Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
English
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Muziek
Holland ontworstelt aan de barbaren, zo dichtte de volkstoondichters al van oudsher.
De strijd van dit grazige groene drassenland tegen het water kent menig episode.
Noord-Holland was oorspronkelijk de uitloop van een langgericht haf,
waarin moeizame dekages door mensenhanden bedreven werden.
De monniken van het grote Benedictijnrabij van Egmond aan Zee waren er specialist in.
De schieren monniken van Oost-Friesland waren eveneens zeer bedreven in die unieke kunde.
Inderdaad, Schiermonnik Oog is nu nog één landaanbied.
Toch is nu nog één landaanbiedingsmonument dat deze sinds de Jenserorde onbedoeld voor zichzelf oprichtte.
Tot één van de recentere monumenten, waarvan de herkomst nu nog steeds niet in de nevel der tijden is verzonken,
behoort een kunstmatig poldereiland in een havenbekke.
Het Oostereiland, gelegen in de haven van Hoorn, dat bedrijvige zuiderzeestartje dat in de 15e eeuw tot wasdom kwam en in de 16e in immense en voorbeeldloze bloei kwam.
Het Oostereiland, nog onbekend en onbezongen.
Een prachtig product van de Nederlandse ingenieurstalenten, later belichaamd in leegwater,
krukjes, maar stellig ook rozen, en Pieter Calland, de ontwerper der Nieuwe Waterwis.
Hoorn, een stede met een roemrijk verleden.
Een oppervlakkige blik op de gevelwand toont het direct.
Hier regeert historie, wilderig decoratieve trap, kuif en klokgevels.
De muurankers en gevelstenen zijn voorzien van plechtige Hollandse of Latijnse zinspreuken.
De oude hoofdpoort, toegang verlenend tot de straatjes van de stadskern,
tonen hoge pakhuizen, gotische torens, bedenhuizen met steunbieren en een verrassend rijk bewerkt gemeentehuis.
Het Oostereiland is een 16e eeuws kunstmatig eiland.
Het werd gepolderd midden in de eertijd zo woedige Zuiderzee,
met haar zo karakteristieke korte, stuikende golfslag,
waarop de lastkarvelen nukkig danste.
De haven van Hoorn moest in het begin van de 16e eeuw uitgediept en bekaat worden.
Ook de koopvaardij nam jaarlijks gestadig toe.
En de koge was niet meer bij machte aan de vervrachtingseisen te voldoen.
De fluit kon als stage tot 500 maat aan.
Maar dan moest de diepte van de havenbekkens een kielgang van 6 meter toestaan bij laag water.
En de kaden moesten stijl worden afgeplat.
Bovendien moest de kaden zelf verstevigd worden,
om de transporten van de verladers te dragen.
Verder moesten aan de kadenpieren binnenvaartschuiten in een rij gelegd kunnen worden,
langs de zeeschepen om de vervrachting en stuwaarsje versneld te kunnen borgen.
Er kwam door het grondverzet veel slik- en bakkervrij.
De hoerinezen besloten dat bezigen door een kunstmatig eiland aan te leggen,
in de natte, gevat tussen grenenpaaldammen, met riettene matten,
geschord via eikenhouten roosters,
waarop de klei, slik en blubber in lagen op elkaar gestoord werden.
Steeds afgestopt met wilgenmatten om de opvolgende laag te dragen.
Een grogebe private reeder pachtte eerst deze blubbermassa omvat binnen die dammen,
om zijn onderneming dicht bij de strekdammen te hebben,
met pakhuizen en een straatweg naar het vasteland,
om de bederfelijke waarsnel te kunnen transporteren.
Haggelijk maar lucratief.
In de voortdurende harde westelijke zeewind,
zette hij twee woonhuizen neer en een pakhuis.
Een durf al.
Hij overschatte zijn financiële spankracht en ging failliet.
Daar lag het eiland brak en braak.
Wat met dit kunstmatigste landwinning te doen?
De Horinezen vestigden er een pakhuis van hun oorlogsvloot,
waar de kanonnen, de zeilen, de rietten,
De kruidvoorraden, de gezwavelde en anderszins verduurzaamde levensmiddelen en de fourage opgeslagen konden worden.
De admiraliteit van het Noorderkwartier, ze beleefde haar triomfen tijdens de Engelse zeeoorlogen in de 16e eeuw.
Maar ze verliep ten gevolge van de inertie die intrad toen de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën succes boekte.
Die Republiek, die wonderlijke organisatie, die wonderlijke organisatie, die in de kruidvoorraden,
van zeven kribbige gewesten bevolkt met inhalige kruideniers.
Die Republiek kon er niet langer op vertrouwen dat haar tegenstanders, Engeland, Frankrijk en Spanje,
bestendig grotere stomiteiten bleven uithalen dan haar statengeneraal.
En toch deed ze dat. Maar de tegenstanders hadden geleerd, de Republiek niet.
Over die opgang, bloei en neergang van dat Hoerense kunstmatig, van dat Hoerense kunstmatig,
gaat deze documenteren.
Opgezet en bekommentariseerd door professor, meester, dokter Gerard Streijarts,
hoogleraar internationaal recht.
Gespecialiseerd in het klassieke volkenrecht dat in die periode,
mede door en ondanks die Republiek, ontstond.
In de tweede helft van de 16e eeuw neemt de Hollandse welvaart enorm toe.
Economie stabiliseert en evolueert.
Bijvoorbeeld een grote handelsstad als Rotterdam komt in ontwikkeling.
Dat geldt ook voor de vaart op de Oostzee en dus voor de vaart over de Zuiderzee.
En Hoeren wil profiteren van die evolutie, van die economische ontwikkeling.
Dat kan als de haven van Hoeren geschikt gemaakt wordt voor de havening en ankering,
vervrachting en stuage van een nieuw type koopvaardijschip, de Fluit.
De Fluit is een heel nieuw type koopvaardijvaartuig met een hele aparte tuigage, zeilvoering.
Het schip is niet langer Latijns getuigd met schuine zeilen, maar met dwarszeilen, met een ra.
En een blindzeil aan de boekspriet, wat de stabiliteit enorm bevordert.
Maar het heeft ook een hele ronde buiktenning, waardoor het een grote lastage kan voeren, een grote vacht.
Veel groter dan de koggen en de lastkarveel die voor die tijd in gebruik was.
Maar de diepgang is die overeenkomst natuurlijk ook veel groter.
Het heeft een zwaardere kiel.
Het vaart niet meer op vollezee met de zwaarden uit, die de stabiliteit aan beide kanten moeten bevorderen.
En het heeft een overnaadse betimmering.
Dat is aan de ene kant heel erg gunstig, want daardoor is het geschikt bij uitstek voor de vaart op Spitsbergen.
Die ronde buiktenning, die ronde bekieling, maakt dat de ijsmassa's het schip niet kraken, maar juist omhoog duwen.
Daardoor zeilt het schip als het ware over de ijsmassa's heen, op een hele lage waterfilm.
Anders dan bij Willem-Barends zal dus het schip niet zo heel gauw geruïneerd worden door opkruijend ijs rond de scheepswanden.
En de fluit kan ook veel meer kanonnen dragen, die baks kunnen vuren vanuit de scheepswand.
Dat kon bij de lastkarveel en zeker bij de koggen niet.
Maar om de fluit, zoals die in ontwikkeling is en zoals die steeds groter wordt en een steeds grotere tonnage krijgt, tot boven de duizend ton toe.
Om die fluit te kunnen doen havenen en vervrachten, heb je steile kademuren nodig en grote diepe havens.
Om die nou te krijgen, komen de rederijen en de vroedschap van Horen overheen, om tezamen en in vereniging de haven te laten uitbaggeren.
En de slip en de bagger samen te kneden en samen te ballen en aan te plempen tot een kunstmatig eiland, een kunstmatige kade.
Daarvoor is dan nodig dat grenenhouten palen op rij in de modderbodem worden geslagen.
Dat daartussen rieten, tenen, matten worden opgehangen.
En dat daarachter het vrijkomende slip, slijk en de modder worden aangeplemd op een bepaalde evenredige wijze in lagen.
En dat gebeurt op kosten van de gemeenschap in eerste instantie.
Hier achter mij op het Oostereiland, waar we nu de admiraliteitsgebouwen uit de 17e eeuw nog zien prijken.
Aanvankelijk is het een gemeentelijk project.
De vroedschap schiet de Gelder voor, de ridderijen stellen zich garant voor de uitvoering van de werken.
Tussen 1650 en 1655 wordt dit gigantische werk, de eerste kunstmatige polder in Vollerzee,
uitgevoerd.
Er ontstaat een steile bekadering waar de fluiten makkelijk kunnen ankeren.
En waar makkelijk vervracht kan worden in platbodems die landinwaarts de massagoederen kunnen verplaatsen
en aanleveren aan de detaillisten, om het zo maar eens uit te drukken.
En verder kunnen de fluiten die gespecialiseerd zijn in de vaart op Zwitsbergen hier ook makkelijk ankeren.
En verder kunnen ze hier ook de meegebrachte walvissen verflensen.
Dat betekent dat ze ontdaan worden van hun huiden, van hun vlees, van hun ingewanden.
En dat hierachter op dat oostereiland traankokerijen worden ingericht.
Hoorn had al traankokerijen.
Die stonden hierachter meer in de richting van het centrum.
Maar het probleem daarvan was, traankoken dat rookt en dat stinkt enorm.
Vooral met de toenmalige primitieve vuurtechnieken.
Daar had de bevolking veel last van.
En op het eiland hier achter mij, dat kunstmatige eiland, boeien altijd een stevige wind.
Dus daar had de bevolking dan niet zo veel last van.
De perspectieven van het kunstmatige eiland waren heel gunstig.
En er was een goochemerreder, een mecenas, die het heel goed deed.
De heer Schuit.
En die besloot in 1655 het hele eiland maar particulier te verwerven.
Hij besloot om daar twee grote pakkenhuizen neer te zetten.
Drie traankokerijen.
En twee particuliere woonhuizen.
Voor hemzelf en voor zijn hoofdboekhouder.
En hij besloot zelfs om daar een straat aan te leggen.
Die aansluiting zou geven op een brug die hij ook voor eigen kosten liet inrichten.
Zodat die aansluiting had bij het...
en bij de admiraliteit en de komende VOC-gebouwen.
Verenigde Oost-Indische Compagnie-kantoren.
Op het vaste land.
Dat kostte heel veel geld.
De kost ging letterlijk voor de baat uit.
Hij moest heel veel schulden maken deze schuit.
En helaas in 1677 is zijn particuliere initiatief afgestraft met een finaal faillissement.
Toen wist men eigenlijk niet zo goed meer wat men met dat kunstmatige polder.
zou moeten doen.
Waar in de tussentijd had de Verenigde Oost-Indische Compagnie zich geweldig ontwikkeld.
In de handelsvaart op Ternate, de Molukken, Nederlands-Indië.
Er werd veel specerij aangevoerd.
Dat was een zeer lucratieve handel.
Maar die VOC had bewapende oorlogsschepen nodig die in convooivaart die handelsvaart beveiligden.
Met name tegen de Duinkijkerkampers in het Nau van Calais.
Het kanaal.
Om die vergatten nu te kunnen laten ankeren was dat Oost-Eiland buitengewoon geschikt.
Het was wel niet zo heel erg geschikt om die vergatten hier ook inderdaad te bouwen.
Dat gebeurde hier dan ook niet.
Maar dat gebeurde bij uitsluiting in Amsterdam.
Maar het afwerken en opwerken van de vergatten.
Het toerusten met kanonnen.
De targage aanbrengen.
En het afwerken van de buitenwanden.
Dat gebeurde hier wel.
Ook op het Oost-Eiland.
Daarvoor werd een aparte scheepshelling aangelegd.
Die scheepshelling, daar zijn de wanden en de hellingnaden nog van teruggevonden.
Recentelijk bij de archeologische exploratie van de bodem van het Oost-Eiland.
Maar hoe die helling er precies heeft uitgezien.
En of die helling ook werd bediend door tredmolens met paardentractie.
Om de schepen te breven en op te heisen.
Dat staat niet vast.
Het vermoeden is gewettigd dat dat wel zo is.
Omdat dat ook gebeurde in Amsterdam.
Maar in Amsterdam was de situatie voor de vergatten in ieder geval daarom al heel anders.
Omdat Amsterdam voor vergatten heel moeilijk toegankelijk was.
Vanwege het zandeiland Pampus.
Dat zich ook nog voortdurend met eb en vloed verplaatste.
Met enige zeemeilen per jaar.
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
Ik sta hier voor een kunstmatig eiland, aangelegd in het midden van de 17e eeuw, in de haven van Horen.
De haven van Horen, een centrum van intensieve commerciële activiteiten.
Het midden van de Gouden Eeuw.
De eeuw, die Horen ook als havenstad en als militair centrum groot zal maken.
Een militair centrum op maritiem gebied.
Want achter mij, op dat kunstmatig eiland, ziet u een licht okere gebouw met een timpan onderop.
En dat is het pakhuis van de admiraliteit van het Noorderkwartier.
De admiraliteit van het Noorderkwartier, samengesteld uit de steden Horen en uit Enkhuizen.
Samen vormden zij een admiraliteit, een wendbare maritieme zeemacht.
Die ten dienste stond vanaf 1560 tot 1668 aan de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën.
Het was een pakhuis voor wapens, munities, kanons.
Je moet spreken over kanons.
Als je wil laten merken dat je iets weet van de maritieme oorlogsvoering en niet van kanonnen.
En die admiraliteit beheerde hier de victualie, de ravitaillering voor die vloot van Noord-Holland.
Er waren vijf admiraliteiten in die tijd.
Er was er eentje en die was Van de Maazen.
Die werd gevormd door de steden Vlaardingen, Schiedam, Deloshaven, Rotterdam en Dordrecht.
Hele belangrijke in opkomst zijnde koopsteden.
Dan had je de grote havenstad Amsterdam.
Dan had je de grote havenstad Amsterdam.
Amsterdam.
Het Noorderkwartier met Medenblik en Horen.
Dan had je de admiraliteit van Middelburg, dat waren de Zeeuwen.
En vervolgens de admiraliteit van Haarlingen voor Friesland.
Vijf verschillende admiraliteiten met vijf verschillende organisatorische modellen.
Vijf verschillende seinsystemen en vijf verschillende gietijzeren kanontypen.
Ik begrijp dat was heel moeilijk te integreren.
Want al die admiraliteiten wantrouwden elkaar ook een beetje.
Daar hadden ze ook wel reden voor.
Bijvoorbeeld Amsterdam was toen al een hele machtige koopstad.
Beschikte over veel bankair kapitaal.
En was daardoor, omdat de Naaman heel veel geld had, de machtigste.
En drukte zijn eigen commerciële handelsbelangen bijna altijd door.
Ten nadelen van de steden Medenblik en Horen.
En dat wisten ze hier ook heel erg goed.
Dus een zeker basiswantrouwen was er altijd wel.
Het gekke is dat al die admiraliteiten hun eigen expertise's hadden.
Hun eigen specialiteiten.
Die van de Mazen, de admiraliteit van de Mazen had bijvoorbeeld,
hele goede zeelieden.
En marineers, zeesoldaten.
De zeven hadden uitstekende vlootcommandeurs.
Het is niet voor niks dat Michiel de Ruiter uit Vlissingen komt.
De grote admiraal van de vloot.
Die in de Engelse zeeoorlogen overwinning na overwinning zullen scoren.
En hier in Horen hadden ze een specialisatie in bepaalde scheepstypes.
Het was heel erg belangrijk bij de commerciële handelsvaart dat je twee
De VOC gebruikte beide scheepstypen in onderlinge combinatie.
Hier in Hoorn konden ze beide scheepstypen vervaardigen.
Dat was een speciale kunde.
Daarvoor is deze haven ook uitgediept om beide scheepstypes te kunnen ontvangen en te kunnen doen havenen.
Daarom moest het Oostereiland een steile bekading hebben voor de spiegelgalioten.
De spiegelschepen die retour kwamen, de retourspiegelschepen, een moeilijk woord, die konden hier
direct op de kade havenen en die konden hier meteen vervracht worden en aan Cargador's
ter beschikking worden gesteld.
De lasten in lichtere platbodems die dan verder land in waarts konden varen.
Dat kon in Amsterdam veel moeilijker.
Amsterdam was heel moeilijk bereikbaar via de Zuiderzee, want daar lag een zich verplaatsende
zandbank voor.
Pampus.
We kennen de uitdrukking in Nederland: hij ligt voor Pampus.
Of hij is voor Pampus.
Grote zeeschepen moesten meestal ankeren voor het eiland Pampus en dan moest er een hele ingewikkelde
operatie via droogdokken, zeekamelen, plaatsvinden om een schip dat beladen was over Pampus heen
te trekken.
Dat hoefde hier niet.
Daar dat ooster eiland waar de grote en zware lastkarvelen meteen konden worden vervracht
en verladen.
We zijn, zoals u merkt, nu enigszins van locatie veranderd.
We kijken nog steeds naar datzelfde kunstmatige ooster eiland midden in de haven van Horen.
Maar nu staan we op de havenmonding, op een van de havenhoofden.
En achter mij ziet u twee grote sombere massieve gebouwen in de typische 19e eeuwse baksteenarchitectuur
van de Rijksgebouwendienst van die tijd.
Dat zijn de zogenaamde rijkswerkinrichtingen van Horen.
In de 19e eeuw komt in Nederland een verandering van de strafwetgeving tot stand en een ander
begrip over de doeleinden en de strekking van de straf die de overheid oplegt naar aanleiding
van delicten, strafbare feiten, misdrijven en overtredingen.
In de voorgaande eeuwen, de 16e, de 17e en de 18e eeuw ging het bij de bestraffing vooral om
vergelding, leedtoevoeging, het pijnigen van degene van wie een strafbaar feit bewezen kon worden.
In de 19e eeuw gaat men daar iets anders over denken en wil men dat van de bestraffingen een
sociaal positief effect uit kan gaan.
Men stelt het beginsel van de re-socialisatie centraal bij de herziening van het wetboek van strafrecht van 1886.
Re-socialisatie weer vatbaar maken voor de samenleving om geïntegreerd als sociaal wezen weer te functioneren
nadat je je misdrijf hebt uitgeboet.
En een van de instellingen die daarvoor bestemd werd was de zogenaamde Rijkskrententuin van Horen,
een Rijkswerkinrichting waar men na omgekomst van een strafperiode van maximaal drie jaar
in terecht zou kunnen voor heropvoeding tot wederopname in de samenleving.
Re-socialisatie.
En men voorzag daarin een dwangprogramma waarbij men voor overheidsdoelen ten algemene nutte
voor niets activiteiten zou moeten verrichten voor de samenleving
en daarbij ook scholing, leermogelijkheden zou moeten uitbaten.
En wat waren dat dan voor activiteiten?
Nou, dat zal u niet meevallen, want de meeste mensen die hier in de Rijkswerkinrichtingen terechtkwamen
waren bedelaars, landlopers en vagabonden en mensen die stelselmatig in het openbaar dronken waren.
De 19e eeuw
vertoonde een
Vrij harde samenleving met gesloten klassenstelsels en zij die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien, die waren er slecht aan toe.
Ze vormden vaak benden, de vagabondenbenden, bedelaarsbenden die een regelrechte terreur uitoefenden op stad en platteland.
Want de rechtshandhaving was vrij primitief en bepaald niet sluitend.
En waarmee ik niet wil zeggen dat die dat nou wel is.
Wanneer de overheid je te pakken kreeg en wanneer het tot een veroordeling kwam en je had één van deze feiten begaan, stelselmatige dronkenschap.
Landloperij, stroperij of massale bedelarij stelselmatig, dan kon je opgezonden worden naar Horen voor een maxim van de tijdsduur van weer drie jaar.
En je moest dan werkzaamheden verrichten als zakjes plakken, juten zakken naaien.
Het zwavelen van gord, u zult zeggen, wat is dat?
Het zwavelen van gord.
Wel de marine at heel veel gord op volle zee.
En omdat tegen bederfde vrij waren, werd dat hier gezwaveld.
En dat was ontzettend smerig werk, maar je hoefde er niet voor te kunnen lezen en schrijven.
Ondertussen was wel een nevenkomend doel dat men hier leerde lezen en schrijven.
En een van de activiteiten die hier met name ontplooid werd en waardoor deze instelling ook beroemd of berucht werd, was het krenten van druiven.
Massaal aangeleverde druiven.
Ook weer van rijksinstellingen.
Onder meer veenhuizen.
Veenhuizen die werden hierheen gebracht.
En de mensen die veroordeeld waren en hier gedwongen verbleven, die moesten die druiventrossen van mindere kwaliteit hier selecteren op krenten.
Vandaar rijkskrententuin.
Snachts moest je een kap op en verbleef je cellulair op de drie verdiepingen die hier achter mij zien.
Want men geloofde dat cellulair verblijf met totale sociale isolatie, waardoor je ook met anderen niet kon spreken en niet kon communiceren door woord of gebaar,
dat dat heilzaam zou werken op de ziel.
Een typische Calvinistische protestantse gedachte.
U ziet hier nu perspectief is weer dat admiraliteitsgebouw.
Dat admiraliteitsgebouw is full swing in bedrijf geweest als centraal pakhuis voor de admiraliteit van het Noordenkwartier van 1665 tot 1795.
In 1795 wordt eigenlijk de republiek der zeven verenigde provinciën opgeheven.
En die gaat over in een eenvoudigheid.
In een eenheid staat, de Bataarse Republiek.
En dan komt er één centrale admiraliteit en ook een ministerie van marine in Den Haag.
Dat komt te zitten op het lange voorhoud nummer 7.
De gewestelijke admiraliteiten worden dan opgeheven.
En dit gebouw wordt dan gebruikt voorlopig als rijksgevangenisinrichting.
Koning Lodewijk Napoleon zal dat ook gebruiken in 1809 als een strafbevangenis voor lang gestraften.
En daarom is ook te verklaren waarom hier de Rijkskrententuin, waar ik zo even het over sprak, hier gevestigd is.
Men had al een penitentiaire strafinrichting hier.
En een bijzondere moderne inrichting.
Want deze Rijkskrententuin was geweldig modern.
En beroemd in heel West-Europa.
Die kon daar mooi bij aansluiten.
Want dan had men de keukenfaciliteiten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de centrale strafgevangenis voor lang gestraften.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
En de leerlokalen gemeenschappelijk met de kenten.
Achter mij zien we de spinaas.
Het jacht de halve maan. U ziet het is een klein scheepje, want dat kunt u zien aan de omgeving, aan de loods die erachter ligt.
En met dat schip is Henry Hudson in 1609 overgestoken over de Atlantische Oceaan vanuit Texel om een noordwestelijke doorvaart te vinden naar Oost-Indië en Japan.
Destijds waren de intellectuelen in West-Europa er wel van overtuigd dat de wereld rond was.
En dat je naar het Westen kon varen zonder van de platte pannenkoek die de aarde zou zijn, dat dachten de primitieve mensen toen in de middeleeuwen, dat je er niet af zou varen en niet in de hel terecht zou komen.
De intellectuelen wisten dat heel goed. Onder hen was de gereformeerde dominee uit de wereld.
De andere planties, een beroemd kartograaf. En hij was ervan overtuigd dat je door de noordelijke IJszee boven Canada een doorvaart zou kunnen vinden vrij van pakijs.
Hij had Hudson daarvan overtuigd en ook signeur Dirk van Os, een Antwerpenaar die een groot koopman was die naar Amsterdam was gevlucht na de val van Antwerpen voor de Spanjaarden.
Dirk van Os was bereid om een dergelijke civiele verkenning voor die noordwestelijke doorvaart te financieren.
Hij was ook lid van de Compagnie van Verre in Amsterdam, Dirk van Os.
En hij was bereid om Henry Hudson voor onbepaalde tijd te charteren.
Eerst om die noordwestelijke doorvaart boven Canada te vinden, maar mocht dat dan niet lukken, dan iedere andere doorvaart.
De Spinaas of het civiele verkenningsschip voerde wel kanonnen, gietijzeren kanonnen.
Maar het was beslist geen oorlogsschip.
Het voer dan ook niet onder staatse vlag.
Het was een burgerlijk koopvaardijvaartuig.
En waarom heette dit nou de halve maan?
Wel, in de tijd waar we nu over spreken, hadden de staten van Holland en de staten-generaal een defensief alliantieverdrag.
Alliantieverdrag gesloten met de Ottomaanse staat, het Rijk van de Turken.
En de Turken voerden toen al als soevereiniteitsteken op hun wapens en hun vlaggen de halve maan, zoals ze dat nu ook doen.
Ook het huidige Turkije, het Turkije van Kemalata Turk, waar nu Erdogan de scepter zwaait, voert de halve maan als soevereiniteitsteken.
En een van de leuzen die de geuzen in Horen aanhieven destijds was, liever Turks dan Rooms of Paaps.
Men was liever Turks, Mohammedaans, dan dat men Rooms was, Rooms-Katholiek.
En om nu de alliantiepartner, de Turken, te eren, werd dit schip de halve maan gedoopt.
En vandaar die halve maan op de spiegel.
Toen voer met het schip eerst vast in het pakijs.
Hij merkte dat die noordwestelijke doorvaart die Plantsjes hem voorgerekend had, op zijn chique kamer aan de Amsterdamse grachten,
gezeten achter globus en mooie kaarten, dat hij helemaal niet bestond dat ook hij vast kwam te zitten, net als Willem Barens, in dat massieve pakijs.
Hij wende daarom de steven, ook al omdat de muiterij dreigde, en voer terug in zuidelijke richting, langs Groenland,
op zoek naar een nieuw estuarium of inham, waarvan hij veronderstelde dat daar de noordwestelijke doorvaart in een zeearm, een haf, zou zijn gelegen.
Hij zag drie riviermondingen en hij nam de middelste.
De middelrivier noemt hij dat.
Wij hebben die rivier naar hen later de Hudson genoemd.
Hij voerde Hudson af, tweehonderd zeemeilen.
Hij kwam weer vast te zitten in ijs.
Ter hoogte van de streek die we nu Albany noemen.
Zijn matrozen waren nog steeds heel erg bang,
dat hij bezig was van de platte pannenkoek die de aarde was, af te varen.
Dat hij in de hel zou stevenen.
En ze kwamen bijna tot muiterij.
En ook weer moest hij daardoor genoodzaakt de steven te wenden en terug te keren op zijn tocht over die zeearm.
Want hij was ervan overtuigd dat hij in een zeearm vertoefde met zijn halve maan, omdat het water maar brak bleef.
Maar zoals we weten, de Hudson is onderhevig aan langstrekkende getijden en is daarom ver landinwaarts brak.
Hudson voert hem voor de hutsen.
Met zijn grommende en opstandige matrozen.
En hij moest ankeren ter hoogte van een eiland midden in die zeearm, die Hudson rivier.
Want hij had limoenen nodig, hij had vruchten nodig, groenten, omdat zijn matrozen aan scheurbuik leden.
En hij kreeg die limoenen en die vruchten aangereikt door uiterst vriendelijke indianen die op het eiland wezen en zeiden.
Manhattan. Dat is het eiland Manhattan geworden.
En Hudson wierd daar zijn anker uit in opdracht van senior van Os, dus namens de staten van Holland.
En hij noemde het dus Nieuw Amsterdam om aldus de eigendomsrechten van de staten van Holland te kunnen claimen.
Volgens het toenmalig geldende volkenrecht.
De Engelsen betwist dat recht uiteraard.
En nu is voor ons de vraag, waarom was Hudson?
Waarom was Dirk van Os?
Waarom waren de staten van Holland er zo keen op om een noordwestelijke doorvaart dwars door Amerika te vinden?
Dat was omdat de paus van Rome in 1494 in een mondiaal verdrag gesloten met de koninkrijken van Portugal en Spanje,
de hele wereldzee geconcessioneerd had in twee delen.
Hij trok een meridiaanlijn 1770 zeemeilen van af Kaapverdië midden over de oceaan en zei het westen van deze lijn.
Dat behoort tot de koning van Spanje en alles ten oosten aan de Portugezen.
Daardoor waren de staten van Holland niet gerechtigd om een monopolievaart te ontwikkelen op Oost-Indië via de zeestraten die in 1494 al gekartografeerd waren.
De staten van Holland wilden zich natuurlijk wel aan het zeerecht houden en het toenmalige volkenrecht.
Daar hadden ze zelf ook alle belang bij.
Want het was maar een kleine staat en het volkenrecht is meer op de hand van kleine staten.
En de bescherming van kleine staten, daarvoor is het ook ontworpen.
Ze wilden dus niet hun staatsbestaan als zelfstandige republiek van zeven verenigde provinciën beginnen met een flagrante schending van het volkrechtelijk verdrag van 1494.
Dat befaamde verdelingsverdrag van de Valle Zee door paus Alexander VI.
Later, toen de republiek sterk was geworden en een immense oorlogsloot had, kon ze het niet meer schelen.
En lapten ze alle verdragen van de paus, de Spaanse koning en de Portugezen zonder meer aan hun laars.
Daar hadden ze de halve maan echt niet meer bij nodig en ook de Turken niet.
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
MUZIEK
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.