zaken en Staatsveiligheid.
Dat past binnen 't herdenkingsinitiatief.
In het complot zitten: brandweer, psychologen...
Verplegers voorkomen dat de mensen elkaar wurgen als ze naar buiten willen.
Er kan wel een gebroken been, een beroerte of een hartaanval zijn,
maar we hebben het budget om de medische kosten te dragen.
Na vijf minuten gaan de deuren open, of laat ons zeggen, een uur.
Om de paniek te laten doordringen. Na een uur sprint iedereen naar buiten
en dan vallen uit het plafond duizenden klaprozen naar beneden.
Iedereen ziet dat en denkt: dat hoort bij de film.
De film wil zeggen: wees blij dat je leeft. En het rare is: je weet dat het fake is,
maar na alle paniek en reddeloosheid is iedereen ook echt blij dat hij leeft.
Mocht ik dat soort film kunnen maken... ik zou het niet doen.
Ik denk dat ik liever een simpel verhaaltje zou vertellen.
Ik zou het hebben over die spreekbeurt in het eerste leerjaar.
Het was 1983, bij meester Valcke, en de titel van de spreekbeurt was:
De Eerste Wereldoorlog in ons geliefde dorp Geluwe.
En ik had nul op tien.
Ik had er nochtans mijn best voor gedaan.
Uit angst.
Meester Valcke was geen gemakkelijke.
Hij gooide vaak met een krijtje naar je gezicht,
en dan met een bordenwisser om dat krijt van je gezicht te wissen.
Uit ambitie ook.
Ik was de jongste van vier, ik had drie oudere broers.
Twee waren al een heel stuk ouder en zaten al op de universiteit.
En ik wilde daar ook naartoe.
Die spreekbeurt was mijn eerste schoolopdracht voor punten.
Dat was het fundament van mijn volledige verdere studieloopbaan.
Dat moest goed zijn.
Ik wandel naar huis en denk: WO I, wanneer was dat?
Dat klinkt als lang geleden. Ik moet dat vragen aan iemand die al heel oud is.
Dus ik vraag het aan mijn moeder.
Kwaad dat die was. Ze is wel oud, hoor, mijn moeder.
Ze is van 1937.
Ze had wel een wereldoorlog meegemaakt, maar het was een andere.
Ik moet het vragen aan iemand die nog ouder is.
Ik vraag het aan de oudste mens die ik ken.
Mijn peter. Peter Moerput.
Geboren in 1908, gestorven in 1984.
Maar dat wist ik niet, in 1983. Anders had ik hem met rust gelaten.
Peter en meter woonden in dezelfde straat.
Het Moerputje. Dat was het laagste punt van het dorp, van heel Geluwe.
'Moer' kwam van moeras, en daar nog eens een put in.
Wij waren de amfibieën van het dorp. Wij hadden zwemvliezen tussen onze tenen.
Peter en meter woonden achter de bunker, wij voor de bunker.
Daar lag amper 100 meter tussen. En ik zat dikwijls bij peter en meter Moerput.
M'n ouders werkten voltijds, want deeltijds was voor luieriken.
Ze hoopten dat hun vier kinderen verder zouden studeren en dat kostte geld.
Ze hoopten dat wij alle vier op een bureau zouden raken.
Bij mijn drie broers is het gelukt.
Ik zat graag bij peter en meter Moerput.
Ik ben onderweg, kom voorbij de bunker, heb zin om erin te gaan.
Ik zat graag in die bunker.
Die geborgenheid. Voor mij was dat een baarmoeder van beton.
Vandaag ga ik er niet in. Ik ben onderweg naar peter en meter.
Ik ga binnen, langs de achterdeur. Die voordeur werd niet gebruikt.
Dat was een architecturale fout, die moest er niet zijn.
Ik kom binnen in het gangetje en het eerste wat je daar zag,
waren de groene laarsjes van peter. Afgesneden laarsjes.
Galochekes, noemden wij dat. Zeggen jullie dat ook, galoches?
Ja? Jullie hebben meer cultuur dan ik dacht, dat is goed.
Deze schoen werd alleen gedragen
door mensen die vroeger klompen droegen, kloefen. Die zijn verdwenen.
Zelfs in Holland hebben ze alleen oranje toeristenklompen.
Peter had daarmee het gevoel dat hij met twee bollen Gouda rondliep.
Dus ze schakelden over op galoches. Die hebben ongeveer dezelfde vorm
en zitten in dezelfde hipheidscategorie. Dat was vast nogal een overgang.
Van klompen...
naar galoches.
Van hout, hout, hout, naar caoutchouc, caoutchouc.
Dat moet een echt Nike Air-gevoel geweest zijn.
In 't begin ging peter de lucht in met die galoches. Hij vond dat maar vreemd.
Hij heeft toen een steunzool gemaakt voor in de galoches. Een stuk hout.
Dan kon hij daar weer vierkant mee lopen.
Grappig was dat als je met peter galoches ging kopen in de winkel,
dat je altijd terugkwam met rubberen laarzen tot hier.
En als je 'm vroeg waarom hij dat kocht, zei hij:
'Volledige rubberen laarzen kosten evenveel als galoches.
Meer caoutchouc voor hetzelfde geld. Je moet gek zijn om die lage te kopen.'
En dan sneed hij dat stuk van die laarzen eraf met een schaar.
En hij spaarde dat. Hij had zeker 30 stukken afgesneden galoche.
Ik weet het, want ik heb ze allemaal geërfd.
Dat was wel zuur, mijn broers kregen een stuk bouwgrond
en ik kreeg 30 stukken afgesneden galoche.
Ik zei wat ik zeg in slechte restaurants: Het is niet goed, maar 't is veel.
Jullie mogen het gebruiken.
Ik sta naar die galoches te kijken en ik denk:
wat een kleine voetjes heeft peter toch.
Ik ben nog maar zeven jaar
en mijn voeten zijn amper kleiner dan de galoches van peter.
Meter komt het gangetje in: 'Dag, ventje. Ja, peter, die heeft kleine voetjes.
Weet je hoe dat komt? Door de Eerste Wereldoorlog.'
Maar zeg, denk ik, ik ben pas binnen en mijn spreekbeurt is al klaar.
Ze begint te vertellen: 'Toen de Duitsers binnenvielen, in oktober '14,
gingen ze eerst en vooral bomen kappen.
Voor loopplanken in de loopgraven, een paar kilometer verder.
Om houtskool voor te branden.
Dat brachten ze naar de loopgraven. Dat gaf warmte, maar geen rook.
Zo verraadde je niet waar je precies zat.
En het grootste deel van de oorlog lagen die loopgraven vlak bij Geluwe,
dus tegen het einde van de oorlog was alles gekapt.
Moeremaaibos: neer. Congobos: neer.
Peutevinbos: neer. Hennebos: neer.
Allemaal bossen waar je nog nooit van gehoord hebt.
Dat komt omdat ze toen gekapt zijn.
Op den duur was er zelfs geen boompje meer over om een wilgje uit te snijden.
Mijn peter heeft daardoor vier jaar dezelfde klompen moeten dragen.
Tussen zijn zeven en zijn elf jaar.
Net op het moment dat je voeten veel zin hebben in een groeischeut.
Bij hem was dat niet mogelijk.
Zijn voeten zijn ingebonden geweest zoals bij de Chineesjes.
Ik had de eerste zin al voor mijn spreekbeurt.
'Veel mensen die WO I hebben meegemaakt, hebben kleine voetjes.'
Het notitieboekje had ik van meter.
Ik schreef daar alle informatie in die ik over WO I verzamelde.
Meter en ik gaan binnen in de living.
Staande klok...
een zetel die draait. Op de schouw een blikken doos met borstbollen,
een blikken doos met spekken, een blikken doos met koekjes.
En peter die in de zetel zijn krant leest.
'Dag, peter!' 'Dag, kleine!'
Hij leest verder in de krant, over zijn brilletje heen.
Ik heb nooit verstaan waarom je 'n bril hebt om erover te kijken.
Ik dacht dat dat was voor als je plots slecht zag,
dan schuif je dat brilletje omhoog en je kan verder lezen.
Dat is een preventief brilletje, dacht ik.
Ik zeg: Peter, kun jij eens vertellen wat jij hebt meegemaakt in WO I?
Zijn ogen draaien boven dat brilletje snel naar mij en dan weer naar z'n krant.
Hij zwijgt, dat ben ik gewoon.
Maar hij ziet er ook kwaad uit. Ik hoop dat ik niets verkeerds heb gezegd.
'Eet je mee, ventje?' vraagt meter. Peter en ik sprinten naar de tafel.
Eten was het enige waar peter en meter niet spaarzaam mee waren.
Eten dat wij daar deden!
De dag begon met een uitgebreid ontbijt om 7 uur 's ochtends.
Boterhammen, boter, melk, hesp, salami, smeerkaas, choco, charcuterie en
koffie.
Om 9 uur bakte meter eieren
in een pan zo groot als het achterwiel van een tractor.
Peter moest helpen om die pan op tafel te zetten.
En dan aten wij allemaal samen eieren. Omelet, met boterhammen,
die eieren glijden daar makkelijker mee naar beneden.
Om 12 uur aten we pot-eten. Vlees, patatten, groenten.
Bijvoorbeeld worst, patatten, bloemkool, of worst, patatten, rodekool.
Je moet afwisselen.
Als we niet vier keer bij pakten, zei meter beledigd:
'Je gaat de dag niet doorkomen!'
We likten ons bord zo mooi af, alsof een kat het had afgelikt,
waarna meter dat bord horizontaal voor zich hield.
Als ze knikte, mochten we het terugnemen en omdraaien,
en kwakte ze daar een lillende schep pudding op.
We likten ons bord weer zo mooi af dat het de kast in kon, zonder af te wassen.
Om 16u, om de lange periode tussen 't middag- en avondeten te overbruggen,
aten we boterhammen met boter, hesp, salami, smeerkaas, choco, charcuterie
en koffie.
Een paar kopjes verse chocolademelk, warme wafels en een stukje taart,
omdat die kruimels de gaatjes goed vulden.
Om 19u aten we pot-eten. Vlees, patatten, groenten.
Meestal schepte ik nog vier keer bij.
Omdat ik wist dat het moeilijkste stuk van de dag eraan kwam:
een eindeloze nacht waarin er geen eten was
tot aan die verre ochtend.
Peter had daar van alles bij geschreven, in dat boekje.
Ik probeerde dat te lezen, ik begreep er niets van, ik kon het amper lezen.
Ik heb het onlangs opnieuw gelezen, maar dat is raar.
Alsof je iemand leert kennen met meer dan 30 jaar vertraging.
Hoe wij daar zaten te eten...
Dat was een honger van vroeger, die we zaten weg te eten.
Een honger die niet weggaat. Uit angst voor de dag dat er geen eten meer zal zijn.
En voor het zover is, moet je een voorraad bij elkaar hebben geschranst.
Dat zaten wij te doen, een buffer schransen.
Te begrijpen, zij hadden een wereldoorlog meegemaakt.
Maar ik zat erbij alsof ik zelf een wereldoorlog had meegemaakt.
Zo!
Zo fysiek was dat.
Ik weet niet waar wij dat bestek staken. Ik hoop dat het naar daar gericht was.
Ik zou zo graag nog eens zo eten.
Dat mag nu niet meer, hè. Met mate, met manieren. Met gezondheid.
Wij zitten nu in een voedselteam.
Elke week een bak groenten waar je nog nooit van hebt gehoord.
Soms zit er iets tussen dat je herkent, en je zegt: Dat is een wortel.
En dan kijk je eens goed: Nee, het is paars.
Dat heb ik niet graag. Ik heb graag dat mijn eten de juiste kleur heeft.
Anders ben ik op mijn ongemak.
Ik dacht heel de tijd dat het een verborgen kleurentest was.
Als je in die wortel bijt, zou iemand tevoorschijn springen:
'Wat eet jij?' 'Een wortel.'
'Ja? Heeft dat de juiste kleur?'
Ik heb graag dat mijn eten de juiste kleur heeft.
Op restaurant zou ik het niet fijn vinden mocht mijn biefstuk groen zijn.
Ik zou zeggen: 'Pak maar terug.' 'U wilde toch biefstuk?'
'Ja, maar hij is groen. En dan zwijg ik nog van die roze frieten.'
Aardpeer, pastinaak, bijna uitgestorven groenten.
Daar zal wel een reden voor zijn, zeker? De mensen moesten het niet hebben.
Dat blokkeert de hele week de lekkere dingen in de koelkast.
Dat is ook een soort loopgraaf waar je overheen moet komen.
Je doet je koelkast open, en dat staart je aan en wil je een schuldgevoel geven.
Ik doe mijn best om op het internet een recept te vinden
voor die middeleeuwse groenten, maar ik vind er geen.
Weet je hoe dat komt? Het zijn middeleeuwse groenten,
toen was er nog geen internet.
Of er was misschien wel internet, maar geen computers waarmee je erop kon.
Dat kan ook, dat kunnen we niet weten.
Ik eet niet graag paarse dingen.
Als ik iets paars eet, denk ik dat ik geconstipeerd zal zijn.
Ik zie dat paars als een voorspelling
van de kleur van mijn hoofd als ik het weer moet uitschijten.
Zo.
En na het eten zaten we daar.
Onze darmen werkten, onze magen kneedden,
op het ritme van de slinger van de klok.
Onze lijven zweetten van het verteren van dat eten,
dat gekreun, dat gezucht, dat gesteun, die warmte.
Die stoom die ontsnapt langs elk gat dat je hebt.
Die sappen draaien en mengen.
Die enzymen, die slijmen, die brij die kookt.
Je steekt er nog wat bij, je gaat naar de wc,
je duwt, je knabbelt, geen tijd te verliezen.
Blij dat je vanboven opneemt wat je vanonder zal verliezen:
een wafeltje, een taartje, wat cake, een boterkoekje,
tandje bijzetten, tandje bijzetten, of we gaan ontploffen.
Peter stijgt op naar het plafond, meter pakt de karabijn.
Peter zakt weer neer in zijn stoel en zegt: Merci, hoor, het was nodig.
Hij steekt zijn bord uit: Doe nog eens vol.
Nieuw eten in de fabriek, ze schudt en ze beeft,
de schouw kan de stoom niet meer aan,
ze staat te pruttelen, te wankelen, te trillen en te doen...
'Kom, ventje...
we gaan een wandelingetje maken.'
Een wandelingetje? Met peter?
Nog nooit gebeurd. Ik was meer een meterskindje.
Cake, chocoladetruffels, beignets en chocoladetaart bakken,
kroketjes duwen en in het paneermeel draaien, frietjes bakken.
Peter hield meer van zijn land, de krant, de duiven, de tuin.
'Kom, ventje.'
Dat moest tegen mij zijn.
Dat kon niet tegen meter zijn. Meter was een vrouw.
En ze woog 120 kilo.
Naar beneden afgerond.
'Kom, ventje.'
Mag ik mee met de zwijgzame rots?
Dat heeft niet één van mijn drie broers ooit gemogen.
Zijn voeten glijden in zijn schoenen, de gaten in zijn sokken zijn gestopt,
de jaloezie slaat dicht.
We zijn weg.
....doen zijn galoches en zijn steunzolen.
Ik ernaast.
Op mijn Aldi-gympjes.
Ik heb zijn hand vast.
Zijn hand is hard.
Ik ken alleen de hand van meter. Haar hand is zacht en soepel.
Alsof je een biefstuk vasthebt. Een roze.
Peters hand is hard.
Het heeft een vaste vorm, de vorm van dingen grijpen:
een spade, een hark, een uier,
de gashendel van de bromfiets om de duiven weg te brengen,
een hamer, een beitel, een mortelschep,
de kippen slachten,
de prei uit de grond, de tabak trekken,
het is allemaal zo.
Zoals een Playmobil-popje.
Maar met ellebogen.
De galoches stoppen bij de bunker.
'Hier hebben wij nog in gewoond, in de winter van '18, vader en ik.'
Peter sprak!
Meter had me verwittigd voor we vertrokken: 'Verwacht niet te veel.
Hij praat daar niet graag over, hij vindt dat verloren Vlaams.'
Gewoond? In een bunker? Dat zou ik niet kunnen, dacht ik.
Die muren zijn zo hard dat je er geen punaise in krijgt.
Ik zou mijn poster van Jan Ceulemans niet kunnen ophangen.
Er zit ook geen deur in.
Ik heb nooit begrepen dat je zoveel moeite doet om zoiets stevigs te bouwen
en er dan geen deur in steekt.
De vijand nadert, je zit erin met de hele familie, met 50 man.
'Geen paniek, we zitten in een bunker, doe de deur dicht.'
'Er zit geen deur in!' 'Godver! We zijn bedrogen.'
Ik zeg: Maar peter, in de winter, hadden jullie het dan niet koud?
'Ja, we hebben het heel koud gehad.
Kom, we gaan terug naar huis.
Ik heb honger.'
Dat was onze wandeling, 50 meter, maar ik had bijgeleerd over WO I.
'Veel mensen die WO I meemaakten, hebben kleine voetjes.
Het was ook koud in WO I.'
Mijn spreekbeurt was weer verdubbeld.
De volgende avond aten we puree met gehakt en stukjes worst,
overgoten met een kaassaus met stukjes spek erin,
bestrooid met een beetje gruyère, voor een mooi gegratineerd korstje.
Peter had vijf keer bij gepakt. Zijn verteringsproces was niet mals.
Alsof hij twee judoka's was die elkaar met ippon probeerden te vloeren.
Hij rolde over de tegels, met zijn handen de pijnlijke inhoud van zijn maag
naar buiten aan het masseren, naar beneden of naar boven,
om het even, als het er maar uit kwam.
Ik zag hem rollen en dacht: Er zal vandaag niet gewandeld worden.
Twee knetterende scheten later...
'Kom, ventje, we gaan een wandelingetje maken.'
Yes!
Die caoutchouc op de macadam.
Wat zal hij me vandaag vertellen?
Hij leunt op mij vandaag, ik ben zijn wandelstok.
Omdat hij spierpijn heeft van de wandeling van gisteren.
De galoches stoppen weer bij de bunker.
'Hier hebben wij nog in gewoond, in de winter van '18, vader en ik.'
Bevestiging van de informatie.
Bron herhaalt verklaring van gisteren.
Nu moet ik proberen nieuwe informatie los te weken.
'En je moeder, peter? Waar was zij?
Was zij ook bij je vader en jou, in die bunker, in de winter van '18?'
'Moeder niet. Moeder was er niet.'
Waar was moeder? Ik krijg de tijd niet om het te vragen.
Want die galoches gaan de bunker voorbij.
Ze gaan zelfs de bocht van het Moerputje voorbij.
Die galoches stoppen maar bij het huis van Georges Dorme.
Het huis van de Dormes was het enige dat toen in het Moerputje stond, in '14.
'Hier legde Georges Dorme zijn oor tegen de grond in augustus '14.
En hij zei: Ze zijn daar. Ik hoor ze.'
En dat was straf, want ze kwamen pas in oktober.
We stappen het huis van helderhorende Georges voorbij,
en we stoppen pas bij het kapelletje. Dat stond wat hoger.
Je voelde dat er minder zuurstof in de lucht zat, we stonden op zeeniveau.
In dat kapelletje hield Maria de wacht.
En ze deed dat streng, hoor, de armen zo over elkaar.
Dat Jezusje op haar armen had paarse beentjes omdat ze zo gekneld zaten.
Peter stopt bij dat kapelletje, en kijkt naar de lucht.
Ik stop ook, en kijk ook naar de lucht.
Peter ziet daar iets.
Ik zie het niet.
Het Mariabeeldje ziet het ook. Zelfs het Jezusbeeldje ziet het.
Ben ik de enige die het niet ziet?
Peter steekt zijn arm uit en trekt strepen op het blauwe canvas van de lucht.
Ik zie nog altijd niets.
Tot ik het ook zie.
Met de ogen van peter van 70 jaar geleden zie ik ze: twee vliegtuigen.
De eerste vliegtuigen die peter ooit zag. De eerste vliegtuigen boven Geluwe.
Een Duits en een Engels draaien rond elkaar, twee tortelduiven met goesting.
De Duitser nadert de Engelse, bijna tegen elkaar. De Duitser hoest kogels.
De Engelsman trekt zijn neus op en draait een perfecte boog,
tot hij vlak achter het poepje van de Duitser zit. Die weet nog van niets.
De tong van de Engelsman hangt uit zijn bek van goesting.
De Duitser heeft 't door, hij zwenkt nog. De Engelsman knettert.
De Duitser sputtert, zijn vleugel is lam,
hij stottert, hij zwatelt, hij zwenkt en hij duikt,
hij stort en hij zweeft, hij stort en hij zweeft.
En hij stort.
De sjaal van de Engelsman wappert nog: Bye-bye!
Dat is wat er daar volgens mij gebeurd is.
Het enige wat peter zei, was: Hier is een Duitse piloot te pletter gevallen.
Ik wist niet wat dat was, 'pletter'.
Ik weet nog altijd niet wat dat is, 'pletter'.
'Hier is een Duitse piloot te pletter gevallen.'
Dat klinkt als wat wij elk jaar doen met dat varken dat we bij de boer bestellen.
Dat stond toen op het erf, vastgebonden met 'n dun koordje aan zijn achterpoot.
Die oren flapperden omdat hij rondkeek vanwaar het gevaar zou komen.
De beenhouwer naderde op de toppen van zijn tenen.
Met 'n voorhamer in zijn handen.
En dan met die voorhamer op de kop van dat varken...
De puntjes van die oren omhoog, die ogen wijd open.
En toen hij die voorhamer van die schedel haalde,
en je die hersenen zag broebelen, dacht ik: dat is waarschijnlijk 'pletter'.
Dat varken wordt ondersteboven aan een ladder gehangen.
Vastgebonden, want een handstand zou hij niet meer doen.
Die buik wordt opensnijden, met een mes, een taaie rits.
Die ingewanden gleden eruit alsof ze flauwvielen.
Behalve de darmen, daar moest je moeite voor doen.
Eindeloze meters darm moest je eruit trekken,
zoals een pompier de brandweerslang van de vrachtwagen trekt.
'Hier is een Duitse piloot te pletter gevallen.'
Ik zag dat voor me. Dat vliegtuig, in stukken uit elkaar.
Die Duitse piloot daarin, helemaal groggy, dat leren helmpje scheef,
dat zwembrilletje dat ze dragen voor mochten ze onder water landen,
ook helemaal gebarsten.
Maria kijkt en denkt: Oei, dat ziet er niet goed uit.
De keurslager nadert op de toppen van zijn tenen.
Een voorhamer in zijn handen. Op het hoofd van die Duitser...
Hij hangt die Duitser, naakt, ondersteboven aan de ladder.
Dat Duitse pietje belachelijk naar beneden.
Hij snijdt de buik open, de ingewanden eruit,
en die Duitse darmen eruit. Eindeloze meters Duitse darm
trekt die keurslager eruit.
Een uur later staat hij trots en met een nette voorschoot
in zijn etalage te roepen: 'Duitse darmen.
Vandaag hebben we Duitse darmen! Niet goedkoop, maar goed.
Duitse darmen!'
Intussen waren we opnieuw bij de bunker.
Ik had mijn moed verzameld en dacht: nu moet ik het vragen.
Ik zeg: 'Peter, toen je vader en jij hier zaten, in de winter van '18,
waar was je moeder toen?'
Hij zegt niets. Hij staart gewoon wat in de verte.
Ik denk: hij wil er echt niet over praten. Hij zag er verdrietig uit.
Ik denk: misschien waren de ouders van peter wel gescheiden?
Bij Dimitri Vandenberghe uit mijn klas was dat ook.
Zijn ouders waren gescheiden en hij praatte daar niet graag over.
Ik denk: misschien was peter de ene week bij zijn vader, in de bunker,
en de andere week ergens anders met zijn moeder. Co-ouderschap.
Je zal zeggen dat het niet kan,
maar we roken het al toen we deur van de boerderij openden
en peter was weer goedgezind.
Meter stond met haar mouwen opgestroopt
te roeren in een dampende pot met vette darmen.
Het moest nog een dag opstaan, maar we mochten al proeven. Het was kwaliteit.
Ik had het gevoel dat we Duitse piloot zaten te eten.
Mijn spreekbeurt groeide.
'Dag, meester Valcke, dag, collega-leerlingen,
de Eerste Wereldoorlog in ons geliefde dorp Geluwe.
Veel mensen in WO I hadden kleine voetjes, door te kleine klompen.
Het was ook koud in WO I, waardoor mensen hun tenen introkken
en nog kleinere voetjes kregen.
Sommige kinderen hoorden maanden op voorhand het leger naderen
met hun oor tegen de grond.
Soldaten vielen ook te pletter.
Nog opzoeken in de dikke Van Dale wat dat is: pletter.
Deze zin niet lezen.
Dit was mijn spreekbeurt.'
Ik voelde het al, ik zou de ster van de klas zijn.
En daar heeft hij bij geschreven:
'Nu zijt ge misschien wel klaar voor mijn verhalen, kljin.'
Peter had een heel ontroerend geschrift. Het is echt zo geschreven: K-L-J-I-N.
Weet wel: peter was nog maar zeven toen de Duitsers binnenvielen.
Hij zat nog maar net in het eerste leerjaar.
Toen ze binnenvielen, was de school gedaan voor vier jaar,
en toen ze herbegon, was hij elf.
Voor iemand van zijn sociale klasse was het niet de gewoonte
om lang naar school te gaan, dus is hij niet teruggekeerd.
Je kunt aan zijn geschrift nog goed zien welke letters hij op school heeft geleerd
en welke hij zichzelf heeft moeten aanleren.
Peter kon dat, hoor. Hij was heel slim. Hij kon vlekken lezen.
Ze hadden thuis een klein boerderijtje en ze hadden drie koeien.
Hij werkte ook als koeienhoeder op de grote boerderij
van Valère Demyttenaere. Daar hadden ze meer dan 50 koeien.
En hij kon al die koeien uit elkaar houden aan de hand van de vlekken.
Op een dag komt mijn broer Johan van de universiteit
en zijn cursus psychologie ligt open op de keukentafel, op de Rorschachtest.
Je kent dat wel, van die rare vlekken. Je moet zeggen wat je daarin ziet,
en dat vertelt dan iets over je onderbewustzijn.
Nu, peter had dat niet, een onderbewustzijn.
Dat was nog geen mode tijdens die generatie.
Of dat bestond al in de stad maar was nog niet in de dorpjes geraakt.
In elk geval, hij staat naar die vlekken te kijken, en zegt:
'Hier, Bella, en hier, Mirza. Amai, die gaf veel melk.
Ben jij voor boer aan het studeren? Ja, het zal dure melk zijn.'
Peter zijn conditie verbeterde. De volgende dag
stapt hij de bunker voorbij, het huis van Georges Dorme voorbij,
en het kapelletje voorbij.
Daar stappen we in gedachten over de te pletter gevallen piloot.
En hij draait linksaf de Beselarestraat in.
Dat was de straat naar Beselare.
In die zin was die straatnaam goed gekozen, hoor!
Peter stopt voor een groot, breed, nogal chique groot huis.
Een herenhuis, zoals dat heet.
'Hier woonde de pastoor.
In oktober 14' preekte de pastoor vanaf zijn preekstoel
dat Geluwe de bombardementen verdiend had.
Omdat de mensen zo onzedig geworden waren
dat God bommen liet gooien op de onzedigheid.
Het volgende huis dat werd platgebombardeerd, was het zijne.'
Met een grote grijns stapt hij voort
en hij stopt voor drie rode, kleine, bakstenen, aparte geveltjes,
intussen gefusioneerd tot één mooi geheel,
muren gesloopt, poutrels gestoken,
maar hopelijk in de omgekeerde volgorde, voor de bouwveiligheid.
Je zag nog dat dat drie smalle geveltjes waren geweest.
In '14 waren dat de winkeltjes van madam Josée, Adeline en Georgette.
Dat waren kruidenierswinkeltjes.
'Hier stormden de mensen binnen toen 't nieuws van de oorlog bekend werd,
in augustus '14.
's Ochtends waren de rekken vol, 's middags waren ze leeg.
De mensen hamsterden, bloem en zout.'
Wat is dat nu weer, dacht ik, 'hamsteren'?
Van 'pletter' ben ik al niet zeker, en nu nog 'hamsteren'.
Ik kreeg de kans niet om het te vragen, want peter was meteen weer weg
naar de volgende stop.
Ik had thuis twee hamsters.
Nicole en Hugo.
Ik had ze zo genoemd omdat ze altijd samen waren
en ook omdat het vrouwtje de baas leek.
Ik dacht: ik ga ze bespioneren en ik zal zien wat 'hamsteren' is.
En wat zag ik hen doen?
Ik gaf hen eens nootjes, en ze staken die allemaal samen in hun wangen.
Ze wilden 't niet doorslikken. Ik dacht: dat is hamsteren.
Dat is wat de mensen deden in '14, hun eten in hun mond steken,
bloem en zout, en dat vier jaar lang niet doorslikken.
Ik heb dat eens geprobeerd. Maar dat is droog, hoor!
Ik heb dat moeten losbeitelen.
Ik dacht: dat kan het niet zijn.
Op een keer zag ik Nicole en Hugo iets helemaal anders doen.
Dat zag er zo uit. Nicole legde haar kopje op de grond, haar voorpootjes ernaast,
en ze stak haar poepje omhoog, met de beentjes helemaal gestrekt.
Nicole was heel lenig.
Ze had ook wel korte pootjes.
Ik zou willen zien hoe ze met mijn benen haar kop op de grond zou leggen.
Ze stond dus klaar, in een moeilijke positie, haar kopje liep wat rood aan.
Hugo had het gemakkelijker, hij moest er gewoon achter staan,
recht, met zijn middel tegen dat poepje van Nicole.
Dat was blijkbaar nog niet dicht genoeg, want hij nam Nicoles poepje vast,
en hij draaide dat vachtje op haar heupen twee keer rond zijn klauwtjes.
Het leek wel een soort teugelsysteem.
En toen bewoog hij zijn middel heel snel tegen het poepje van Nicole.
Dat ga ik nu niet voordoen.
Alhoewel ik het kan.
Zit er een Nicole in de zaal?
Een Liesbeth misschien?
Gisteren zaten er vier Nicoles in de zaal, ik had nogal werk.
Ik zie Hugo dus heel snel zijn middel tegen Nicoles poepje bewegen,
en ik snap het: dat is hamsteren.
Dat is wat heel Geluwe deed in die drie winkels van madam Georgette, Adeline...
Geluwe had op dat moment al 5000 inwoners.
Denk je in dat ze met 5000 man die drie winkeltjes binnenstormden.
De vrouwen met de poep omhoog, de mannen erachter, en hamsteren maar.
Natuurlijk hamster je dan alles uit de rekken.
Mocht ik zo'n winkeltje hebben en ze komen daar hamsteren, ik zou boos zijn.
Ik zou zeggen: Hamster eens ergens anders.
Ik stormde ooit de kamer van mijn broer Johan binnen.
Hij was net zijn lief Sabine aan het hamsteren.
Maar echt doorhamsteren.
Zij met haar hoofd op het hoofdkussen, poepje omhoog, hij erachter,
echt aan het geven, en zij had geen vacht hier.
Ze had een vacht, maar die zat elders.
En wat had hij gedaan? Hij had het vel op haar heupen gepakt,
en twee keer rond zijn polsen gedraaid.
Hij was daar aan het hamsteren, en zij brulde en tierde.
Ik dacht: straks hamstert hij haar dood.
In paniek stormde ik naar beneden en zei:
'Pa, ma, Johan is Sabine aan het hamsteren. Straks is het oorlog.'
Mijn vader sprintte naar boven, en het was oorlog.
Johan en Sabine zijn in hun blootje naar de bunker gevlucht.
Bloem en zout, dat was wat ze hamsterden.
Van bloem word je dik, zout is slecht voor je hart.
Daarom was dat natuurlijk zo'n vierkante generatie.
Meter Moerput.
Zij was eigenlijk even hoog als ze breed en diep was.
Ze was een kubus.
Een kubieke meter.
Ik heb lang gedacht dat dat daarvan kwam, 'meter'.
Een kubus, met een klein kubusje erbovenop. Dat was haar hoofd.
Jammer dat dat er stond, anders hadden we er een vaas met bloemen op gezet.
Het leek wel een tafeltje dat bewoog. Je zag die voetjes niet, maar het bewoog.
Grappig, hoor. Haar bloemetjesschort was daarover gegooid. Mooi, hoor.
Ik zeg dat nu met alle liefde,
want ik denk niet dat ik ooit van 'n vrouw zoveel warmte heb gekregen
als van meter Moerput. Ik meen dat.
Bij haar was dat niet met veel woorden, maar zij kon je zo vastpakken.
Ze kon je eigenlijk niet vastpakken.
Ze duwde je met die vingertoppen naar binnen, in al dat vlees.
Ik weet nog hoe dat voelde. Stel, zij staat daar en ze duwt me naar binnen.
Dat gevoel dat je traag naar binnen gaat in al die vetkwabben.
Dat steeg geleidelijk, een heel trage vetvloed was het.
En toen je bij het breedste van je lijf kwam, ging het plots...
Je werd daarin gezogen, bijna vacuüm gezogen.
En je bleef daar vers in. Ik heb daar 's zes maanden in gezeten, ik bleef vers.
Er was niets aan mij.
Ik zou zo graag die geborgenheid nog eens voelen.
We zijn nu al even op tournee, maar het is de eerste keer
dat ik een paar vrouwen zie die qua postuur in aanmerking komen.
Jullie weten over wie ik het heb. Jullie zien 'r ook zitten op haar twee stoeltjes.
Hamsteren.
Meester Valcke vond het belangrijk dat je niet alleen de theorie kende,
maar ook de praktijk.
Dus ik had gevraagd aan Melissa, van in de straat,
of zij na mijn spreekbeurt kon meekomen en of we dan samen konden voordoen
wat dat juist was, hamsteren.
We hadden al geoefend in de bunker en dat ging goed.
Dat vel op haar heupen kwam al wat los.
Dus dat zou zo gaan:
'Dag, meester Valcke, dag, collega-leerlingen,
de Eerste Wereldoorlog in ons geliefde dorp Geluwe.
Veel... Soldaten sloegen te pletter. Opzoeken wat pletter is.
Deze zin niet lezen. Dit was mijn spreekbeurt.'
En dan: Kom binnen, Melissa.
Melissa gaat liggen, kussen op de grond voor haar hoofd. De vloer was koud.
Haar poep omhoog en ik hamster Melissa.
Niet wild, maar traag en educatief hamsteren.
Zodat de hele klas begrijpt wat hamsteren is.
Zodat meester Valcke zegt: 'Wouter, jij hamstert goed.
Echt 10 op 10, hoor, voor jouw hamsteren.
Dat moeten we tonen als de bisschop weer in Geluwe op bezoek komt.'
Ik herinner me die wandeling nog.
Ik had voor de eerste keer in mijn leven handschoenen aan.
Want het vroor dat het kraakte. Dat is het teken dat je volwassen wordt.
Als je doorgroeit van wanten naar handschoenen.
Dat is het teken dat je aparte vingers krijgt.
Ik droeg ook skilaarsjes, dat was in de mode. Peter deed daar niet aan mee.
Hij had wat pluimen van de kippen in zijn galoches gedraaid.
Een extra stofjas aan. Nog één, en nog één, en nog één,
tot hij een soort matroesjka-pop was. Een petroesjka.
We stormden verder. Ik zeg: Peter, rustig!
Ik gleed erachteraan op mijn skilaarsjes.
Ik zeg: 'Peter, rustig.' Peter was niet meer rustig.
Hij stormde heel het Moerputje door, hij stormde de Beselarestraat door,
overal iets aan het vertellen.
Peter was een mitrailleur van verhalen.
Bij het repetitielokaal van harmonie Sint-Cecilia:
'Hier hebben ze de instrumenten in beslag genomen.
Op den duur was er geen ijzer meer,
ze smolten die instrumenten en ze maakten er kogels van.'
Ik dacht: kogels zijn gemaakt van instrumenten, 't is daardoor dat ze fluiten.
We naderen het plein.
'In '17 vloog het dak van de kerk. Heel het dorp vond dat erg.
Ik ook, maar ik moest ook een beetje lachen.
Als ik de kerk binnenging, moest ik mijn pet afzetten,
en nu zette de kerk ook eens haar hoedje af, ik vond dat sympathiek.'
We komen op het plein, dat was het verste waar ik mocht komen.
Dat was het einde van mijn wereld.
Peter slaat de Ieperstraat in.
Ik laat zijn hand los en zeg: Peter, ik mag zo ver niet gaan.
'In een oorlog mag er altijd iets meer. Kom, ventje.'
Ik zeg: Peter, het eten zal koud zijn.
Als dat hem niet tegenhoudt.
'Ik heb hier vaak gelopen met mijn kaart en mijn kommetje.
Dat eten was altijd koud. Kom, naar het front, zoals de soldaten.'
Ik erachter, met mijn kleine voetjes.
Naast hem, met zijn kleine voetjes.
Aan het stappen, in die lange, lange Ieperstraat,
naast elkaar aan het marcheren, zoals de soldaten, zoveel jaren eerder.
We komen bij de voet van de Koelenberg, 41 meter hoog.
Die wil hij toch niet beklimmen, dacht ik. Nee, zeker?
Hij zet zich daarop, horizontaal.
Het was alsof hij klemijzers in zijn galoches had.
En hij begint eraan.
Dat was zijn bloed dat moeite deed om door zijn aders te geraken,
omdat ze zo dichtgeslibd waren met varkenssmout.
Hoe hoger hij kwam, hoe hoger dat gepiep werd.
Op den duur werd dat ultrasoon. Ik hoorde het niet meer,
maar al de honden uit de omgeving waren aan het janken.
Een meter voor de top kon peter niet meer. Hij stond daar stil.
Ik moest mijn rug onder zijn achterwerk zetten
om hem over de top van de Koelenberg te heffen.
'Het is goed om je terug te zien', zei peter. Ik vroeg me af tegen wie hij praatte
Daar was niemand op die Koelenberg. Hij praatte tegen de Koelenberg zelf.
Het is zowat het enige wat hij heeft gezegd.
Hij stond in de velden en hij keek naar een dorpje verderop.
Ik zei: Peter, wat is dat dorpje?
'Beselare.'
Dat is alles wat hij heeft gezegd. In een uur tijd. Ik heb het koud gehad.
Ik dacht: als je nog eens een berg wil beklimmen, zoek maar 'n andere sherpa
als het toch is om je boven dood te laten vriezen.
Ik was kwaad. Ik gooide steentjes naar hem, om te tonen dat ik nijdig was.
Hij had zes stofjassen aan, dat botste terug.
Hij had het niet eens door dat ik kwaad was. Hij stond daar gewoon...
te kijken naar Beselare.
En hij zwaaide.
Tijdens het terugwandelen schoot hij weer in actie.
Daar woonde Roger Six in die beruchte winter van '15.
Hij zat in de loopgraven en zijn grote teen is eraf gevroren.
En ik bewoog mijn tien teentjes in mijn skilaarsjes
om te voelen of ze er nog allemaal aan hingen.
Daar woonde Ritn Vervaeke. Die was een vinger kwijt na de oorlog.
Hij heeft moeten werken in een werkkamp in Duitsland.
Zijn wijsvinger was in een machine gedraaid, in een bommenfabriek.
Ik dacht: misschien is die vinger van Henri wel in een bom gedraaid.
Misschien zijn hier wel bommen gevallen waar de vinger van Henri in zat,
waardoor de vinger van Ritn vier jaar eerder thuis was dan Ritn zelf.
En die wijsvinger deed teken: Hier moet je zijn, Henri, hier is het.
Dat soort dingen dacht ik.
Ik heb op die Koelenberg geen seconde doorgehad dat hij eigenlijk
naar zijn moeder stond te zwaaien.
Je moet aan je moeder veel vaker zeggen dat je ze graag ziet.
Voor je het weet, zit ze op een kar naar Beselare.
Ik denk dat ik in heel mijn leven
geen vijf keer aan mijn moeder heb gezegd dat ik ze graag zie.
En dat het vier keer was om iets te krijgen.
Het is ook geen gemakkelijke generatie om tegen te zeggen dat je ze graag ziet.
Ik repeteer dat thuis:
'Ik zie je graag, ma. Ik zie je graag, ma. Ik zie je graag, ma.'
Maar mijn lief vindt dat niet leuk tijdens het vrijen.
Ik rijd naar mijn ouders, nog aan het oefenen:
'Ik zie je graag, ma. Ik zie je graag, ma. Ik zie je graag, ma.'
En dan denk ik: ik moet het stuur vasthouden. 'Ik zie je graag, ma.'
Als ik binnenkom, ligt het op mijn tong. 'Ik zie je graag, ma.'
Het botst tegen mijn tanden. Nog in stilte, maar het zit klaar.
En ik zie haar kijken: 'Hij gaat toch niet zeggen dat hij me graag ziet?
Ik ga boodschappen doen, hoor!'
Op Moederdag moet je dat meedelen, gecodeerd,
via een cadeautje moet je duidelijk maken hoe graag je haar ziet.
Ik vind 't moeilijk om op één dag alles recht te trekken van een heel jaar,
van een heel leven.
Onze moeders zijn van ons allemaal bevallen.
Ze zijn voor ons volledig opengescheurd.
Hoe trek je dat ooit weer recht?
Ooit at ik vanaf drie weken voor Moederdag alleen maar bananen,
tot ik helemaal geconstipeerd was.
Op Moederdag heb ik uren geperst om om tien uur 's avonds eindelijk, trots,
met een paarse kop een uitgedroogd kakworstje te kunnen aanbieden.
'Alsjeblieft, ma, voor Moederdag.'
Ik wilde de juiste cadeaus geven,
zodat ze het opendoet en niet wist dat ze dat nodig had.
Maar je ziet direct: Het is helemaal juist.
Je ziet direct dat 't een snaar heeft geraakt.
En zij denkt: als die jongen dat voor mij kan bedenken,
dan moet hij mij wel echt graag zien.
Zo'n cadeau wil ik kunnen geven en dat gaat niet met mijn moeder.
Mijn moeder belt altijd twee weken voor Moederdag.
'Zeg, het is Moederdag over twee weken.'
'Wel, doe maar een waterkoker.'
'Ma, wil je geen verrassing? Iets wat je opent en waarvan je denkt:
ik wist niet dat ik dat nodig had, maar het is perfect.'
'Maar ik weet wat ik nodig heb. Ik heb een waterkoker nodig.
Koop niets anders, anders moet je toch terug om te wisselen.
Doe maar meteen een waterkoker. Zo spaar je 'n rit uit.'
En dan koop je 'n waterkoker,
want je hebt vaag de indruk gekregen dat ze dat wil.
Ik pak het mooi in, met 'n strikje eromheen, zodat 't op 'n verrassing lijkt.
Je komt daar aan in je beste kleren, dat cadeau onder je arm.
'Gelukkige Moederdag, ma.' Je wil haar drie kussen geven.
Ze duikt naar dat cadeau, rukt het uit je armen, scheurt het open.
'Het is toch een waterkoker?'
'Je wilde toch een waterkoker? Moet ik het wisselen?'
'Nee, nee, maar wat ik niet begrijp...
Als ik weet dat het een waterkoker is, en jij weet dat ook,
waarom pak je het dan nog in?
Ik dacht dat het geen waterkoker was. Ik was al een beetje kwaad.'
De week voor we de officiële spreekbeurt moesten doen,
zat ik al aan dertig minuten met de kladversie.
En pas nu ik het opnieuw lees, merk ik hoe peters manier van formuleren
daar is ingeslopen. Je moet eens luisteren.
'In augustus viel het verschrikkelijke nieuws van de oorlog op onze nek.
Alle jongemannen van Geluwe gingen bij het leger.
Tijdens de inval op 6 oktober was het hele dorp schijtebenauwd.
De Geluwnaars die nog konden, vluchtten naar onbezet gebied,
verder in de Westhoek of in Frankrijk.
De meesten blijven in ons geliefde dorp Geluwe, in bezet gebied.
Er zijn godverdomme grote slagen, eind oktober.
De Duitsers winnen.
De gewonden zijn er erg aan toe.
Ze worden met de tram naar het klooster gebracht, toen het ziekenhuis.
Het bloed liep uit de tram.
De ratten stonden vet, hoor, van de lijken die bleven liggen.
Drie jaar lang logeren er in elk gezin Duitse soldaten.
De moeders zeggen: De Duitsers zijn slecht, maar de onze is nog een goede.
Er worden zelfs jonge vrouwen zo verliefd op Duitsers
dat ze er een kind van jongen.
Over die kinderen zegt het dorp na de oorlog:
'Het Duitse leger is hier blijkbaar een soldaatje vergeten.'
De mensen verbeesten.
De Verschaeves braken in bij de Depuydts,
waardoor de Depuydts gingen stelen bij de Verschaeves, die waren niet thuis.
In 1917 moeten de Geluwnaars van de Duitsers
verplicht verhuizen naar Brabant. Geluwe wordt een spookdorp.
In 1918 wordt ons geliefde dorp Geluwe bevrijd.
De mensen keren terug naar hun geliefde dorp Geluwe.'
Dat zou ik dus allemaal voordragen,
misschien terwijl ik Melissa aan het hamsteren was.
De hele klas moest zijn spreekbeurt doen in één lesuur
en omdat ik toch al redelijk veel tijd en ruimte in beslag nam...
De week voor de officiële spreekbeurt was de week voor 11 november,
van de Wapenstilstand.
Het was vaste traditie van meester Valcke om op 11 november
met zijn klas naar het monument van de gesneuvelden te gaan.
Hij legde zijn ene hand op 't monument, zijn andere op zijn hart
en las met plechtige stem de namen van de gesneuvelden voor.
'Zijn gesneuveld voor het vaderland: Emiel Belaen.'
Nu, het toeval wilde dat ik de avond ervoor met peter
net een sneuveltocht had gedaan.
We waren bij elk huis langsgegaan
waar een jonge kerel was gesneuveld. En peter had uitgelegd in welke slag
en aan welke verwondingen hij was bezweken.
En die kennis zat bij mij nog helemaal klaar.
Dus toen ik die namen van die gesneuvelden hoorde,
was dat voor mij als een sneuvelquiz.
Dus wanneer meester Valcke zegt: 'Zijn gesneuveld voor het vaderland:
Emiel Belaen', ontsnapt bij mij: Verdwaalde kogel!
Meester Valcke kijkt rond, maar ziet niet vanwaar het komt.
Wat vaak zo is bij een verdwaalde kogel.
'Kom, jongens, stil, alsjeblieft.
Achiel Dubaere...' 'Kogel door de kop. Niet mooi, hoor.'
Nu had hij het gezien: 'Deprez. Zwijgen. Respect.
Deze mannen zijn gesneuveld voor 't vaderland. Achiel Vanhandsaeme.
'Tuberculose!' Ik kon dat niet tegenhouden.
Er start 'n discussie, Bartje Casier zegt: Dat is eigenlijk niet echt gesneuveld, hè?
En Dimitri Vandenberghe zegt:
'Dat is omdat hij in de loopgraven zijn sjaal niet heeft gedragen.'
Hij neemt een krijtje uit zijn broekzak:
'Ik schrap zijn naam van het monument.' 'Jongens, kom, alstublieft!
Laatste kans.
Zijn gesneuveld voor het vaderland: Joseph Ryckebosch.'
'Kogel door de kop en gestikt door het gas!'
'Die is twee keer gesneuveld', zegt Bartje.
'Zijn naam moet 2 keer op het monument', zegt Dimitri.
'Ik schrijf zijn naam erbij waar ik die andere geschrapt heb.'
'Als het zo zit, gaan we terug naar de klas. Deprez, je bent een betweter.'
Daar is mijn verhouding met meester Valcke beginnen te verzuren.
Toch vind ik nog altijd
dat op het monument moet staan hoe mensen zijn gesneuveld.
'Darmen uit de buik geschoten.'
Ik denk dat 't goed zou zijn als je ziet dat het niet gewoon 'gesneuveld' is,
maar dat je ziet dat je darmen uit je buik werden geschoten.
Sneuvelen.
Dat klinkt zo mooi, vind ik, sneuvelen.
Zouden jullie sneuvelen?
Wie zou er hier sneuvelen voor het vaderland? Steek je hand op.
Komaan, Kortrijk. Wie zou er sneuvelen voor het vaderland?
Nee?
Er zal niet zwaar gevochten worden om Kortrijk.
'De vijand nadert!'
Direct op de grond gaan liggen, de vrouwen met de poep omhoog.
Hamsteren voor het vaderland, dat zie ik jullie nog doen. Ja, hè?
Niemand wil sneuvelen?
Wil niemand meer sneuvelen voor België vanwege de laatste verkiezingen?
Wie wil er sneuvelen voor Vlaanderen? Steek je hand eens op.
Zwaai eens met de helfie, kom!
Nee, ook niet?
De onverschilligheid van regio verlegd, dat is het.
Ik denk dat wij te individualistisch zijn om te sneuvelen.
Ik denk dat als wij zouden sneuvelen, we nog snel willen zeggen
waar we precies voor sneuvelen.
'Ik sneuvel voor Vlaanderen!' 'Ik sneuvel voor België!'
'Ik sneuvel voor mijn dorp!' 'Ik sneuvel voor de provincie!'
'Niet doen, da's bijna afgeschaft.' 'Verdomme.'
Sneuvelen, nee?
Ik zou voor jullie ook niet sneuvelen, hoor. Sneuvel zelf.
Waar sneuvel je voor? Waar sneuvelden zij voor?
Voor hun dorp, voor hun straat, voor de mensen die je kent?
Ik zou niet sneuvelen voor iemand in mijn straat.
Ik woon in een heel lange straat.
Mochten ze mij vragen: Sneuvel voor mij, ik woon in je straat,
dan zou ik zeggen: Mag ik eerst je paspoort zien?
Sneuvelen.
Sneuvelen.
'Sneuvel jij nog?' 'Ja, ik sneuvel nog drie pakjes per dag.'
Sneuvelen.
Ik weet het niet. Voor mijn gezin, denk ik.
Voor mijn vrouw en mijn twee kindjes, daarvoor zou ik sneuvelen.
Kijk, ik heb er al zin in.
Maar dat komt omdat ik zoveel geluk haal uit mijn gezin.
Ik denk dat ik 95 procent van mijn geluk uit mijn gezin haal.
En 5 procent uit Snickers, dat eet ik heel graag.
Ik heb op reis weer enorm gevoeld hoeveel geluk ik uit mijn gezin haal.
Het was 's avonds, de kindjes lagen te slapen,
en zij en ik samen op het balkon, we hebben elkaar vast,
wij tweeën en de ondergaande zon.
Mijn zoetje, mijn scheetje, mijn liefje, mijn snoepje...
en dat allemaal in één vrouw.
Wij tweeën en de ondergaande zon.
Kijk, dat is voor mij geluk.
'Prachtig, hè?'
Het was de vijfde avond. Het was vier avonden bewolkt geweest.
Zelfs in het zuiden ben je niet meer zeker van goed weer.
Maar kom, ze is er nu, ze is aan het zakken, we zien ze,
de kindjes slapen.
Een beetje te geel, zou je kunnen zeggen.
In films is dat oranje, aan het zinderen, met een roze wolkje ervoor.
Bij ons is dat een gele bol.
Zoals een spiegelei dat uit de pan glijdt.
Maar kom, het is een zonsondergang, wij staan samen te kijken.
Ik heb het een beetje koud. Ik zal een trui moeten aantrekken.
Maar als ik nu binnenga, worden de kindjes wakker,
en dan is het naar de vaantjes.
We moeten er nu van profiteren, morgen is het weer bewolkt.
Ik heb het ook maar koud aan één kant. Alleen hier heb ik het koud.
Alleen hier heb ik een stijve tepel. Aan deze kant heb ik het warm.
Hoe dichter ik bij haar kom, hoe warmer ik het krijg.
Ik ben als een frisco die aan de ene kant in de diepvriezer zit,
en aan de andere kant in de oven. Zoveel warmte dat zij afgeeft.
Hoe zou dat... Zouden dat al vapeurs zijn?
Da's tien jaar te vroeg. Ze heeft toch niet gelogen over haar leeftijd?
Ik heb ook jeuk, op mijn schouder.
Op een plaats waar ik alleen maar bij kan met die arm.
Ik kan haar niet loslaten, want als ik haar nu loslaat:
'Heb je me niet graag vast?' 'Jawel, jawel.'
Even doorbijten.
Denken aan de koude, niet aan de jeuk.
Kramp ook, in die arm.
We hebben elkaar al even vast. En die zon zakt niet al te snel.
Het is ook een stuk verder grijpen dan toen we pas samen waren.
Je denkt een bonsai te kopen, maar het is eigenlijk een eik.
Moet ik daar staan? Wat als die kramp niet weggaat? Hier krijg ik vast ook kramp,
dan sta ik daar als 'n verkrampte Jezus.
'Zou je graag nog 'n vrouw vastpakken? Het is nogal een struise.'
'Niet struiser dan jij.'
Gewoon blijven staan, de kramp verdragen, koud, jeuk, fletse zon...
En ik vraag me af waarom ik niet gelukkig ben.
Dat moet toch geluk zijn? Met onze schat naar een zonsondergang kijken.
Wat is er mis met de situatie? Laat mij even analyseren.
We hebben de zon van ons zonnestelsel, de enige die we hebben.
Daar kan het niet aan liggen. Prima zon, aan de zon ligt het niet.
Als er geluk zit in de situatie, moet ik in de situatie zitten.
Anders maak ik dat geluk niet mee. Het ligt niet aan de zon, en niet aan mij.
Aan wie ligt het dan?
Moet ik sneuvelen voor iemand die mijn zonsondergang verkloot?
We zijn zes jaar samen, de gemiddelde relatie duurt zeven jaar.
Moet ik nu nog sneuvelen voor dat ene jaar?
Da's toch de moeite niet meer? Is er hier iemand gescheiden? Steek je hand op.
Er zijn hier zeker mensen gescheiden. Als ik jullie smoelen zie...
Mocht ik daarmee samen zijn, ik zou er snel van scheiden.
Kun je je voorstellen dat je voor die tang was gesneuveld?
Voor je ex? Je kunt ze niet meer ruiken of zien.
Dat zij maar sneuvelt, zodat jij in de nieuwbouw kunt wonen
die je samen aan het zetten was, toen zij zei dat ze de klik niet meer voelde,
dat de relatie niet meer zo bruiste,
en dat jij je afvroeg: ik wist niet dat wij samen spuitwater maakten.
Maar je dacht: ik neem afstand om het een nieuwe kans te geven.
En je zei: Ik woon wel even ergens anders.
Door je kleine budget moet je in 'n donker, vochtig schimmelkot wonen,
zodat er champignons uit je neus groeien.
En als je langsgaat zonder op voorhand te bellen, woont die onnozelaar daar,
terwijl het pleister dat jij op de muur smeerde, nog niet droog is.
Jij maakt geen kans meer. Ze lust geen champignons, en ze groeien uit je neus.
Stop!
Begrijp je dat ik af en toe een Snickers nodig heb?
De volgende avond was een heel bijzondere avond.
Het was de avond dat peter de invaltocht deed.
Peter vertelde die avond over 6 oktober 1914.
Eerst wist men niet wie Geluwe zou bezetten.
Er waren al verkenners binnengevallen, Duitse, Franse, Engelse,
maar het was nog niet duidelijk. En plots, op 6 oktober, was het duidelijk.
600 Duitse ruiters die op hun paarden over de kasseien
Geluwe binnen kletterden vanuit Dadizele. 600.
Die avond vertelde peter alles
alsof hij het op het moment zelf allemaal opnieuw meemaakte.
Dat had hij nog nooit gedaan.
'Hier slapen tien Duitsers.
Hier slapen zes Duitsers.
Hier hebben ze de dochter voor de Duitsers op de zolder verstopt.
Ze heeft daar vier dagen en nachten gelegen zonder eten of drinken.'
600 Duitsers kwamen Geluwe binnen.
En ze moesten meteen inkwartiering hebben.
Heel Geluwe liet zijn voordeur open.
Zij kwamen binnen en namen de kamers die ze wilden, in beslag.
Dat zou ik niet graag hebben. Ik heb nood aan mijn privacy. Nee, sorry.
Ik zou zeggen: In sommige kamers wel en in andere niet.
Wij hebben een sauna geïnstalleerd.
Denk je in dat ze er zitten met hun Duits bloot zweetgat,
waarmee ze de hele dag op een stinkend paard hebben gezeten.
Dan trekt dat door de warmte in 't hout. Telkens als je de sauna aanzet, ruik je dat.
Nee, ik zou zeggen: Wilkommen, aber nicht in dem Sauna.
De code van de wifi geef ik ook niet. Sorry.
Nee, het is geen hoerenkot. Dat vind ik.
We komen op de boerderij op de Zwaanhoek.
'Hier zitten Constant Vanryckeghem en zijn zoon Antoon.
Ze zijn hierheen gevlucht vanuit hun eigen boerderij, 500 meter verder.
Vanwaar ze nu zitten, horen ze hun hond nog blaffen op hun eigen erf.
Ze hadden hem moeten meenemen, maar ja, het moest snel gaan.
Heel de nacht luisteren Constant en Antoon naar het geblaf van hun hond.
Tegen vijf uur...
is die hond plots stil.
Constant zegt tegen Antoon: Ze hebben hem waarschijnlijk doodgeslagen.'
Dat was de eerste keer dat ik er niet goed van was.
Een hond doodkloppen?
Wat voor manieren zijn dat, dacht ik. Dat komt ook in mijn spreekbeurt.
De Duitsers hebben ook slechte dingen gedaan.
We komen bij de boerderij van de Nollets.
'Hier zit Evarist Nollet op zijn knieën naast de tafel.
De Duitsers zitten rond zijn tafel. Ze drinken zijn wijn op en ze zingen.
Evarist zit vastgebonden aan 'n tafelpoot, met een touw rond zijn nek.
Heel de nacht zingen de Duitsers liedjes.
En ze verplichten Evarist te blaffen als een hondje.
Als hij mooi genoeg blaft, geven ze hem een slokje wijn.
Tegen de ochtend liggen al die Duitsers met hun hoofd op tafel te slapen.
Evarist zit ladderzat te blaffen.'
Nu begreep ik er niets meer van.
Eerst klop je een hond dood omdat hij blaft,
en als het dan eindelijk stil is, verplicht je een volwassen man te blaffen.
'Hier zijn ze Maria aan het verkrachten en haar man, Albert, moet kijken.'
Ja, dacht ik, wat is dat nu weer, verkrachten?
Ik heb al 'pletter' en 'hamsteren'.
Ik ga niet over verkrachten praten. Dat zal niet zo belangrijk zijn.
'Hier zijn ze Maria aan het verkrachten. Daar zijn ze Zulma aan het verkrachten.
Daar zijn ze zelfs madam Vuylsteke aan het verkrachten.
In café 't Zwijntje zijn de mannen vastgebonden op zolder
en verkrachten ze de vrouwen op de tafeltjes.'
Dat wordt toch nog veel gedaan, dacht ik.
Maar mijn spreekbeurt is al te lang,
Ik onthoud alleen dat als meester Valcke vraagt: 'Werd er veel verkracht in WO I?'
dat ik zeg: 'Nu je 't zegt, meester Valcke.
Ze hebben Maria, Zulma en zelfs madam Vuylsteke verkracht,
en in 't Zwijntje hebben ze de vrouwen verkracht op de tafeltjes.'
'Goed, Wouter, je bent op de hoogte van het verkrachten.'
'Hier zijn ze Maria aan het verkrachten.'
Peter bleef staan, alsof zijn galoches vastgelijmd waren op de kasseien.
'Hier zijn ze Maria aan het verkrachten.'
De mensen keken raar.
Niet iedereen had door dat wij het over 1914 hadden.
Iemand belde de politie al. 'Hier zijn ze Maria aan het verkrachten.'
Ik trok aan peters hand, maar hij bleef staan.
'Hier zijn ze Maria aan het verkrachten. Doe iets!'
Ik voelde dat 't niet goed ging. Ik sprintte naar huis.
'Ma, het gaat niet goed met peter.' We rijden snel naar het plein,
we duwen peter die auto in en rijden naar huis.
Ma vergist zich van de zenuwen steeds tussen 1ste en 3de versnelling.
Peter draait het raampje naar beneden, steekt zijn hoofd naar buiten.
'Ze zijn Maria aan het verkrachten. Doe toch iets!'
Ik was nog maar zeven jaar.
Ik wist niet wat dat was, verkrachten.
Ik weet dat eigenlijk nog altijd niet.
Kun je je voorstellen dat je verkracht wordt?
Dat ze binnenvallen. En dat je je moet laten verkrachten?
Ik zou dat niet kunnen, ik moet er zin in hebben.
Iets eten, een wijntje, 'n goed gesprek, en nooit de eerste keer.
Ik zou het zeggen: Ik kan dat niet op commando, ga maar elders.
Zelf verkrachten ook. Stel je voor dat ze daar ligt.
Je moet haar kleren scheuren, ze krijst. Moet je je hand op haar mond leggen?
Dan ben je een hand kwijt. Je moet die benen openduwen.
Je moet die slip naar beneden trekken en dan nog een stijve krijgen.
Ik zou zeggen: Je hebt geen zin, hè? Ik zal morgen terugkomen.
Verkracht!
Geluwe werd verkracht.
Op 6 oktober 1914 werd er in Geluwe verkracht.
Dat werd niet gezegd, hoor, in het dorp. Nee.
Er werd alleen gezegd dat er de volgende ochtend veel volk zat
in de wachtkamer bij dokter Morlion, om een middeltje op te halen.
Dat is alles wat er gezegd werd. Verkracht? Nee.
Daar werd niet over gepraat. Nee, nee, nee.
Zo zijn wij in Geluwe: toe!
Zoals een gesloten vuist. Toe!
En krijg het maar eens open. Toe!
Als er dan eens een leger passeert, dan ben je nog meer toe.
Ik kan daar heel hard op vloeken, op dit.
Ik heb dat zelf ook, dat geslotene.
Onlangs, bij de hoeren.
Ik dacht: ik moet dat eens geprobeerd hebben.
Dat is leuk, hoor. Je moet ook eens gaan.
Dat meisje had zoveel plezier. Ik dacht: ik zal waarschijnlijk niet moeten betalen.
Het is mooi als je zelf zoveel plezier hebt en je werk nog altijd je hobby is.
Ik ben niet voor zotte, seksuele dingen, maar toen dacht ik:
ik zal me laten gaan, een beetje in een roes.
Ik had in een film gezien dat de man op de poep van 't meisje slaat.
Ik dacht: dat ga ik ook doen. Nu, als je dat niet gewoon bent...
Ik lag in een rare positie, eigenlijk op mijn rug, zij zat op mij.
Ik kon die afstand niet inschatten, omdat ik het nooit had gedaan.
Ik haal uit met mijn arm om te kletsen op de eerste schel van haar poep.
Ik moet te ver geslagen hebben. Ik sla op mijn eigen balzak.
Maar dat doet pijn, hoor!
Dat is nog niet het ergste. Zij heeft me dat zien doen
en zij denkt dat ik dat graag heb. Dus zij begint...
Leg dan thuis maar uit hoe het komt dat je balzak in het gips zit.
Eigenlijk waren het twee gipsjes, één per bal.
Af en toe ook eens gewoon om te lachen, zeker. Nee?
Het is honderd jaar geleden, zeg.
Ze zijn nu allemaal dood, de meesten zelfs niet van de oorlog.
Waarom moeten wij daarover blijven leuteren en zeuren?
Ik vind het al moeilijk om me verbonden te voelen met de dingen van nu.
Ik ben het liefst op mijn gemak, zou je dat geloven?
Met mijn huishouden, mijn gezin, mijn vrouw, mijn twee kindjes.
En een Snickers, meer moet dat niet zijn.
Het is waar, hoor.
Bij de vorige verkiezingen...
Een paar weken ervoor kreeg ik een brief.
Ik deed 'm open en zei: Het is niet waar, hè?
Mijn lief vanuit de keuken: Wat is er? Heb je 'n zware boete?
Ik zeg: 'Het is niet waar, hè?' Zegt zij: 'Wat is er?
De uitslag van je onderzoek. Toch geen kanker?'
Ik zeg: 'Was het dat maar!
Weet je wat het is? Ik moet bijzitten.'
'Nee', zegt ze. 'Jawel, het staat in deze brief.'
Als het een grap is, is het geen grappige grap!'
Tegen iedereen die ik tegenkom, vertel ik het.
'Nee', zeggen ze.
Maar je leest van hun gezicht af dat ze zelf blij zijn dat zij niet moeten bijzitten.
Ik zeg tegen een vriend: Ik moet bijzitten.
Hij zegt: Ik moet ook bijzitten en ik heb de vorige keer al moeten bijzitten.
Ik zeg: 'Nee toch?'
Want ik begreep dat ik de volgende keer weer zou moeten bijzitten.
Plots zie ik de rest van mijn leven voor me.
Een eindeloze reeks van moeten bijzitten en bijzitten.
Misschien laten ze me af en toe eens tellen.
Bijzitten, bijzitten, tellen, tellen, bijzitten...
Tot ik doodval van vermoeidheid, van al dat bijzitten.
En dan gaan ze me er vast nog bij leggen ook.
Ik zeg tegen mijn vriend: 'We pikken dat niet.
Dat dat allemaal mogelijk is in onze bananenrepubliek... monarchie!'
Komaan, we gaan een briefje vragen aan de dokter.'
Zover is het gekomen dat je in een wachtkamer moet gaan zitten,
tussen allemaal zieke mensen met besmettelijke ziektes,
verkoudheden, griep, zwangerschap.
Ik kom bij de dokter en zeg: Dokter, schrijf een briefje, want ik moet bijzitten.
Hij zegt: Waarom kun je niet bijzitten?
Ik had geen vraag verwacht en zeg: Dokter, ik heb aambeien.
Hij zegt: zet je maar op je handen en knieën op tafel, we zullen kijken.
Ik had gedacht: ik zal iets zeggen dat hij niet per se wil controleren.
Ik zeg: Ze zijn net niet te zien vandaag. Het is een koude dag.
Ik schaam me niet. Het kan me niet al te veel schelen.
Ik ben met mijn eigen dingen bezig en stoor niemand. Ja, toch?
Politiek interesseert me eigenlijk niet. Zou je dat geloven? Dat ze maar doen.
Mocht je politiek niet geïnteresseerd zijn...
Wat stelt ons land uiteindelijk voor?
Het is een kruimel als je de wereld bekijkt.
Binnenkort splitsen we, dan zijn we een halve kruimel.
Mocht je nu politiek niet geïnteresseerd zijn
in een land waar kernwapens opgesteld staan. Dat zou spijtig zijn.
Mocht het je nu niets schelen in 'n land waarin net in crisistijd beslist is
om nieuwe gevechtsvliegtuigen te kopen, aangeraden door de Amerikanen,
omdat die hun kernwapens kunnen dragen,
en het interesseert je niet... Dat zou spijtig zijn.
Mocht het je nu allemaal niets schelen in een land met een wapenfabriek
die elk jaar 600 miljoen euro omzet,
en het kan je dan nog niets schelen, dat zou spijtig zijn. Maar hier?
Dat vind ik lastig aan al die verhalen van peter.
Als ik dat opnieuw lees, komt dat zo dichtbij.
Als ze elders vechten... Wel, het is daar.
Ze lijken daar allemaal op elkaar, laat ze doen.
Maar als je leest over de Verschaeves, de Depuydts, de Dutellies...
Dat zijn de namen die nu nog altijd bestaan in Geluwe.
Dat zijn de gasten met wie ik het jeugdhuis heb opgestart.
Op die manier komt het heel dichtbij,
en heb je het gevoel dat dat nu ook nog zou kunnen gebeuren.
Hoe meer ik met peter wandelde, hoe meer ik begreep dat al die verhalen
echt waar waren.
En dat kroop serieus onder mijn vel.
In de turnles. We moeten kruiwagen doen.
Ik ben een drager, Dieter Flament ligt voor mij op zijn buik.
Normaal zijn wij een gouden duo. Dieter heeft sterke armen.
Ik moet alleen zorgen dat ik niet val en dan winnen we altijd.
Meester Valcke blaast op zijn fluitje,
Dieter kijkt naar mij: Vooruit.
Maar ik kan zijn enkels niet pakken. Ik heb het gevoel dat ik moet overgeven.
Al de rest is al halfweg. Vooruit, vooruit!
Ik denk: Deprez, verman je.
Ik neem zijn enkels vast, ik slik mijn spuug weer in, en we zijn weg.
We halen iedereen nog in. We gaan winnen!
Dan breekt het lijf van Dieter in twee. Hij heeft het niet door. Hij weegt minder
en stormt nog rapper naar voren op zijn sterke armen.
Hij komt als eerste over de streep en springt recht.
Pas als hij op zijn halve lijf landt, snapt hij dat hij gehalveerd is.
Hij kijkt naar mij, verbouwereerd.
Ik heb zijn benen nog vast en zeg: Zie je wel, begrijp je het nu?
Dat soort dromen heb ik nog tot op de dag van vandaag.
Luister welke verhalen peter de dagen voor de spreekbeurt
nog aan mij heeft verteld.
'Henri Herman moest met zijn zoon lijken opruimen,
een week na de grote slag bij de Koelenberg.
Hij neemt de nek van een Duits lijk vast, zijn zoon neemt de voeten vast.
Henri zegt: 1-2-3, vooruit. Ze heffen en het lijk breekt in tweeën.
Het was al te rot door daar een week te liggen, in de regen.'
Zijn dat nu verhalen om aan een jongen van zeven jaar te vertellen?
Mijn spreekbeurt werd volledig verkloot...
op de dag dat mijn peter me meenam naar de Koelenberg.
Hij wilde me vertellen over de ergste periode van heel WO I.
De Derde Slag bij Ieper.
We komen boven op de Koelenberg en peter schiet meteen in actie.
'Vandaar werden we gebombardeerd. Het regende pijpenstelen.
En die gloeiende bollen van de Engelsen erdoorheen.
We konden niet meer op ons boerderijtje blijven.
We moesten afdalen, van de Koelenberg naar het centrum.
En wat wij onderweg gezien hebben, leek wel een film van Charlie Chaplin.
Honoré Vanhee wordt gebombardeerd in een boomgaard vol appelaars.
Na de bombardementen hangt er geen enkele appel meer aan een boom.
Honoré denkt: we zouden altijd zo moeten oogsten, 't is veel minder werk.
De meid van Constant krijgt een granaatscherf in haar bil.
Mijn klompen staan vol water, denkt ze, tot ze ziet dat het bloed is.
Voor café Het Witte Paard, ligt er een dood wit paard. Dat moet net lukken.
De arm van Sidonie Wyffels is afgerukt door een granaat.
'En dan nog mijn rechterarm', roept ze, maar twee minuten later is ze dood.
En van het kind dat op haar arm zat, sprak ze niet, terwijl dat ook dood was.
André Verfaillie wordt begraven.
Een dag later valt er 'n bom naast de plaats waar zijn kist in de grond zit.
Die kist vliegt door de lucht, het deksel vliegt eraf,
het lijk van André vliegt door de lucht. André is maar een dag begraven geweest.
En het raarste is: als dat lijk neerkomt, lijkt het alsof het eerst zijn armen zet.
Tien Duitse soldaten, door de Britten beschoten met gifgasgranaten, zijn blind.
Sommigen voor even, anderen voor altijd. Dat is een beetje een loterij.
Ze worden naar achteren gestuurd in de loopgraven.
Je kunt niet veel meer doen, hè? Je zou iemand kunnen doodschieten...
Alle tien achter elkaar, handen op elkaar schouders, want blind.
Ze glijden door de modder, hoestend door het gas.
Uit beleefdheid hou je toch je handen voor je mond.
Je wilt die schouders weer vastnemen, die mannen zijn al verder.
Je wilt ze inhalen, maar vindt ze niet.
Je trekt de anderen achter je mee die uitglijden in de modder,
op elkaar vallen, weer recht, weer vallen...
Die mannen moeten zich nogal geamuseerd hebben.
Er valt een zware artilleriegranaat op het klooster, op dat moment de kliniek.
Die kliniek lag al vol met zieken en gewonden,
en daar dan nog eens een bom op.
Als de rook is weggetrokken, hoor je iemand roepen:
'Breng me naar de kliniek!'
En een andere antwoordt:
'Je ligt al in de kliniek, je kunt geen twee keer in de kliniek liggen.'
Ik sta daar naar de verhalen van peter te luisteren...
en ik denk...
Dat kan niet!
Wat peter hier nu vertelt, dat kan niet echt waar zijn.
Ik denk terug aan die andere verhalen die peter de voorbije weken heeft verteld.
En ik begin bij steeds meer verhalen te denken...
Dat kan niet.
Dat doet niemand elkaar aan.
Elkaars land willen afnemen.
Een man vier jaar meesleuren naar een werkkamp.
Giftig gas naar elkaar laten waaien.
Een hond doodkloppen.
Een trotse boer verplichten om te blaffen zoals een hondje.
En dat is het moment waarop ik begrijp dat peter al die verhalen
zelf heeft verzonnen.
Dat peter heel die Eerste Wereldoorlog zelf heeft verzonnen.
Ik ben erin getrapt.
Heel het dorp is erin getrapt.
Ze hebben een monument gezet voor de zogezegde gesneuvelden.
Ik heb mijn spreekbeurt gehouden.
'Dag, meester Valcke, dag, collega-leerlingen.
De Eerste Wereldoorlog in ons geliefde dorp Geluwe.
Ik vind het heel erg om het te moeten zeggen,
maar de Eerste Wereldoorlog is uitgevonden door mijn peter.
Hij is zot.'
Melissa springt naar voren.
Ik zeg: 'Het zal niet nodig zijn, Melissa.
Hij heeft dat hamsteren vast ook verzonnen.'
Meester Valcke was heel blij dat hij een reden had om me nul op tien te geven.
Niets gezegd thuis, niets gezegd bij peter en meter. Ik heb ook mijn trots.
De volgende avond bij peter en meter, na 't eten, maar voor 't dessert,
had hij zoveel zin om me nieuwe leugens wijs te maken.
Peter zegt: Kom, kleine, we gaan een wandelingetje maken.
Ik schud van nee, maar hij ziet het niet, hij staat al in de gang.
Pas als hij ziet dat de Aldi-gympjes leeg blijven, komt hij weer naar binnen.
'Kom, kleine.' Ik zeg: 'Nee, peter.
Het eten ligt een beetje op mijn maag. Ik ben een beetje misselijk.'
'Goed', zegt peter, 'dan zal ik alleen moeten gaan.'
En hij vertrekt.
Het eten lag echt wat op mijn maag.
Het was hutsepot met savooikool, spruitjes, bloemkool,
varkensoren, worst, hesp en spek, overgoten met saus van de worst
en vier boerenboterhammen erbij om ons bord af te vegen.
En ik had zes keer bij genomen.
Maar ik was vooral kwaad op peter en al zijn leugens.
Zo nijdig dat ik recht sprong, op mijn sokken, hem voorbijging,
in het donker de bunker in als 'n haasje, hopend dat hij me niet gezien had,
en daar zat ik, in die bunker.
Die hij waarschijnlijk nog zelf had gemetseld ook.
'Kleine!'
Niet antwoorden, denk ik. Zelfs niet luisteren. Ik bedek mijn oren.
'Kleine!
Ik ga naar de Koelenberg.
Mocht je zin hebben om me achterna te komen, dan ben je welkom.'
Hoe meer stappen ik hoorde, hoe nijdiger ik werd.
Ik dacht: wacht maar.
Ik ga naar de carnavalswinkel en koop er bommetjes
en laat ze vannacht ontploffen onder je venster,
zodat je denkt dat de Derde Wereldoorlog is begonnen,
en je in paniek buiten kijkt of ik veilig in de bunker zit.
Ik heb mijn arm opgetrokken zodat mijn mouw slap hangt.
En jij: 'Is alles goed, kleine?'
Ik kom naar buiten en zeg: Nee, de Duitsers hebben mijn arm eraf geschoten.
Ik toon mijn slappe mouw en jij zegt: Zeg dat het niet waar is.
Ik haal mijn arm eruit en zeg: 'Het is niet waar.
Zie je hoe leuk het is als iemand een wereldoorlog verzint?'
Op dat moment zie ik de bloemetjesschort van meter
voor de ingang van de bunker.
Meter komt de bunker binnen...
op haar blote voeten...
waarvan ze elke twee weken met een schilmesje het eelt afsnijdt...
voor ze de aardappelen...
Dat gaf een speciaal smaakje.
Ze had een grote chocolademousse bij met een bol verse slagroom erbovenop
en een héél lange lepel om tot helemaal beneden te kunnen uitlikken.
'Hier, ventje,' zegt ze, 'dat je geen honger hebt vannacht.'
Meter zet zich naast mij...
en ze zegt...
'Wat scheelt er, ventje?'
Ik zeg: 'Meter...
waarom liegt peter tegen mij over die Eerste Wereldoorlog?'
Ik vertel haar alle verhalen die peter mij de voorbije weken heeft verteld.
Meter knikt.
Ze luistert.
En ze neemt me vast.
Met al haar vlees.
En ze zegt: 'Ventje, toch.
Het is eigenlijk nog veel erger dan dat peter heeft gelogen over die oorlog.
Hij heeft de waarheid verteld.
Veel van de verhalen die jij hier nu vertelt,
heb ik met mijn eigen ogen gezien.
Hij zou je dat allemaal niet moeten vertellen.
Ik had niet gedacht dat hij daar ooit nog over zou vertellen, ventje.
Peter en ik zijn al zoveel jaren samen...
en weet je dat wij daar nog nooit over gepraat hebben?
Ik denk dat hij niet doorheeft dat hij eigenlijk tegen jou praat.
Sta er eens bij stil. Peter was maar even oud als jij nu bent
toen hij al die dingen heeft meegemaakt.
Als hij nu met jou door Geluwe loopt...
dan denk ik dat hij eigenlijk tegen dat ventje praat...
dat al die dingen heeft gezien.
En ik ben zo blij dat hij eindelijk eens...
tegen dat kindje praat.
Praten over het verleden is als een obus opgraven, ventje.
Het kan zijn dat het in je aangezicht ontploft.
Maar het kan ook zijn dat je er de grond mee uitkuist.
Ik ben zo blij dat peter toch nog...
die obus opgraaft.
Kom.
Eet je chocolademousse op.
Het zal je deugd doen.'
Ik ben hem nog achternagelopen.
Op mijn sokken die Koelenberg op.
Als ik boven kom, zie ik hem staan, te midden van de velden...
zijn galoches vastgezogen in de klei.
Zijn hoofd op Beselare gericht,
zoals een vastgeroeste kompasnaald.
Ik stap tot bij hem...
in zijn voetafdrukken.
Mijn voetjes vullen zijn voetafdrukken bijna helemaal.
Een jaar later zouden ze die helemaal gevuld hebben.
Maar toen was peter er niet meer.
'Moeder heeft Beselare overleefd, kleine.
Ze is doorgetrokken naar Frankrijk.
Daar heeft ze vier jaar en nog wat gewerkt bij een rijke boer.
Het was al begin 1919 toen ze weer in Geluwe raakte,
met mijn twee zussen...
maar zonder Paulke.
Paulke was dood, in Frankrijk.'
Dat is de eerste en de laatste keer dat ik peter heb zien huilen.
Waardoor ik ook moest huilen.
Waarna het begon te regenen.
De klei in de velden lag traag te veranderen in slijk.
Ik heb hem zachtjes meegetrokken tot in de Ieperstraat...
en we zijn de Koelenberg afgedaald, peter en ik.
Zoals hij en zijn vader, 65 jaar eerder.
Ik weet niet of zij elkaars hand vasthielden. Misschien was dat geen mode.
Misschien was peter niet jong genoeg meer
om de hand van zijn vader nog te mogen vasthouden.
Van de Koelenberg naar beneden...
terwijl ik zijn hand vastheb.
En ik ben blij dat ik het vastheb.
Af en toe neem ik het in gedachten nog eens vast, als ik het nodig heb.
En het doet altijd goed.
Van de Koelenberg naar het Moerputje.
Van het hoogste punt van het dorp naar het laagste.
Soms moet je in het leven eens helemaal opnieuw beginnen.
Zij, 65 jaar eerder...
gaan de bunker in.
Ze logeren erin, twee maanden, het is een dak boven het hoofd.
Terwijl ze met klei van het Moerputje
een minuscuul boerderijtje bouwen vijftig meter verder.
Het is net klaar als de moeder van peter weer thuiskomt,
met zijn twee zussen...
maar zonder Paulke.
Wij gaan de bunker voorbij, tot bij dat boerderijtje.
Het is in 65 jaar geen steen veranderd.
Peter duwt de klink naar beneden.
En voor we naar binnen gaan, kijkt hij me aan en zegt:
'Da's waar ook, kleine. Hoe is het gegaan met die spreekbeurt?'
Ik zeg: 'Heel goed, peter.
Ik had tien op tien.'
'Dat is goed', zegt peter. 'Dan heeft die oorlog toch nog voor iets gediend.'
We gaan het gangetje in, hij trekt zijn galoches uit.
Ik trek mijn natte sokken uit.
We voelen de kilte van de tegels omhoogtrekken...
in onze voeten.
Maar het geeft niet.
Want we ruiken de geur al...
van de warme wafels en de verse chocolademelk.
En dat zal zoveel deugd doen,
want we hebben allebei
grote...
grote honger.
Kristof Roseeuw!
Op techniek: Bruno en Jeroen.
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.