Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Gouden leeuw - Venetië '85
Beste actrice - Académie des César 1986
ciné-tamaris stelt voor
een film van Agnès Varda
Dank aan de inwoners van...
Dank ook aan het gemeentebestuur van Nîmes, aan Renault, aan de S.N.C.F.
en aan al wie deze film heeft helpen verwezenlijken
voor Nathalie Sarraute...
Mr. Emognat, ik heb een lijk gevonden. Ze ligt zo.
Weet je het zeker? - Ja, in de gracht.
Ik ga de politie bellen.
Neem een foto van haar gezicht. Van haar gezicht.
Een vrouw in de gracht. Ze is dood. - Wanneer heb je haar gevonden?
Vanmorgen om tien uur, denk ik. - Om tien uur?
Misschien is ze gestruikeld en was ze bewusteloos. Het heeft gevroren,
ze is vast doodgevroren.
Geen papieren.
Er zit bezinksel op haar. Ze hebben haar vast in een wijnvat gegooid.
2,50 meter.
Wat voor iemand was ze?
Ze had een lege blik, een echte landloper.
Door de manier waarop ze me aankeek, wist ik dat... Meer weet ik niet.
Wat denk jij? - Een natuurlijke dood.
Er zijn geen sporen te vinden. Ze is wellicht doodgevroren.
Het lijk werd niet opgeëist, dus ging het van de gracht naar 't armenkerkhof.
Het was een natuurlijke dood die geen sporen had nagelaten.
Zouden degenen die haar als kind hebben gekend nog aan haar denken?
De mensen uit de buurt herinnerden zich haar.
Dankzij hen kon ik haar laatste weken beschrijven.
Ze heeft 'n sterke indruk nagelaten. Ze wisten niet dat ze dood was.
Ik heb het hen niet verteld. Ook niet dat ze Mona Bergeron heette.
Ik weet niet veel over haar, maar ik denk dat ze afkomstig was van de kust.
Paulo, voor twee frank is ze van jou.
Ja, maar als hij in het echt een naakte vrouw ziet, haakt hij af.
Die dag op het strand was ik er klaar voor.
Een meisje alleen is een makkelijke prooi.
Het water is ijskoud. Je moet gek zijn om nu te zwemmen.
Het is vast 'n weddenschap. - Ik zou 't niet doen.
Tenzij voor een miljoen frank.
Ze ziet er niet slecht uit, hè?
Gaan we even bij haar? - Ik heb geen tijd.
Laat mij rijden. - Een andere keer misschien.
Het kampeerseizoen is voorbij. Er is niemand meer.
Ik ben er.
Wat zijn die dingen lelijk.
In de zomer is het beter. Dan is er volk van overal.
90.000 in de zomer. Slechts 3.000 in de winter.
Dan zijn er 87.000 lege bedden.
Zoek je een slaapplaats? Achteraan is er een.
Denk er niet aan.
Heb je een radio?
Alles behalve een radio. Wat een waardeloos wrak. Zelfs geen radio.
Ik stop hier. Hier moet je uitstappen.
Je geeft geen gratis ritjes, hè?
Tot ziens.
Vrouwelijke lifters, oké, maar als ze me niet aanstaan, gooi ik ze eruit.
Ze zag er nochtans leuk uit.
Het is vast hetzelfde meisje uit de bungalow die we moesten afbreken.
Ze had niks gehoord. Ze lag te slapen als een engel.
Jongens, kijk eens wat ik heb gevonden.
Kan ik wat water krijgen? - Ja, daar staat een pomp.
Dat ding daar?
Er is geen water.
Je moet ze aanzuigen.
Autopech? - Nee, ik ga kamperen.
Met dit weer? - Ja, dat valt best mee.
Hebt u lucifers? - Uiteraard. Ik haal ze even, jongedame.
Ik zou liever weggaan.
Dat meisje dat water wilde... Ze is vrij, ze doet wat ze wil.
Heeft ze een moeder die elke dag voor haar kookt?
Soms is het beter om niet te eten.
Ik zou vrij willen zijn.
Ik zou vrij willen zijn.
Is daar iemand? - Ja, ik lig te slapen.
Weet je waar je bent? - Ik ben hier vannacht aangekomen.
Dit is 'n kerkhof. Je kunt hier niet blijven.
Hé, moeten er grafstenen worden schoongemaakt?
Koffie alsjeblieft.
Kijk je naar mij? Of naar mijn broodje? - Naar je broodje.
Jammer. Wil je er een?
Laurent, geef haar een broodje.
Open op zondag
Ze kwam hier aan met een grote rugzak. Ze zocht werk.
Ik heb haar voor 30 frank een auto laten wassen.
Haar handen waren dan toch gewassen.
Ze had de benzinepomp kunnen bedienen, maar ik vertrouwde haar niet.
Ze zijn allemaal gelijk, die zwerfsters, allemaal verleidsters.
Ze zei ook dat ik vuile handen had. Nee, het was iets anders.
Ze zei: 'Je hebt een vuile geest.'
Wat een lef.
Kom nou.
Mag ik meerijden? - Ja.
Ik neem even mijn rugzak. - Nee.
Rotzakken.
Moet je dat meisje zien.
Ik heb er nog een.
Makkelijke inbraken zijn zeldzaam geworden.
De meeste huizen zijn beveiligd. - En overal zijn er honden.
En daar waar Yolande werkt? - Laat Yolande hier buiten.
En dat kasteel waar haar oom werkt? - Je laat Yolande met rust. Begrepen?
Yolande. - Ik kom zo, madame Lydie.
Ik heb een stel ontdekt, maar ik heb het niet aan oom Aimé verteld.
Hij is de conciërge, maar de eigenaar komt maar één keer per jaar,
dus Aimé trekt het zich niet aan.
Hij weet zelfs niet dat je langs achteren binnen kunt.
Oom Aimé, dit is mijn man. - Ik ben Paul, zeg maar Paulo.
Mijn naam is Bionnet. B van beestig, I van idioot,
O van oprecht, 2 N'en van Noël Noël,
E van Ernest Renan...
En T van de voornaam van de schrijver Théophile Gauthier.
Goed zo. - Laten we erop drinken.
Ik ken het uit m'n hoofd, ik hoor dat al 15 jaar.
Ik ga even wandelen.
Je bent terug. Heb je genoten van je wandeling? Heb je lopen dagdromen?
Kom, Paulo. We moeten oom naar het station brengen en ik wil gaan dansen.
Beloof je dat je de honden eten komt geven?
Ik beloof het. - Ze is gedienstig.
Yolande is erg hulpvol. Yolande is gedienstig.
Gaat u een paar dagen weg? - Ja, voor familiezaken.
Ik wou dat Paulo samen met me zou wegdromen...
zoals de geliefden in het kasteel die in elkaars armen liggen.
Die ouwe vertrekt met een koffer. We zijn even op ons gemak.
Leuk optrekje.
Geen sporen nalaten. Uit het zicht blijven.
Ik weet het. Normaal blijf ik niet langer dan twee dagen.
Normaal ben ik alleen. Zoals een ronddwalende Jood.
Ik heb de sleutel weggegooid.
Het werd hoog tijd.
Je weet dat ze om halfeen stipt wil eten.
Je hebt de ganse morgen geslapen.
Ik ben het moe om hier de hele tijd opgesloten te zitten.
Gelukkig ga ik binnenkort drie dagen weg.
Zoek een baan waar er meer plaats is voor mij.
Oude mensen betalen goed. - Zoek dan een andere ouwe.
Ze is vervelend, maar er zijn er andere die vuiler en zieker zijn.
Ze is een gouden zaakje. - Niet voor mij.
Je geeft nochtans graag mijn geld uit. - Je bent strontvervelend en grof.
Paulo, waarom ben je niet lief? - Daar gaan we weer.
Ik ken een stel dat alles samen doet:
eten, roken, slapen, naar muziek luisteren.
Wie zijn dat? - Je kent ze niet.
Maar jij kent ze wel?
Ik blijf hier niet, dat zweer ik je.
Dat houtwerk is heel mooi, maar het houdt wel veel stof vast.
Zorg ervoor dat je het goed afstoft.
Let op voor mijn kopje. Ik ben er erg aan gehecht.
Ik heb het van mijn meter gekregen voor mijn communie.
Het arme mens. Ik hield erg veel van haar.
Ik heb heel veel gehuild toen ze is gestorven.
Als ze dood waren, is het rot. Maar als ze slapen, is het schattig.
Heb je echt geen shit meer?
Je hebt in vier dagen tijd mijn maandreserve opgerookt.
Geef het brood eens.
Ik hoor iets beneden. - Het is de wind.
Wat was dat?
Zet de radio uit.
Ga eens kijken.
Toen ik wiet had, was ze lief. Toen het op was, was het al minder.
En toen ze mij hadden geslagen, is ze vertrokken.
Gelukkig heeft ze mijn radio niet meegenomen. Ze hield hem in het oog.
Ik dacht dat ze een huismus was, dat ze zou blijven.
Verdomme.
Ik heb niemand gezien. Alleen mijn nichtje dat vaak langskomt.
De buren hebben een vuil meisje gezien met een rugzak.
Dat kon mijn nichtje niet zijn geweest. Zij let erg op haar uiterlijk.
Ziet u Yolande al met een kast vertrekken?
Of de kampeerster met een groot schilderij? Dat is onzin.
Goede reis, meisje. Onze deur staat altijd open.
Private eigendom, geen toegang opgelet voor de honden
Hallo. - Goeiendag.
Met zo'n weer onderweg? - Ik heb het weer niet gekozen.
Je bent wel onderweg. - Inderdaad.
Kom maar mee.
Goedenavond.
De man die me heeft afgezet, zei: Je kunt bij de herder terecht.
Dat rijmt. - Dat kan ik goed.
Voor één nacht. - Ze kan in de leefruimte slapen.
Hoeveel heb je er?
Een honderdtal. Ik weet niet hoeveel precies.
Ken je ze allemaal? - Bijna. De helft heeft een naam.
Deze is mijn haar aan het opeten.
Ze slaapt vast.
Laat haar nog wat slapen.
Goedemorgen. Goed geslapen? - Het gaat wel.
Fijn.
Ik weet hoe het is om onderweg te zijn.
Ben jij onderweg geweest? - We hebben de kudde verhuisd.
Zes maanden in de bergen, zes maanden in de vallei.
Ja, maar met je vrouw en je kudde, dat is iets anders. Dat is zoals verhuizen.
Het is niet dezelfde soort reis als die van jou.
Iedereen leidt zijn leven zoals hij wil. Zo is het.
Reis je alleen? Ben je niet eenzaam?
Het is goed om alleen te zijn.
Met Kerstmis was ik alleen.
Ik heb mensen zien vreten en ik was alleen.
Als het koud is, zijn er niet veel mensen op de weg
en krijg je makkelijker een lift.
Dat hangt af van de persoon die je een lift geeft of niet.
Als ze je oppikken, heb je geluk. Zeker als ze je niet lastigvallen.
Dat kan me niks schelen, ik ga vooruit.
Misschien ben je vrijer dan ik. Zoveel te beter voor jou.
Ik heb een middenweg gekozen tussen de eenzaamheid en de vrijheid.
Ze hebben me lang lastiggevallen. Dat is nu voorbij.
Je hebt voor de vrijheid gekozen, maar nu ben je alleen.
Op sommige momenten denk ik dat als je voortgaat, je jezelf kapotmaakt.
En als je wilt leven, stop je.
Al mijn vrienden die ronddwaalden, zijn ofwel dood,
ofwel zijn het alcoholisten of drugsverslaafden.
Uiteindelijk konden ze de eenzaamheid niet meer aan.
Ga je hem later naar school laten gaan? - We zullen zien.
Zijn vader heeft de bevalling gedaan. Hij zal hem leren lezen en schrijven.
Hij heeft een master Filosofie. - Wat zit je hier dan te doen?
Terugkeer naar de natuur. - Dat zou ik ook willen.
Ik zou een aardappelenveld willen hebben.
Aardappelen.
Landbouw is niet eenvoudig. Je moet er zijn wanneer het land je nodig heeft.
Als je een aardappelveld wilt,
mag je dit stuk gebruiken van de cipressen tot aan de fruitbomen.
Dat is genoeg plaats voor aardappelen.
Dat ga ik nooit kunnen. - Ik zal je helpen.
Ik zal het land ploegen en eggen en dan kun je planten.
Je hebt een matras en een kachel. Je zult er goed zitten.
Je kunt kaas verkopen als er iemand komt.
Zo hebben wij ook onze privacy.
Kun je paardrijden?
Dit is beter. Met jullie drieën en de kudde is het veel te druk.
Ik ben dat niet gewend.
Kom je even in mijn huisje?
Kom.
Nee, het stinkt niet. Je wordt het wel gewend.
Mona, lig je te slapen?
Ik roep je al sinds de middag. Dit kan zo niet langer.
Jij slaapt voortdurend terwijl wij werken.
Dat is niet eerlijk en het is hier vuil.
Overal sigarettenpeuken. Dat is niet goed.
Maak je zo niet druk.
Je bent een lastpak. Kom, we moeten praten.
Wat wil je van me? - Je bent waardeloos.
We geven je een veld en je doet er niks mee. Je hebt een leeg hoofd.
Moet er dan iets in zitten? Moet ik ook herder worden?
Je bent niet de enige randfiguur.
Jij bent geen randfiguur, je bestaat niet.
Rot op met je filosofie.
Je leeft ook in je vuiligheid. Alleen werk je meer.
Als ik had gestudeerd, zou ik niet leven zoals jij.
Ik haatte het om secretaresse te zijn.
Ik ben die bazen niet ontvlucht om me hier te laten commanderen.
Je hebt te veel romannetjes gelezen.
Je bent een dromer.
Jij kunt wel een bad gebruiken. - Ik kan vooral geld gebruiken.
Wil je wat kaas kopen? Het is geitenkaas van op mijn werk.
Ik had nooit gedacht dat ik hier inkopen zou doen.
Eet jij ze niet op? - Ik heb er genoeg gegeten voor 10 jaar.
Hier.
Ga nu maar weg, je jaagt mijn klanten weg. Ik sta hier te werken.
Ze heeft karakter.
Ze weet wat ze wil.
Ik had op haar leeftijd ook zin om rond te trekken.
Ik had het beter gedaan.
Als je met de verkeerde man trouwt, zit je er je ganse leven mee.
Ik mocht die hippie wel.
Ja. Die van de universiteit waren er en ik heb mijn speech gegeven...
Moet je horen,
Ik heb een lift gegeven aan een soort zwerfster.
Ze stonk ongelooflijk. Ik stikte bijna toen ze naast me zat.
Alles stonk: haar slaapzak, haar rugzak, zijzelf, alles. Heel smerig.
Ik stond ervan versteld. Ik kon haar niet weigeren, ze zat al in de auto.
Dus je slaapt buiten, alleen? - Ja.
Doe je dat omdat je het graag doet of heb je geen keus?
Inderdaad.
Heb je geen thuis? - Inderdaad.
Heb je geen familie? - Niet veel.
Ik val je lastig met mijn vragen. - Een beetje, maar dat geeft niet.
Iedereen met wie ik meerijd stelt vragen. Soms verzin ik wat.
Dus ook dat je geen thuis hebt? - Dat niet.
Voor na je sigaret? - Tijdens.
Dat zijn 'chichis'. - Wat zijn het?
Een plaatselijke delicatesse.
Misschien heten ze anders. Geen idee.
Luide muziek verpest mijn appetijt. Je houdt van muziek.
Ja, en van wiet.
Heb je geen radio? - Nee, en ook geen wiet.
Ik heb geen poen om er te kopen. - En je hebt poen nodig om er te kopen.
En om brood te kopen.
Ik vind altijd brood en hier en daar verdien ik wat geld.
Waar bewaar je je geld? - Hier, ik heb een zakje.
Als ik er heb, als ik werk.
Een biertje zou hier goed bijpassen.
Wat voor werk? - Eender wat.
Aardbeien of druiven plukken.
Ik zou graag babysitten. - In die kleren?
Ja, ik heb niet de juiste look.
Niet de propere look die ouders willen.
Je zou met honden kunnen gaan wandelen. - Hondenoppas? Nee, dank je.
Ik heb al met dieren gewerkt.
Ik zou toezicht willen houden. Toezicht over huizen, over waakhonden.
Er zijn zo veel grote huizen. Zo veel kamers.
Ik onderzoek platanen, dode platanen. Ik ben specialiste.
Behandel je ze?
Nee, ik ben universiteitsprofessor. Ik zoek de oorzaak. Ik doe onderzoek.
Wie behandelt ze dan?
Werkers. Ik ga bij hen langs.
Wij willen een soort ontwikkelen die bestand is.
Tegen wat?
Een schimmel die op kanker lijkt Ceratocystis fimbriata.
Maar wij noemen het schorsbrand. Het kruipt in de boom en doodt hem.
We kunnen 't nog niet tegenhouden. Alle platanen zijn ten dode opgeschreven.
Wanneer?
Over dertig jaar. Tenzij we een remedie vinden.
Maar er zijn fondsen voor nodig.
Poen.
Het Amerikaanse leger heeft het in '44 meegebracht naar Zuid-Frankrijk.
En naar Italië. Niet naar Normandië, daar zijn niet veel platanen.
In Marseille hebben ze de houten kratten van hun wapens achtergelaten.
Ze waren gemaakt van besmet hout. En het blijft jarenlang besmettelijk.
De schimmel verspreidt zich langzaam. En zo is de epidemie begonnen.
We hebben het te laat gemerkt. - Dat is stom.
Maar niks doen tegen de plaag... is nog erger.
Ach ja...
Ik vond het vreemd dat ik snel gewend was aan haar stank,
aan het feit dat ze voortdurend rookte, aan haar miserie.
Ze voelde zich goed in mijn auto. Ze voelde er zich thuis.
Ik heb alles genomen wat er lekker uitzag.
We worden verwend op die conferenties. En wat champagne.
Je begrijpt dat ik je niet mee naar binnen kan nemen.
Ik haat drukte.
Wil je in de auto slapen? - Ja, leuk.
Voor de radio heb je de sleutel nodig, maar die neem ik liever mee.
Ga je me opsluiten?
Nee, je kunt de auto zelf vergrendelen.
Sorry dat je niet naar muziek kunt luisteren.
Dat kan me niks schelen. Ik ben het gewend.
Soms vervoeg ik de onregelmatige Engelse werkwoorden.
To catch, caught, caught.
Heb je Engels gestudeerd? - Ja. Voor het toelatingsexamen.
Heb je een diploma? - Ja, van stenotypiste.
Je had op deze conferentie kunnen werken.
Als ik de juiste look had gehad.
Ik moet ervandoor.
Waarom heb je alles laten vallen?
Onderweg zijn en champagne drinken is beter.
Dag, Jean-Pierre. Er zit een vreemd meisje in mijn auto.
Je moet die boomstronk weghalen. Mijn vrachtwagens moeten er voorbij.
Laat ze achteraan de boel desinfecteren. Die boomstronk moet weg.
Hij moet ter plaatse worden verzaagd.
Dit is Mw. Landier. - Goeiendag, mevrouw.
Maar dat lost niks op. - We doen ons best.
Ze is een vreemd meisje, een liftster. Ze is wild en vuil.
Ze heeft zich in mijn auto genesteld.
Zal ik haar tonen hoe we zieke bomen verwijderen?
Nee, ze is vriendelijk.
Ik vroeg me af wat er in je auto zat. - Zij is het. Wil je haar zien?
Ga mijn rode map halen.
Ik kom haar map halen.
Je gaat hier stikken. - Deur dicht, het waait.
Wat rook je? Ik heb er geen meer. - Gitanes. Wil je er een?
Heb je die boom zien vallen? - Ja.
Jammer, hè? - Niks om voor te huilen.
Ben jij een boomfreak, zoals zij?
Ik was haar student. Ik ben landbouwkundig ingenieur.
Ben je bang van mij?
Kap ze maar allemaal. Doe alsof je thuis bent.
Ik dacht meteen aan jou.
Toen ik haar zag, dacht ik meteen aan hoe zacht en verfijnd jij wel bent.
Er zijn prinsessen en padden. - Dat zal wel. Het blijft nee.
We zijn getrouwd en je wilt nooit.
Bij mijn ouders voelde ik me goed. In dit krot heb ik geen zin.
Je tante Lydie woont alleen in een flat met 7 kamers.
Ze blijft niet eeuwig leven.
We verspillen onze beste jaren omdat we geen geld en geen plaats hebben.
Hou op met klagen.
Die zwerfster had niks.
Helemaal niks. Geen huis, geen geld. Ik verzeker je dat...
Zwijg over die sloerie die jou en Landier om de vinger heeft gewonden.
Die professor vindt altijd wel iets.
Heb toch geen medelijden met die zwerfster.
Ze is misschien een crimineel, een geestesgestoorde, een drugsverslaafde.
Jij komt hier vaak langs.
Het eten is niet slecht, maar de muziek lijkt nergens naar.
Dit is muzak. Heb je niks van Renaud?
Ik maak die programma's niet.
Hou jij niet van Renaud? - Jawel.
Je moet je vuist ballen, dan gaat het sneller.
Ik ben niet gehaast.
Waar kan ik sigaretten kopen? - Hier niet. Iets verderop.
Ze kwam uit het niets.
Ze zat bij het vuur. Ze leek het koud te hebben.
Ik durfde haar niet aan te spreken. Had ik dat had moeten doen?
Je ziet niet vaak meisjes rondzwerven.
Zo helemaal alleen... Ik had haar moeten aanspreken.
Wat is dat van die schimmels?
Het is die cytodinges. De Amerikanen hebben het meegebracht met hun kratten.
De Amerikanen? Wanneer?
Vraag er maar eens naar. U zult het merken als uw kratten besmet zijn.
In mijn kratten die hier zijn gemaakt?
Ik zeg het omdat ik het weet. U zou het ook moeten weten.
Uw platanen kunnen me niks schelen. Denk aan mij als ze doodgaan.
Ben ik te vroeg? - Nee, kom erin.
Goeiemorgen, Mw. Landier. - Ik ben een beetje laat. Ga zitten.
Ga zitten.
Je hebt je bril nog niet laten maken. - Mijn vrouw heeft net hetzelfde gezegd.
Over vijf minuutjes ben ik klaar.
Mw. Landier?
Ik was bijna dood.
Geëlektrocuteerd. - Het is voorbij.
Ik was bijna dood.
Vreselijk licht.
Het is waar wat ze zeggen.
Ik zag mijn leven voorbijflitsen.
De beelden flitsten voorbij. Het duurde een eeuwigheid.
Ik hoorde iets vreemds en ik ben meteen gekomen.
Het heeft een paar seconden geduurd. - Ik vocht tegen die beelden.
Het is vreemd.
Het meisje dat ik een lift had gegeven...
Ik heb haar een paar keer gezien. Als een verwijt.
Zal ik vooraan gaan zitten of speel je taxi?
Ik moet je ergens afzetten. Ik ga naar huis.
Wanneer? Nu?
Nee, over een halfuur, een kwartiertje.
Ieder het zijne, hè?
Hier...
Hier heb je wat te eten. - Het waren leuke ritjes.
Kom je wel terecht? - Ja, hoor. Komt goed.
Wees voorzichtig.
Poen voor brood?
We kunnen haar niet zomaar alleen laten. De bossen zijn te gevaarlijk.
Jean-Pierre, je moet me helpen. Zoek haar.
Het was 'n bos vlak bij een watertoren. Ik laat het je zien op de kaart.
Ik maak me zorgen om haar. Ze is helemaal alleen.
Ik had iets moeten doen.
Ik weet zelfs niet hoe ze heet.
Zo alleen?
Ik hou je al 'n tijdje in het oog.
Wil je gezelschap? - Nee.
Tuurlijk wel.
Ze is voorbijgevlogen als de wind.
Geen plannen, geen doelen. Geen dromen, geen wensen.
We hebben haar dingen voorgesteld, maar ze wilde niks doen.
Ze dwaalt niet, ze wijkt af.
Door te bewijzen dat ze niks waard is, helpt ze het systeem dat ze afwijst.
Ze dwaalt niet, ze wijkt af.
Mag ik drinken? - Ja, drink maar.
Je mag ook een heggenschaar nemen en aan het werk gaan.
Kom erin.
Doe de deur dicht.
Wat moet je met die junk?
Dit meisje leeft buiten, mag ze boven slapen?
Goed, want je bent alleen. Wanneer de anderen terug zijn, zal het niet gaan.
We zullen zien. - Oké.
Bedankt. - Goedenavond.
Jij leeft dus buiten? - Ja.
Kom maar binnen.
Wil je wat thee?
De thee is klaar. - Waar zijn de anderen?
Ze zijn naar Marokko om hun vrouwen en kinderen te bezoeken.
Heb jij geen kinderen?
Ik ben geen Marokkaan, ik ben Tunesiër.
Hoe heet je ook alweer? - Yahiaoui Assouna.
Mag ik je Assoun noemen? - Als je dat wilt. Assoun of Assouna.
Ik heet Simone, maar ze noemen me Mona.
Je heet Mona? Mooie naam.
En de naam van je vader? - Bergeron.
Werkt de televisie? - Nee.
Kun je snoeien? - Nee.
Ik zal het je laten zien. Kijk.
Zo, daar... En zo...
Begin hier. Knip maar.
Knip dit af.
En dan dit.
Ziezo, heel goed.
Je kunt met me samenwerken als je wilt.
Ik krijg een vast loon.
Ik krijg ongeveer 800 à 900 frank per wijngaard.
In sommige wijngaarden staan 1.500 planten, in andere 2.000.
Wanneer je een vast loon krijgt, regel je het zoals je wilt.
Je kunt me helpen.
Assoun, het is tijd.
Niet achterblijven. Kom naast mij staan.
Als ze niet goed gesnoeid zijn of niet klaar zijn...
Ik zal er daarna nog eens overgaan.
Het is lekker. - Ja, het is lekker.
Vreemd, al die flessen olie.
We hebben elk onze eigen fles. Onze namen staan erop.
Eten jullie altijd op een rij, zoals in een snackbar?
Heb je je bezeerd? - Ik leer het vak.
De vrouw van de baas heeft gezegd dat snoeien niet voor vrouwen is.
Ze heeft ook gezegd dat haar dochter in een herenondergoedfabriek werkt.
Dat wist ik.
Het is vreemd dat een meisje tijdens de winter kampeert.
De tijden zijn veranderd.
Kijk naar Florence.
Ze is erger dan een jongen. Ze wil alleen met motorfietsen rijden.
Wacht maar.
Wanneer ze een leuke jongen leert kennen, komt alles goed.
Dat ze maar niet zoals die kampeerster eindigt.
Ze zou Mona heten.
Het is allemaal stijf door dit weer.
Ik laat het hangen.
Jij hebt dat probleem niet. Je wast je kleren nooit.
En daarboven is het niet schoner.
Assoun is lief. Hij heeft een zachte blik.
Ja, hij is lief en hij is een goede werker. Maar hij is vuil.
Luister je of niet? Als je wilt, mag je blijven.
Je helpt me in de wijngaarden en ik zal goed voor je zorgen.
Wanneer de anderen komen, regel ik wel wat.
Ga je niks zeggen?
Wil je naar buiten? Het is koud.
Kleed je goed aan.
Assoun, kom je? - Ja, ik kom.
Mona, er is een probleem met de anderen.
Ze willen niet dat je blijft. Ik weet niet waarom.
Ga hier zitten. Ik ga nog eens met hen praten. Wacht hier op me.
Ze willen niet. We zijn met te veel, we zijn al met zes.
En ze willen geen vrouwen. - Goed zo, Assoun.
'Je mag hier blijven, ik zal voor je zorgen.'
Nu de anderen er zijn, ben je bang. - Ze willen hier geen vrouw.
Je krabbelt terug.
Ga mijn spullen halen, ik ga weg. - Wacht hier, ik ben zo terug.
Haast je. - Ik kom.
En mijn tent.
Ze willen niet. - Je hebt me goed beet.
Neem je tent. - Hier, je sjaal. Ik wil hem niet meer.
Ik mag een auto lenen, ik zal je brengen.
Zodat je sneller van me verlost bent?
Stap in. - Jullie zijn echt 'n gezellige bende.
Over een uur beginnen we.
Ik wist dat dit zou gebeuren. Ik had het gezegd.
Arm meisje. Waar is ze nu? Ze is zo jong...
Herinner je je dat meisje dat hier de vorige keer was?
Tegen wie ik had gezegd dat ze haar vuist moest ballen?
Ik dacht dat ze voor het eten kwam,
maar ze heeft alleen wat appelmoes gegeten,
wat koffie gedronken...
Geef me eens wat wijn.
Dat was het. Ze had het naar haar zin.
Ik vraag me af waarom ze bloed heeft gegeven.
Leuk, zo'n cafeetje met maar drie tafels.
Hier, vul jij de fles?
Kunnen we met u meerijden? - Als je alleen bent, ja.
Tot ziens.
Alleen zijn is moeilijk. Maar eenzaam zijn met twee is rot.
In Paulo's armen voel ik me eenzaam.
Hij houdt ervan om te gaan stappen en om te vrijen, maar dat is alles.
Ik ben heel sentimenteel.
Ik zal nooit dat meisje vergeten in de armen van die kerel met zijn ketting.
Neem je spullen en wacht op me in de hal.
En hij dan? - Maak je geen zorgen.
Jij mag hier slapen. Mevrouw haar zus is hier gestorven.
De kamer is verlaten. Niemand zet hier een voet binnen
Ik heb vaak aan die keer gedacht dat ik jullie heb zien slapen.
Het leek eeuwige liefde.
Nu ben je alleen, zoals die oude dame. - Ik ben niet zo rijk.
Arm kind. Ik zal je eens verwennen.
Hou me wat gezelschap, ik ben zo eenzaam.
Ik zorg voor haar en ik zal ook voor jou zorgen.
Ik doe 't niet voor de dankbaarheid. Ik ben 't gewend. Mevrouw ziet me niet.
Ze praat de hele tijd. Ze ziet alleen 'n schort bewegen. Dat ben ik, Yolande.
In het begin dacht ik dat ze kon zien. Ze kent haar huis uit het hoofd.
Ze heeft een heel lief neefje.
Knap en jong.
Ze heeft nooit kinderen gekregen. Ze heeft alleen mij.
Wel, mijn schort en mijn stofdoek.
Zal ze je haar huis geven?
Nee, dat is voor haar neefje, wanneer ze sterft.
Is hij haar neefje? Knappe kerel. Ik zou hem best willen.
Nee, dat is die van mij. - Jouw neefje?
Maar nee, mijn man. Schei uit.
Ik ga boodschappen doen.
Gedraag je, hè.
Je moet het zilver poetsen. Mijn vriendin Lucienne komt theedrinken.
Vergeet het rode lampje niet te herstellen.
En je zou de wijnglazen beter in de kast zetten.
Wie is dat? - Mijn arme zus Marcelle...
Mijn arme zus Marcelle...
Ik heb nooit van haar katten gehouden.
Als je zo oud bent, zijn katten beter dan niks.
Jij bent Yolande niet.
Je lijkt niet op haar en je bent kleiner.
Je bent Yolande niet. Wie ben je? - Ik ben Mona.
Wat is jouw naam, omaatje? - Lydie. Je hebt me doen schrikken.
Hier, omaatje.
Ik heb liever een glas.
Yolande heeft hier geen wijn gezet, maar cognac.
Dank je.
Wat is die meid aan het doen? - Welke meid?
Ik heb haar een lift gegeven toen je dronken was.
Is ze jong? Is ze mooi? Misschien komt er wat leven in de brouwerij.
Als mijn neefje me nu zou zien, hij zou raar opkijken.
Hij wacht op je dood. Het zijn allemaal aasgieren.
Ik weet het, maar ik zeg niks.
Wanneer hij langskomt met zijn bloemen en zegt:
'Dag, tante Lydie. Je ziet er goed uit vandaag.'
Dan weet ik dat hij mijn huis wil, maar...
Het is lekker.
Nog een?
Nog een beetje. - Een heel klein beetje.
Wat ben je grappig.
Geef me mijn schort. En snel.
'Geef me mijn schort. En snel.'
Ik moet je spreken. Mijn vriend wil dat je weggaat.
Die van op de foto?
Hier is 100 frank. Maak dat je wegkomt. - 100 frank om te vertrekken.
Jammer, de ouwe vindt me een toffe meid, maar de meid niet.
Vooruit. - De meid vindt me geen toffe meid.
Net een hotel. Om 12u vlieg je eruit.
Ik zal je baan niet inpikken, maak je geen zorgen.
Laat me niet alleen.
Hier, je schoenen.
Ze gaan me in een bejaardenhuis stoppen.
Ik ga weg in stijl.
Dag, Yolande. Had je ons niet gehoord? - Mevrouw zat te lachen.
Dag, meneer. Mevrouw.
Hoe gaat het met mijn groottante?
Ze lacht in haar eentje. Ze wordt seniel.
We willen even met je spreken.
De politie heeft naar je gevraagd in verband met een inbraak.
Het kasteel van oom Aimé. - Het kasteel waar hij conciërge is.
Ze vinden de daders niet. - Hij heeft het me gezegd.
Jij bent een spoor. - Ik?
Ja, het is een beetje vervelend voor ons en voor mijn tante.
Ik heb wat onderzoek gedaan. Je zou een vriendje hebben?
Wie niet? - Hij wordt verdacht.
Voor diefstal? Hij is verhuizer en woont bij z'n moeder.
Hij zou hier langskomen. 's Nachts ook.
Is er een lepeltje weg? - Doe niet alsof je van niks weet.
Ik zal duidelijke taal gebruiken. Je krijgt een week de tijd.
Schat, misschien...
Waar moet ik naartoe? Wat heb ik misdaan?
Je bent door de verkeerde in vervoering geraakt.
In wat?
Hij heeft het niet gedaan. Hij was daar niet.
Moet ik echt weg? - Een week is gebruikelijk.
Dag, tante Lydie. Je ziet er goed uit vandaag.
'Dag, tante Lydie. Je ziet er goed uit vandaag.'
Mevrouw, ik denk dat dit zilver is. Wilt u het kopen?
Ja, het is zilver.
Maar het is riskant. Je hebt het vast gestolen. Nee, ik wil het niet.
Heb je een sigaret? - Nee.
Meneer. - Kijk uit waar je loopt.
Wil je mijn lepeltjes kopen? - Wat moet ik er mee?
Ik heb honger.
Eten is makkelijk. Werken is moeilijker.
Ga weg, ouwe.
Dit is geen goeie plek om te handelen. Ze doen identiteitscontrole.
Ik heb geen papieren bij me, dus ze zullen me opsluiten.
Ik ben het moe van rond te dwalen. Ik ben moe.
Doe niet dom. Ik ken iemand die verdachte dingen opkoopt.
Echt?
Heb je geen papieren? Ik dacht dat je aan het dealen was.
Niks.
Ik had mijn geboorteakte, maar ik ben ze verloren.
Hé, dat is mijn foto. - Te laat. Nu kost hij 2 frank meer.
Kom nou. - Zo is het. Dokken.
Bedankt.
Heeft niemand hier zin om te bewegen? - Niet meteen.
Hoe heet je? - Jean.
Hou op. In het station kun je spelen.
Kom op, Robert en Jean.
Hoe zal het zijn in Avignon?
Het zou een sympathieke familie zijn en ze zijn jonger.
Ik had niet gedacht dat u dit zou doen. - Wat?
Dat u me eruit zou zetten en die oude dame naar een rusthuis zou sturen.
U laat er geen gras over groeien. Uw vrouw bedoel ik. Ze is hard.
Ze is mijn vrouw. Jij begrijpt niks van passie.
Succes. - Tot ziens, Mr. Jean-Pierre.
Ik schrok. Ik dacht even dat ik het meisje zag dat ik eruit had gegooid.
Ik vraag me af wat er met haar gebeurd is.
Ik weet zelfs niet waar ze vandaan komt.
Het is makkelijk om mensen te bekritiseren als je geld hebt.
Wij hangen hier rond, we zitten in de shit, we hebben niks.
Ik heb het ook moeilijk gehad. Ik ben opgegroeid in een weeshuis.
Dan zijn we met twee. - We zijn als broer en zus.
Ik heb plannen voor jou. Je kunt voor mij tippelen.
Ik kan een kop koffie gebruiken.
Laten we een kop koffie halen.
Opstaan. - Laat me slapen.
Hij slaapt.
Wat een trieste boel.
Jullie hebben wat muziek nodig.
Hou op. Ga buiten het beest uithangen. - Ga weg, je hebt haar gehoord.
Ik ben dronken.
Ik zou je kunnen meenemen naar Toulouse. Ik ken daar mensen.
Je zou kunnen poseren, pornofilms maken. Je zou kunnen poseren.
Ik poseren?
Of pauzeren?
Gérard, ik heb het meisje gevonden dat Mw. Landier een lift heeft gegeven.
Ja, zij die ze wilde terugvinden. Ze is hier, in het station.
Je zou haar moeten zien. Ze ziet er niet uit, ik word er misselijk van.
Jij weet het nu, maar ik zeg het nooit tegen Mw. Landier.
Ook niet tegen Eliane.
Ik begrijp dat ze in de war is, ik voel me ook soms een beetje verloren.
Maar om zo laag te vallen...
Ze is gestoord.
Ze heeft me in elk geval niet herkend.
Ze heeft tegen me gezegd: 'Ben je bang van mij?'
Ja, ik ben bang van haar.
Ik ben bang van haar omdat ik van haar walg.
Niks? - Nee, we gaan elders proberen.
Waar ben je? Ik heb gehoord dat je terug bent.
Daar ben je, smeerlap.
Waar is mijn geld? - Ik heb het aan Gégé gegeven.
Leugenaar. Ik heb Gégé gezien.
Ik zweer je, ik sla de boel hier kapot. - Rustig aan.
De hele stad mag afbranden, het kan me niks schelen.
Bedankt, Bébert. Hij heeft het vuur aangestoken en ze is ervandoor.
Ze kon goed neuken. Ik had geld kunnen verdienen met haar.
Ik heb die andere nog, maar die spreekt te veel.
Ik haat dat getetter. Ze is onuitstaanbaar.
Ik mis Mona, ze was goed in bed.
Te laat. Nu kost het je 2 frank meer.
Dieven, opgepast voor de valkuilen
Het is ijskoud. Ik kan niet slapen.
Als mama Louise me zou zien liggen in dit radijzenhuis...
Ze zijn zelfs te klein om op te eten.
Het is koud.
Ga weg, stomme hond.
Ga weg en ga ergens creperen.
Opgepast met je cape, straks vat hij vuur.
Ik ben op zoek naar brood. - Brood? In dat dorpje daar.
Volg de weg of loop door het veld en dan onder de brug naar het dorp.
We grappen maar wat.
Zachtjes.
Kom erbij.
Wat lekker.
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.